Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 17 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14264Zaaknummer C/10/725437 / JE RK 26-1685

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/725437 / JE RK 26-1685
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg met ingang van 17 september 2026 tot 17 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 28 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/725437 / JE RK 26-1685

Datum uitspraak: 17 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. R.A. Remport Urban, kantoorhoudende in Linne,

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kind gesprek. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de [zorg instelling].

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 juli 2027.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 17 januari 2027.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. In de eerste fase van de ondertoezichtstelling is onderzocht wat de aanleiding voor de uithuisplaatsing is geweest en waaraan gewerkt moet worden. De GI zet pas een stap naar achter als de hulpverlening is opgestart. Als [minderjarige] bij de oma mz wordt geplaatst, kan zij naar haar school in [locatie] blijven gaan door leerlingenvervoer in te zetten. [minderjarige] zelf twijfelt of zij in [locatie] naar school wil blijven gaan of dat zij van school wil wisselen. De oma mz is nog niet gescreend door pleegzorg, maar er is contact tussen de GI en pleezorg om de financiering in orde te maken en dan wordt alles in gang gezet. Een neutrale plek in de regio is op dit moment niet beschikbaar. De GI blijft hiernaar zoeken, maar voor nu is het voor [minderjarige] het fijnst als zij in een vertrouwde omgeving wordt geplaatst. De oma mz kan [minderjarige] een stabiele plek bieden. Vanuit hier kan worden gekeken welke vorm van therapie in [minderjarige] haar belang is en waar haar perspectief ligt.

4.2.

Namens en door de moeder wordt ter zitting verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen. De moeder ziet het liefst dat [minderjarige] ergens wordt geplaatst waar zij psychologische hulp krijgt. De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige] haar mentale gezondheid en is bang dat zij door de puberteit verder afglijdt. Een plaatsing bij de oma mz gaat [minderjarige] niet helpen. Afgelopen weekend was er sprake van een crisissituatie rondom [minderjarige] waarin de oma mz niet bereikbaar was. De oma mz kan [minderjarige] daarnaast pedagogisch en didactisch niet bieden wat zij nodig heeft. [minderjarige] heeft een stok achter de deur nodig. Misschien kan [minderjarige] bij de vader terecht. Een andere passende plek zou een internaat in België kunnen zijn. Als [minderjarige] het daar goed doet, zou zij als beloning bijvoorbeeld in het weekend naar de oma mz kunnen. Het is belangrijk dat [minderjarige] therapie krijgt om te verwerken wat zij in het verleden heeft meegemaakt. Ook de ouders moeten hierbij worden betrokken.

4.3.

De vader voert ter zitting geen verweer tegen het verzoek van de GI. De vader heeft ter zitting voor het eerst gehoord over de opties om [minderjarige] bij hem te plaatsen of in een internaat. Deze opties moeten eerst worden onderzocht. De vader vindt het niet in [minderjarige] haar belang als zij in de tussentijd langer bij de [zorg instelling] verblijft. Daarom vindt de vader een plaatsing van [minderjarige] bij de oma mz op dit moment de beste optie. [minderjarige] verblijft dan bij familie en in een omgeving die zij kent. Daarnaast heeft [minderjarige] zelf ook de wens om naar de oma mz te gaan. De vader denkt dat een plaatsing bij de oma mz voor stabiliteit kan zorgen en vervolgens vanuit daar therapie kan worden ingezet.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_50795ad3-bd70-4f63-bd20-0095ec897337]

5.2.

De elfjarige [minderjarige] verblijft sinds 17 juli 2026 bij crisisopvang de [zorg instelling] vanwege geweldspatronen in de thuissituatie tussen de moeder en [minderjarige]. Hoewel [minderjarige] het hier best gezellig vindt, is de crisisopvang geen passende plek voor haar op haar leeftijd. Het is belangrijk dat [minderjarige] nu op een stabiele en veilige plek verblijft en de crisisopvang is dit niet. De afgelopen periode is de GI daarom op zoek gegaan naar een passende groep voor [minderjarige], maar zonder succes. Op dit moment is er enkel plek op groepen ver buiten de regio. Dat is in verband met de schoolgang van [minderjarige] niet wenselijk. De oma mz heeft zich bereid verklaard om [minderjarige] op te vangen en [minderjarige] zelf wil ook graag naar de oma mz toe. Zij heeft hier in het verleden langere tijd verbleven en is bekend in de omgeving. De door de moeder geopperde alternatieven zijn ofwel niet beschikbaar of niet onderzocht, waardoor op dit moment niet duidelijk is of dat in het belang van [minderjarige] is. Nu een terugplaatsing bij de moeder op dit moment ook nog niet tot de mogelijkheden behoort, is de kinderrechter van oordeel dat een plaatsing van [minderjarige] bij de oma mz voor nu de beste optie is. Een plaatsing bij de oma mz creëert hopelijk de benodigde stabiliteit en rust voor [minderjarige], zodat vanuit deze setting vervolgens de juiste hulpverlening en therapie kan worden ingezet.

5.3.

De kinderrechter zal daarom een machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 17 juli 2027.

5.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg met ingang van 17 september 2026 tot 17 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 28 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.