Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Rotterdam, 28 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14127Zaaknummer C/10/723826 / KG ZA 26-802
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 september 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/723826 / KG ZA 26-802
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering tot nakoming overeenkomst. Afwijzing. Onvoldoende aannemelijk is dat nog een overeenkomst tussen partijen bestaat waarvan nakoming kan worden gevorderd.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vordering van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, en te vermeerderden met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026. [2971/1573]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723826 / KG ZA 26-802
Vonnis in kort geding van 28 september 2026
in de zaak van
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
eiseres,
advocaat: mr. M.C.V. Dornstedt,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats 2],
gedaagde,
advocaat: mr. G. van der Spek.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
De zaak in het kort
[eiseres] en [gedaagde] hebben samengewerkt. In mei van dit jaar heeft [gedaagde] die samenwerking beëindigd. Volgens [eiseres] was dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De samenwerking moet volgens haar als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd worden aangemerkt en [gedaagde] beschikte niet over een zwaarwegende grond voor opzegging. Ook heeft [gedaagde] geen redelijke opzegtermijn in acht genomen. [eiseres] heeft de vernietiging van de opzegging ingeroepen en vordert in dit kort geding nakoming van de overeenkomst. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 31 augustus 2026, met producties 1 tot en met 18,
- de producties 1 tot en met 6 van [gedaagde],
- de spreekaantekeningen van mr. Dornstedt,
- de spreekaantekeningen van mr. Van der Spek.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2026.
2 De feiten
[eiseres] is op 27 december 2024 opgericht en verleent administratieve diensten. Haar middellijk bestuurders zijn de heer [persoon A] (hierna: [persoon A]) en zijn zoon [persoon B] (hierna: [persoon B] ).
[gedaagde] is op 19 juni 2014 opgericht en verricht onderhoud aan vastgoed. Twee grote afnemers van haar diensten zijn woningbouwcorporaties Maasdelta en Woonbron. Haar bestuurders zijn de heer [persoon C] (hierna: [persoon C]) en zijn zoon [persoon D] (hierna: [persoon D] ). [persoon D] is sinds een aantal jaren aan het ingroeien in de onderneming.
Sinds haar oprichting verleent [eiseres] administratieve diensten aan [gedaagde].
Bij brief van 29 mei 2026 deelt [persoon C] aan [persoon A] mede:
“Hierbij delen wij u mede dat [gedaagde] heeft besloten de samenwerking met [eiseres]. te beëindigen.
Aanleiding voor dit besluit betreft bedrijfseconomische omstandigheden binnen onze organisatie. Op basis van de huidige financiële ontwikkelingen en de noodzakelijke herstructurering van onze bedrijfsvoering heeft [gedaagde] besloten de werkzaamheden die thans door [eiseres]. worden uitgevoerd, per maandag 1 juni 2026 volledig in eigen beheer voort te zetten.
De samenwerking tussen partijen zal derhalve eindigen per 1 juni 2026. Vanaf die datum zullen door [eiseres]. geen werkzaamheden meer worden verricht ten behoeve van [gedaagde] (…)”
Bij brief van 9 juni 2026 laat mr. Dornstedt aan [gedaagde] weten dat partijen al vele jaren met elkaar samenwerken en dat een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaat. Volgens [eiseres] is [gedaagde] niet bevoegd om die overeenkomst op te zeggen en kunnen bedrijfseconomische omstandigheden niet als redelijke grond voor opzegging worden beschouwd. De opzegging is daarom onrechtmatig, als gevolg waarvan de overeenkomst nog steeds bestaat. [eiseres] roept de vernietiging in van de opzegging en houdt [gedaagde] aan een deugdelijke nakoming van de overeenkomst.
Bij brief van 16 juni 2026 schrijft mr. J.C. Brökling namens [gedaagde] dat partijen uitsluitend op projectbasis en op grond van mondelinge afspraken hebben samengewerkt, zonder verplichting van [gedaagde] tot het verstrekken van een minimum aantal opdrachten of continuering van die samenwerking. Een opdrachtgever kan een overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen en dat heeft [gedaagde] ook gedaan. Verder laat hij weten dat een andere reden voor het beëindigen van de samenwerking is gelegen in het feit dat [persoon A] en [persoon B] naar Spanje zijn geëmigreerd. Het uitvoeren van de opdrachten vereist volgens [gedaagde] fysieke aanwezigheid op de projectlocaties. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij concrete klachten van opzichters heeft ontvangen over de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden, onzorgvuldige facturatie en de bereikbaarheid van [eiseres].
3 Het geschil
[eiseres] vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt 1) tot nakoming van de overeenkomst onder druk van een dwangsom en 2) in de werkelijke proceskosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
4 De beoordeling
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering. Zij stelt immers dat zij als gevolg van de, voor haar plotselinge, beëindiging van de samenwerking substantieel omzetverlies lijdt. Dit brengt de continuïteit van haar onderneming in gevaar.
[eiseres] vordert op grond van artikel 3:296 BW nakoming van een overeenkomst. Bij de beoordeling van die vordering moet de voorzieningenrechter zich richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of in kort geding voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan [gedaagde] tot de verlangde prestatie(s) is gehouden. De beslissing mag steeds mede op een belangenafweging worden gebaseerd. Verder geldt dat de voorzieningenrechter niet gebonden is aan de wettelijke bewijsregels.
Niet in geschil is dat [eiseres] en [gedaagde] met elkaar hebben samengewerkt. Volgens [eiseres] bestaat er al circa 16 jaar een feitelijke samenwerking (voor de oprichting van [eiseres] tussen [eiseres] vof en [gedaagde]) en moet deze, ondanks het ontbreken van schriftelijke afspraken, als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd worden aangemerkt. [eiseres] stelt dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de overeenkomst alleen kan worden opgezegd als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond is en met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. [gedaagde] bestrijdt dat sprake is van een duurrelatie. Volgens haar verleende [eiseres] sinds 2025 hand- en spandiensten op administratief gebied (financieel en certificering), en steeds in opdracht van [gedaagde]. Daarnaast werden door [persoon A] werkzaamheden op projectbasis uitgevoerd. Zo gold [persoon A] als een belangrijk aanspreekpunt voor Maasdelta.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, indien wet en overeenkomst niet in opzegging voorzien, in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen er voorts toe leiden dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Een opzegging waar ten onrechte geen zwaarwegende grond voor is aangevoerd, heeft geen rechtsgevolg.
Voor een overeenkomst van opdracht geldt dat de opdrachtgever deze te allen tijde kan opzeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Het ontbreken van een dergelijk aanbod maakt de opzegging in de regel niet ongeldig.
Partijen twisten over de kwalificatie van hun samenwerking en de gevolgen van de beëindiging daarvan. De voorzieningenrechter overweegt dat onvoldoende aannemelijk is dat tussen partijen nog een overeenkomst bestaat waarvan nakoming kan worden gevorderd. In de ogen van [gedaagde] heeft zij de overeenkomst op 29 mei 2026 opgezegd, waarmee de samenwerking tussen partijen is beëindigd. Die opzegging is niet ongeldig indien [gedaagde] op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een (ruimere) opzegtermijn in acht had moeten nemen en/of een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding had moeten doen. Een overeenkomst tussen partijen kan nog wel bestaan, indien de samenwerking tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd en opzegging slechts mogelijk was in geval van een zwaarwegende grond. Naar voorlopig oordeel kan de samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] echter niet als een duurovereenkomst worden aangemerkt. Hoewel partijen het erover eens zijn dat in ieder geval [persoon A] jarenlang werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht, is [eiseres] pas op 27 december 2024 opgericht en vanaf toen werkzaamheden voor [gedaagde] gaan uitvoeren. Daarbij heeft de samenwerking begin 2026 een andere invulling gekregen, omdat [persoon A] en [persoon B]. toen naar Spanje zijn geëmigreerd en op afstand louter administratieve werkzaamheden voor [gedaagde] zijn gaan verrichten. De uitvoerende werkzaamheden zou [gedaagde] volgens [eiseres] vanaf dat moment zelf zijn gaan uitvoeren. Nu het belangrijkste kenmerk van duurovereenkomsten is dat deze verplichten tot prestaties die gedurende zekere tijd voortduren, herhaald worden of elkaar opvolgen, kan de samenwerking niet als duurovereenkomst worden geduid. Anders dan [eiseres] betoogt, is de samenwerking immers niet onafgebroken, langdurig en structureel van aard geweest.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat ook als naar voorlopig oordeel sprake zou zijn van een duurovereenkomst, het de vraag is of opzegging slechts mogelijk zou zijn geweest in geval van een voldoende zwaarwegende grond. Nu [gedaagde] heeft gesteld dat zij de overeenkomst heeft opgezegd, had [eiseres] omstandigheden moeten noemen die aan opzegging in de weg zouden staan. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. [eiseres] heeft slechts gesteld dat de door [gedaagde] genoemde redenen voor het beëindigen van de samenwerking niet als voldoende zwaarwegende opzeggronden kunnen worden aangemerkt. De vraag of in de gegeven omstandigheden sprake zou zijn van een niet-opzegbare duurovereenkomst heeft zij echter onbeantwoord gelaten.
Ook een belangenafweging valt in het voordeel van [gedaagde] uit. [eiseres] heeft toegelicht dat zij belang heeft bij een voortzetting van de samenwerking, omdat zij haar onderneming volledig op die van [gedaagde] heeft ingericht en haar werkzaamheden heeft aangepast aan de wensen en werkwijze van [gedaagde]. Hoewel de voorzieningenrechter voorstelbaar acht dat de beëindiging van de samenwerking gevolgen heeft voor de onderneming van [eiseres], heeft [gedaagde] aannemelijk gemaakt dat haar omzet uit de werkzaamheden voor Maasdelta begin dit jaar met meer dan 40% is teruggevallen en dat zij die verminderde capaciteit met eigen personeel heeft opgelost. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat de administratieve werkzaamheden die eerder door [eiseres] werden uitgevoerd, nu door [gedaagde] zelf worden verricht. Niet valt in te zien hoe de samenwerking, die inmiddels bijna vier maanden geleden tot een einde is gekomen, nog in de bedrijfsvoering van [gedaagde] kan worden ingepast. Daar komt bij dat onduidelijk is van welke verplichtingen [eiseres] in dit kort geding nakoming verlangt en tot welk moment. Dit blijkt niet uit de vordering en [eiseres] heeft dat verder ook niet concreet gemaakt. De opmerking ter zitting dat [gedaagde] precies weet over welke verplichtingen het gaat, is in dit verband onvoldoende.
De vordering van [eiseres] wordt dus afgewezen. [eiseres] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen, die worden begroot op
- griffierecht: € 735,00
- salaris advocaat: € 1.177,00
- nakosten[_44608c5d-b286-4b22-b09d-03cb624a7e96]: € 189,00
Totaal: € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vordering van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, en te vermeerderden met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026. [2971/1573]
Voetnoten
- Plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.