Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 29 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14148Zaaknummer C/10/692307

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/692307
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis; burengeschil over een aanbouw; uitleg van de overeenkomst die partijen hebben gesloten om tot een minnelijke regeling te komen; vervolgonderzoek nodig; partijen worden alsnog in de gelegenheid gesteld om daaraan mee te werken.

De rechtbank

in conventie en in reconventie

6.1.

verwijst de zaak naar de rol van 13 mei 2026, waarop [persoon B 1] en [persoon B 2] zich bij akte kunnen uitlaten over de vraag of zij alsnog meewerken aan het door [persoon A] gewenste vervolgonderzoek,

6.2.

bepaalt dat de zaak zes weken nadat [persoon B 1] en [persoon B 2] de in 6.1 bedoelde akte hebben genomen weer op de rol zal komen, voor vonnis als zij niet willen meewerken aan vervolgonderzoek en voor uitlaten partijen als zij dat wel willen,

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

3194/1918

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak in het kort
  2. 2 De procedure
  3. 3 De feiten
  4. 4 Beoordeling
  5. 4 Het geschil
  6. 5 De beoordeling
  7. 6 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer / rolnummer: C/10/692307 / HA ZA 25-38

Vonnis van 29 april 2026

in de zaak van

[persoon A],

wonend in [woonplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [persoon A],

advocaat: mr. L.P. Quist,

tegen

1. [persoon B 1],

wonend in [woonplaats],

advocaat: mr. M.J.P. Verwoerd,2. [persoon B 2],

wonend in [woonplaats],

advocaat: mr. L. Simsek,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [persoon B 1] en [persoon B 2].

1 De zaak in het kort

1.1.

Partijen zijn eigenaar van woningen in Zwijndrecht die naast elkaar liggen. [persoon A] is het niet eens met de manier waarop [persoon B 1] en [persoon B 2] een aanbouw aan hun woning hebben gerealiseerd.

1.2.

Tijdens de zitting van de rechtbank is gesproken over een mogelijke oplossing voor het geschil tussen partijen. Na de zitting hebben partijen een overeenkomst gesloten om tot een minnelijke regeling te komen. Als onderdeel van deze overeenkomst is onderzocht of de aanbouw voldoet aan de geldende geluidsnormen. Partijen zijn het er niet over eens of er een vervolgonderzoek moet komen. In dit tussenvonnis oordeelt de rechtbank dat een redelijke uitleg van de overeenkomst tussen partijen is dat dit vervolgonderzoek er moet komen. [persoon B 1] en [persoon B 2] worden in de gelegenheid gesteld om alsnog mee te werken aan dat onderzoek. Doen zij dat niet, dan zal de rechtbank de vorderingen van partijen verder beoordelen. Doen zij dat wel, dan wacht de rechtbank af of het vervolgonderzoek alsnog leidt tot een minnelijke regeling.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 december 2024, met drie producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met vijf producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 4 tot en met 10;

- de pleitaantekeningen van [persoon B 1] en [persoon B 2] voor de mondelinge behandeling op 15 juli 2025;

- de akte uitlaten tevens overleggen aanvullende producties tevens wijziging van eis van [persoon B 1] en [persoon B 2], met producties 6 tot en met 11;- de antwoordakte tevens vermeerdering van eis van [persoon A], met één productie;- de akte van [persoon B 1] en [persoon B 2].

2.2.

Op de rol van 11 maart 2026 hebben partijen de rechtbank gevraagd vonnis te wijzen, waarna de rechtbank heeft bepaald dat er een vonnis komt.

3 De feiten

3.1.

[persoon A] is eigenaar van de woning aan de [straatnaam] 1 in Zwijndrecht. [persoon B 1] en [persoon B 2] zijn samen eigenaar van de woning aan de [straatnaam] 3 in Zwijndrecht. Deze woningen liggen naast elkaar.

3.2.

In de koopovereenkomst van [persoon B 1] en [persoon B 2], waarmee zij de woning aan de [straatnaam] 3 (met bouwnummer [bouwnummer X]) hebben gekocht, is onder meer het volgende bepaald.

“ Erfdienstbaarheden en bijzondere verplichtingen in verband met de situering van de bouwpercelen onderling

Artikel 9

Koper is bekend dat ten behoeve en ten laste van het bij deze gekochte perceel grond en ten laste en ten behoeve van de naast en nabijgelegen percelen zodanige erfdienstbaarheden en verplichtingen gevestigd moeten en zullen worden als nodig zijn in verband met de situering van de bouwpercelen en de daarop te bouwen woningen onderling, alsmede van aangrenzende percelen, speciaal - voorzover nodig - wat betreft de afvoer van hemel- en huishoudwater, alsmede rechten van inbalking, overbouw, licht en lucht.”

3.3.

In de leveringsakte van 31 juli 2006, waarbij de eigendom van de woning aan de [straatnaam] 3 aan [persoon B 1] en [persoon B 2] is geleverd, staat onder meer het volgende.

“ Artikel 6(…)VESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 9 van de koopovereenkomst verklaren de comparanten (…) bij deze ten behoeve en ten laste, over en weer, van het bij deze verkochte bouwperceel enerzijds en het/de aangrenzende bouwperce(e)l(en) anderzijds, de navolgende erfdienstbaarheden - voorzover niet reeds eerder gevestigd - 'om niet' te vestigen, te weten:

(…)

c. Erfdienstbaarheid van overbouw:

inhoudende de verplichting van de eigenaar van het lijdend erf om te dulden dat bij de uitvoering van het bestaande bouwplan eventueel een op het heersend erf te bouwen of gebouwde woning of de daarbij behorende berging, casu quo carport gedeeltelijk op het lijdend erf is gebouwd, casu quo hierboven uitsteekt, casu quo de versnijdingen van de funderingen in het lijdend erf zijn gelegen of de bij de op het heersend erf gebouwde woning behorende leidingen gedeeltelijk in het lijdend erf zijn aangebracht.(…)f. Erfdienstbaarheid van inbalking:

inhoudende de bevoegdheid voor de eigenaar van het heersend erf ten behoeve van de voorgenomen bouw van de volgens het bestaande bouwplan te bouwen of gebouwde opstallen, de benodigde balklaag in te brengen in de zijgevel van de aan de eigenaar van het lijdend erf toebehorende woning.

AANVAARDING ERFDIENSTBAARHEDEN, BEDINGEN en BIJZONDERE

VERPLICHTINGEN

De in bovengenoemde bepalingen voorkomende verplichtingen worden bij deze aan koper opgelegd.

De koper verklaart de hiervoor vermelde erfdienstbaarheden, bedingen en/of bijzondere verplichtingen bij deze uitdrukkelijk te aanvaarden.

(…)AANBOUW NAASTGELEGEN WONING

Koper verklaart ermee bekend te zijn dat de naastgelegen woningen met bouwnummers [bouwnummer Y] en [bouwnummer Z] door de betreffende eigenaar (in de toekomst) kunnen worden uitgebreid met een aanbouw aan de woonkamer, waarvan de muur zich (gedeeltelijk) op het bij deze verkochte zal bevinden.

Ten behoeve van deze (toekomstige) aanbouw wordt bij deze akte een erfdienstbaarheid van overbouw gevestigd blijkens het hiervoor onder VESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN sub c. bepaalde.”

3.4.

In de leveringsakte van 7 juli 2006, waarbij de eigendom van de woning aan de [straatnaam] 1 (met bouwnummer [bouwnummer Z]) aan [persoon A] is geleverd, staan dezelfde bepalingen, met dien verstande dat onder het kopje “AANBOUW NAASTGELEGEN WONING” in de leveringsakte van [persoon A] niet staat “de naastgelegen woningen met bouwnummers [bouwnummer Y] en [bouwnummer Z] ”, maar “de naastgelegen woning met bouwnummer [bouwnummer X] ”.

3.5.

[persoon A] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij de nieuwbouw van haar woning een aanbouw te realiseren. Ook bij [straatnaam] 5 (met bouwnummer [bouwnummer Y]) is een aanbouw gerealiseerd. [persoon B 1] en [persoon B 2] hebben hier bij de nieuwbouw van hun woning niet voor gekozen. Op de foto op de volgende bladzijde, overgelegd door [persoon B 1] en [persoon B 2] en genomen vanuit hun achtertuin, is de toenmalige situatie te zien.

3.6.

In 2022 hebben [persoon B 1] en [persoon B 2] alsnog een aanbouw aan de achterzijde van hun woning laten maken. Hun aannemer heeft de zijmuren van de aanbouwen van de woningen aan de [straatnaam] 1 en 5 laten staan, die zijmuren gestuct en vervolgens gebruikt als binnenmuren van de aanbouw van [persoon B 1] en [persoon B 2].

3.7.

Tijdens de zitting van 15 juli 2025 is overlegd over een minnelijke regeling. Dit overleg is na de zitting voortgezet, waarna partijen op 29 augustus 2025 de volgende afspraken hebben gemaakt, waarbij “cliënte” verwijst naar [persoon A] en “uw cliënten” naar [persoon B 1] en [persoon B 2].

“ 1. Cliënte laat een onderzoek uitvoeren naar contactgeluiden van de uitbouw. Dit onderzoek geschiedt voor rekening van cliënte. Beide partijen verlenen hun medewerking aan dit onderzoek.

2. Indien er uit dit onderzoek volgt dat er sprake is van een onaanvaardbare mate van contactgeluid dan dienen uw cliënten deze contactbruggen te verwijderen. Ongeacht de uitslag van het onderzoek zal er daarnaast ook een geluidwerende muur dienen te worden geplaatst omdat deze muur niet alleen een geluidwerende, maar ook een dragende functie heeft.

3. Uw cliënten betalen een bedrag van € 7.500,- aan cliënte ter zake het oneigenlijk toe-eigenen van de muur.

4. Na effectuering van het vorenstaande kan de procedure worden beëindigd. Voor eventuele schade aan de constructie wordt geen finale kwijting verleend, omdat cliënte niet bekend is of er schade is of zal ontstaan.”

3.8.

Vervolgens heeft [persoon C] van Peutz B.V. (hierna: Peutz) een onderzoek verricht. Het onderzoeksrapport van 13 november 2025 vermeldt onder meer het volgende.

“ 3 Metingen

(…)

De metingen worden doorgaans verricht op een kale betonnen vloer om te kunnen toetsen aan de wettelijke eisen voor het contactgeluidniveau. Aangezien het onderzoek op verzoek van de bewoners van nr. 3 non-destructief moest plaatsvinden, was het niet mogelijk om de metingen direct op de betonnen vloer uit te voeren.

Ten tijde van de meting was in de uitbouw van woning nr. 3 een vloerafwerking aanwezig van PVC.

PVC zal een positieve bijdrage leveren aan de verlaging van het contactgeluidniveau, ofwel het contactgeluidniveau op een kale vloer zal hoger zijn. Hierdoor is aan de hand van metingen nog niet vastgesteld of ook de kale betonvloer kan voldoen aan de gestelde de wettelijke grenswaarde inzake het contactgeluidniveau. Daarnaast kan, hoewel voldaan wordt aan de grenswaarden met een thans toegepaste PVC-vloerafwerking, door bouwkundige verbindingen tussen uitbouw van nr. 3 en de woning nr. 1 alsnog geluidhinder worden ervaren doordat o.a. het achtergrondgeluidniveau vanuit de omgeving erg laag is. Tevens kan ook geluidhinder en trillinghinder worden ervaren door diverse woonactiviteiten. (…)

De akoestische specificaties van de PVC-vloer en de informatie over de constructie van de uitbouw van nr. 3 bijvoorbeeld in de vorm van bouwkundige tekeningen en bouwkundige details zijn door de bewoners van nr. 3 niet verstrekt. Derhalve kan op basis van de huidige informatie en onderzoek nog niet worden vastgesteld of een goede bouwkundige scheiding aan de orde is (…)

(…)

4 Beoordeling

Verder ontbreken er uitvoeringstekeningen en details om te bezien of volgens de gebruikelijk bouwwijze de woningscheidende constructies tot stand zijn gekomen om een voldoende contactgeluidisolatie te realiseren alsmede trillingoverdracht te beperken. (…)

Alhoewel de waarden voldoen is niet uit te sluiten dat toch geluidhinder kan worden ondervonden vanuit een aangrenzende woning. De mate van geluidhinder wordt niet alleen bepaald door de luchtgeluidisolaties en contactgeluidisolaties maar ook door het heersende achtergrondniveau (o.a. omgevingsgeluid van buiten). Het achtergrondgeluidniveau in de onderhavige woningen is relatief laag door een geluidluwe omgeving. Daarnaast kunnen woonactiviteiten in de aangrenzende woning van invloed zijn. Tevens kan afhankelijk van de bouwkundige uitvoering trillinghinder optreden.”

3.9.

Met verwijzing naar dit onderzoeksrapport heeft [persoon A] voorgesteld aanvullend bouwkundig onderzoek en endoscopisch onderzoek te doen, waarvoor het niet nodig is om (delen van) de aanbouw van [persoon B 1] en [persoon B 2] te verwijderen. [persoon B 1] en [persoon B 2] hebben medewerking aan dat onderzoek geweigerd, omdat zij menen dat uit het onderzoek van Peutz al voldoende blijkt dat aan de wettelijke normen wordt voldaan.

4 Het geschil

in conventie

4.1.

[persoon A] vordert na eiswijziging, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis

primair 1) de overeenkomst van 29 augustus 2025 ontbindt

en bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad2) voor recht verklaart dat [persoon B 1] en [persoon B 2] een onrechtmatige daad hebben gepleegd door de buitengevel van [persoon A] te gebruiken als (spouw)muur, zodat [persoon B 1] en [persoon B 2] verplicht zijn de schade te vergoeden door de bouwwijze aan te passen zoals hierna gevorderd;

3) [persoon B 1] en [persoon B 2] hoofdelijk veroordeelt oma) de aanbouw binnen twee weken na betekening van het vonnis te verwijderen of aan te passen, zodat deze los van de woning van [persoon A] staat, b) alle aangebrachte beschadigingen (boorgaten, stopcontacten leidingen, enzovoort) te herstellen en c) ervoor te zorgen dat de gestorte vloerconstructie van hun uitbouw niet langer in direct contact staat met de muur/fundatie van de uitbouw van [persoon A] om het contactgeluid op te heffen door de contactbruggen te verwijderen, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [persoon B 1] en [persoon B 2] hieraan niet voldoen;

4) [persoon B 1] en [persoon B 2] hoofdelijk veroordeelt om [persoon A] binnen twee maanden na betekening van het vonnis met behulp van een door haar aan te wijzen deurwaarder de mogelijkheid te geven de uitgevoerde werkzaamheden te inspecteren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij hieraan niet voldoen;

subsidiair, als de rechtbank vordering 3 en 4 afwijst 5) [persoon B 1] en [persoon B 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 7.500,00 aan schadevergoeding voor het onrechtmatig gebruiken van de muur, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 december 2024 (datum dagvaarding) tot de dag van volledige betaling;

meer subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat uitgegaan moet worden van de afspraken die partijen op 29 augustus 2025 hebben gemaakt [persoon B 1] en [persoon B 2] bij vonnis voor zover mogelijk bij voorraad hoofdelijk veroordeelt tot:a) het plaatsen van een dragende geluidswerende muur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij hieraan niet voldoen,

b) betaling van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 28 januari 2026 (datum eiswijziging) tot de dag van volledige betaling enc) het gehengen en gedogen dat de contactbruggen tussen de woningen van [persoon A] en [persoon B 1] en [persoon B 2] in de woning van [persoon B 1] worden verwijderd op kosten van [persoon A], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [persoon B 1] en [persoon B 2] daar niet aan meewerken;

in alle gevallen 9) [persoon B 1] en [persoon B 2] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

4.2.

[persoon B 1] en [persoon B 2] vinden dat de rechtbank de vorderingen van [persoon A] moet afwijzen en [persoon A] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na het vonnis. (De rechtbank begrijpt de eiswijziging van [persoon B 1] en [persoon B 2] zo dat die alleen betrekking heeft op de reconventie.)

4.3.

Op de relevante stellingen van partijen wordt verderop in dit vonnis ingegaan.

in reconventie

4.4.

[persoon B 1] en [persoon B 2] vorderen na eiswijziging, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis

primair

1) voor recht verklaart dat het geschil tussen [persoon A] en [persoon B 1] en [persoon B 2] als gevolg van de vaststellingsovereenkomst van 29 augustus 2025 is beëindigd en partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van dit geschil en wat hen in de hoofdzaak verdeeld heeft gehouden;

subsidiair

2) voor recht verklaart dat ten bate en ten laste van de woningen aan de [straatnaam] 1 en 3 in Zwijndrecht de woningscheidende muur tussen de aanbouwen van beide woningen gemeenschappelijk eigendom is;3) voor recht verklaart dat het [persoon B 1] en [persoon B 2] is toegestaan om a) hun aanbouw tegen de bestaande buitenzijmuur van de aanbouw van [persoon A] te realiseren, b) deze bestaande buitenzijmuur van [persoon A] in gebruik te nemen als binnenmuur van hun aanbouw,c) deze buitenzijmuur te voorzien van stucwerk en leidingen en d) met betrekking tot deze muur alles te doen wat bij een normaal gebruik als woonkamermuur hoort;4) voor recht verklaart dat a) de aanbouw van [persoon B 1] en [persoon B 2] in overeenstemming is met de rechten en plichten uit de koop- en aannemingsovereenkomsten en leveringsakten van zowel [persoon B 1] en [persoon B 2] als [persoon A] en datb) [persoon A] de door [persoon B 1] en [persoon B 2] gerealiseerde aanbouw van de woning aan de [straatnaam] 3 in Zwijndrecht moet respecteren;

5) [persoon A] veroordeelt tot betaling van de door [persoon B 1] en [persoon B 2] geleden schade van € 1.354,00 per maand aan dubbele woonlasten vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van verkoop van de woning van [persoon B 1] en [persoon B 2] aan de [straatnaam] 3 in Zwijndrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van volledige betaling;

in alle gevallen

6) [persoon A] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten vanaf de veertiende dag na het vonnis.

4.5.

[persoon A] vindt dat de rechtbank de vorderingen van [persoon B 1] en [persoon B 2] moet afwijzen en hen hoofdelijk moet veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

4.6.

Op de relevante stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie

De primaire vorderingen van partijen zijn op dit moment niet toewijsbaar; partijen moeten verder invulling geven aan de op 29 augustus 2025 door hen gemaakte afspraken

5.1.

Partijen hebben op 29 augustus 2025 afspraken gemaakt om tot een minnelijke regeling voor hun geschil te komen. Partijen zien deze afspraken, die zijn geciteerd in 3.7 van dit vonnis, als een overeenkomst. Dat is de rechtbank met hen eens.

5.2.

[persoon A] voert aan dat [persoon B 1] en [persoon B 2] hun verplichtingen op grond van deze overeenkomst niet zijn nagekomen, omdat zij hebben geweigerd mee te werken aan verder onderzoek. Dit betekent volgens [persoon A] dat de overeenkomst van 29 augustus 2025 ontbonden moet worden.

[persoon B 1] en [persoon B 2] zijn het daar niet mee eens. Zij hebben meegewerkt aan het onderzoek en daaruit blijkt volgens hen dat de aanbouw voldoet aan de wettelijke geluidsnormen. Er is volgens hen geen reden voor nader onderzoek. Volgens [persoon B 1] en [persoon B 2] is het juist [persoon A] die de overeenkomst niet nakomt door ten onrechte nader onderzoek te verlangen. Onder deze omstandigheden ligt het volgens [persoon B 1] en [persoon B 2] in de rede dat de rechtbank vaststelt dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben.

Partijen verschillen dus van mening over het antwoord op de vraag waartoe de op 29 augustus 2025 gesloten overeenkomst hen verplicht, wie van hen deze overeenkomst niet is of zijn nagekomen en welke rechtsgevolgen dat moet hebben.

5.3.

Bij de uitleg van een overeenkomst komt het aan op de betekenis die de partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)).

5.4.

Het is positief dat partijen een poging hebben gedaan om een minnelijke regeling voor hun geschil te bereiken. In dat kader is onderzoek verricht door Peutz. Uit het onderzoeksrapport van Peutz blijkt dat zij heeft onderzocht of de aanbouw aan de toepasselijke geluidsnormen voldoet. Er is tussen partijen geen discussie over dat Peutz over voldoende deskundigheid beschikt om dit onderzoek te doen, dat het logisch is dat zij heeft beoordeeld of de aanbouw aan de wettelijke geluidsnormen voldoet, dat Peutz aan de juiste normen heeft getoetst, dat haar onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is verricht en dat haar rapport inzichtelijk is. De rechtbank ziet geen reden om hier anders over te oordelen en neemt het rapport van Peutz daarom tot uitgangspunt bij de verdere beoordeling.

5.5.

Peutz legt uit dat ook bij een vloer die aan de geluidsnormen voldoet geluidhinder kan worden ervaren, omdat de woningen van partijen in een rustige omgeving zijn gelegen, waardoor er relatief weinig achtergrondgeluiden zijn. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de beoordeling. Als de vloer aan de geluidsnormen voldoet, zijn partijen gehouden om verdere uitvoering te geven aan hun overeenkomst.

5.6.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of met het onderzoek van Peutz voldoende invulling is gegeven aan het eerste onderdeel van de overeenkomst van 29 augustus 2025. Er is een onderzoek uitgevoerd naar contactgeluiden van de uitbouw en alle partijen hebben hun medewerking verleend aan dit onderzoek. Peutz concludeert dat de luchtgeluidisolatie van de scheidingsconstructie tussen de woonkamers van de woningen van partijen (nog net) voldoet aan de geldende norm en dat de contactgeluidisolatie van de woning van [persoon B 1] en [persoon B 2] in de richting van de woning van [persoon A] ruimschoots voldoet aan de geldende norm. Peutz heeft echter niet kunnen vaststellen of de kale vloer aan de geluidsnormen voldoet, omdat er PVC op de vloer ligt en het onderzoek niet-destructief is uitgevoerd. Peutz licht in dit verband toe dat PVC een positief effect heeft op de mate van geluidsisolatie. Dat de vloer met PVC aan de geluidsnormen voldoet, betekent volgens Peutz nog niet dat ook de kale vloer, die minder geluid isoleert dan de vloer met PVC, aan de norm voldoet.

5.7.

[persoon B 1] en [persoon B 2] stellen zich op het standpunt dat het rapport van Peutz duidelijk is: er wordt voldaan aan de wettelijke normen. Dat de geluidsisolatie van de kale vloer niet kon worden vastgesteld is volgens hen niet relevant, want er wordt gewoond en geleefd in een woning met PVC op de vloer en met PVC wordt aan de norm voldaan. De rechtbank acht dit standpunt begrijpelijk, bezien vanuit de positie van [persoon B 1] en [persoon B 2]; zij hebben meegewerkt aan het onderzoek, de door Peutz vastgestelde waarden voldoen aan de geldende geluidsnormen en dat geldt ook voor de vloer inclusief PVC.

Toch is de rechtbank van oordeel dat hun redenering niet opgaat. Het mag zo zijn dat de vloer met PVC voldoet aan de geluidsnormen voor vloeren, de gebruikelijke meetmethode is volgens Peutz dat het onderzoek plaatsvindt op een kale vloer. Peutz zet ook uiteen dat het zonder meer informatie en/of nader onderzoek niet mogelijk is om vast te stellen of de kale vloer aan de geluidsnormen voldoet. Als dat niet zo is, biedt de vloer met PVC minder geluidsisolatie dan als de kale vloer wel aan de norm zou voldoen. Voor zover in de stellingen van [persoon B 1] en [persoon B 2] besloten ligt dat zij niet verplicht zijn om hun betonnen vloer met PVC of iets anders te bedekken, zodat de conclusie dat de vloer inclusief PVC aan de geluidsnormen voldoet hoe dan ook het einde van de discussie zou moeten betekenen, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Het is gebruikelijk dat een kale betonnen vloer in een woning wordt bedekt met materiaal met een zekere geluidsisolerende waarde en met dat gegeven zal rekening zijn gehouden bij het vaststellen van de geluidsnormen.

De conclusie is dat [persoon A] er een redelijk belang bij heeft om vervolgonderzoek te laten doen naar de vloer. Zij heeft voorgesteld om dat vervolgonderzoek niet-destructief uit te voeren in de vorm van nader bouwkundig en endoscopisch onderzoek. Dit voorstel strookt met een redelijke uitleg van de overeenkomst. Partijen hebben immers afgesproken dat onderzoek wordt gedaan om vast te stellen of de aanbouw aan de geluidsnormen voldoet. Het onderzoek van Peutz heeft daar wat betreft de vloer onvoldoende duidelijkheid over gegeven. Dan is vervolgonderzoek een logische stap, die aansluit bij de overeenkomst tussen partijen.

5.8.

De conclusie is dat [persoon B 1] en [persoon B 2] ten onrechte hun medewerking aan het door [persoon A] gewenste vervolgonderzoek hebben geweigerd en dat zij daarmee de overeenkomst van 29 augustus 2025 vooralsnog niet zijn nagekomen. Hun primaire vordering is bij deze stand van zaken niet voor toewijzing vatbaar.

5.9.

De volgende vraag is of [persoon A] de ontbinding van de overeenkomst kan vorderen omdat [persoon B 1] en [persoon B 2] niet hebben meegewerkt aan nader onderzoek. Deze vraag beantwoordt de rechtbank op grond van de situatie op dit moment ontkennend. Waartoe de overeenkomst [persoon B 1] en [persoon B 2] in dit verband verplicht, is niet evident en vergt een uitleg van deze overeenkomst. [persoon B 1] en [persoon B 2] hebben op dit punt een pleitbaar standpunt ingenomen. De rechtbank acht het niet onredelijk dat zij het oordeel van de rechtbank hierover hebben willen afwachten. Onder deze omstandigheden rechtvaardigt de tekortkoming van [persoon B 1] en [persoon B 2] in de nakoming van de overeenkomst niet dat de rechtbank deze overeenkomst op dit moment ontbindt.

5.10.

In het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat [persoon B 1] en [persoon B 2] op grond van de overeenkomst gehouden zijn mee te werken aan het door [persoon A] gewenste vervolgonderzoek. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de zaak te verwijzen naar de rol van 13 mei 2026, waarop [persoon B 1] en [persoon B 2] kenbaar kunnen maken of zij alsnog meewerken aan het vervolgonderzoek.

Het vervolg van de procedure

5.11.

Als [persoon B 1] en [persoon B 2] blijven bij hun weigering om mee te werken aan het door [persoon A] gewenste vervolgonderzoek, zal de rechtbank vonnis bepalen en in dat vonnis de primaire vordering van [persoon B 1] en [persoon B 2] afwijzen, de ontbindingsvordering van [persoon A] toewijzen en de andere vorderingen van partijen beoordelen.

5.12.

Als [persoon B 1] en [persoon B 2] alsnog meewerken aan het door [persoon A] gewenste vervolgonderzoek, komt de zaak zes weken nadat [persoon B 1] en [persoon B 2] dit hebben verklaard opnieuw op de rol, waarop partijen zich kunnen uitlaten over de stand van zaken. Het ligt in de rede dat het vervolgonderzoek met voortvarendheid wordt verricht. Als ook het vervolgonderzoek geen uitsluitsel biedt, rijst de vraag of destructief vervolgonderzoek redelijk is op grond van de overeenkomst. Die vraag kan niet op voorhand bevestigend worden beantwoord. Hierbij is onder meer van belang of de uitvoerder van het vervolgonderzoek een uitspraak kan doen over de mate van waarschijnlijkheid dat de kale vloer aan de geluidsnormen voldoet.Als partijen ook na vervolgonderzoek geen overeenstemming bereiken, zal de rechtbank vervolgens bepalen hoe de procedure wordt voortgezet.

5.13.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

6.1.

verwijst de zaak naar de rol van 13 mei 2026, waarop [persoon B 1] en [persoon B 2] zich bij akte kunnen uitlaten over de vraag of zij alsnog meewerken aan het door [persoon A] gewenste vervolgonderzoek,

6.2.

bepaalt dat de zaak zes weken nadat [persoon B 1] en [persoon B 2] de in 6.1 bedoelde akte hebben genomen weer op de rol zal komen, voor vonnis als zij niet willen meewerken aan vervolgonderzoek en voor uitlaten partijen als zij dat wel willen,

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

3194/1918

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.