Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 3 juli 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14121Zaaknummer 11717225 CV EXPL 25-12426

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
11717225 CV EXPL 25-12426
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Achterstallige facturen, overeenkomst van opdracht

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.103,07 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf datum verzuim heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.3.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

67789

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11717225 CV EXPL 25-12426

datum uitspraak: 3 juli 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres], v.h.o.d.n. [handelsnaam],

woonplaats: [woonplaats 1],

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Leung,

tegen

[gedaagde],

woonplaats: [woonplaats 2],

gedaagde,

gemachtigde: mr. K.D.B. Hoozemans.

De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 23 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de akte overlegging aanvullende producties 6 t/m 7 van [eiseres];
  • de akte overlegging aanvullende producties 1 t/m 2 van [gedaagde].
1.2.

Op 4 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres], mr. R. Warning (als vervanger van de gemachtigde van [eiseres] ), [gedaagde] en zijn gemachtigde.

2 De beoordeling

Wat is de kern?

2.1.

Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op basis waarvan [eiseres] huiswerkbegeleiding en bijlessen verstrekt aan de kinderen van [gedaagde], voor welke diensten [eiseres] aan [gedaagde] facturen stuurt en waarvoor [gedaagde] betaalt. [eiseres] stelt dat zij voor deze diensten diverse facturen aan [gedaagde] heeft gestuurd, welke onbetaald zijn gelaten door [gedaagde]. [eiseres] eist dan ook betaling van het onbetaalde gedeelte van deze facturen ten bedrage van € 2.260,-, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres]. Hij stelt dat [eiseres] vanaf november 2023 meer in rekening heeft gebracht aan huiswerkbegeleiding en bijlessen dan zijn kinderen daadwerkelijk hebben gevolgd. Wel is [gedaagde] bereid € 1.290,- van de geëiste € 2.260,- te betalen voor de huiswerkbegeleiding en bijlessen die zijn kinderen wel hebben gevolgd.

2.3.

De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] gedeeltelijk toe. Dit wordt hierna uitgelegd.

[gedaagde] moet € 1.780,- aan hoofdsom betalen

2.4.

Vast staat tussen partijen dat zij in 2021 een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [de dochter] (de dochter van [gedaagde]) vanaf het schooljaar 2021/2022 huiswerkbegeleiding is gaan volgen bij [eiseres]. Daarnaast is [de zoon] (de zoon van [gedaagde]) vanaf het schooljaar 2023/2024 huiswerkbegeleiding en bijlessen gaan volgen bij [eiseres]. Tussen partijen zijn de facturen over de periode september 2023 tot en met juli 2024 in geschil.

2.5.

[gedaagde] betwist ten aanzien van [de dochter] dat het door [eiseres] in rekening gebrachte bedrag overeenkomt met de door [de dochter] afgenomen huiswerkbegeleiding. Zo betwist [gedaagde] de facturen [nummer 1] en [nummer 2], omdat [de dochter] volgens hem in de betreffende perioden geen gebruik heeft gemaakt van de huiswerkbegeleiding. Ten aanzien van [de zoon] stelt [gedaagde] dat [eiseres] drie strippenkaarten en eenmaal huiswerkbegeleiding voor drie dagen per week in rekening heeft gebracht. Volgens [gedaagde] komt dit neer op ongeveer 38 bijlessen, hetgeen niet overeenkomt met het aantal lessen dat [de zoon] daadwerkelijk heeft gevolgd. Daarnaast betwist [gedaagde] dat hij een derde strippenkaart heeft afgenomen. Evenmin blijkt volgens hem dat de eerdere strippenkaarten reeds volledig waren gebruikt. [gedaagde] stelt dat [de zoon] naar zijn inschatting slechts 19 van de 38 gefactureerde lessen heeft gevolgd. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard bereid te zijn een bedrag van € 1.290,- van de geëiste € 2.260,- te voldoen. Verder heeft hij ten aanzien van de strippenkaarten gesteld dat, hoewel daarvoor vooraf een vast bedrag moest worden betaald, hij niet wist wanneer een strippenkaart volledig was gebruikt, omdat [eiseres] hem daarover niet had geïnformeerd.

2.6.

[eiseres] heeft toegelicht dat zij twee vormen van begeleiding aanbiedt: huiswerkbegeleiding en een strippenkaart voor tien bijlessen. Voor de huiswerkbegeleiding geldt een vast tarief van € 240,- per vier weken. Dit bedrag is verschuldigd ongeacht de mate waarin van de huiswerkbegeleiding gebruik wordt gemaakt. Ten aanzien van de strippenkaart geldt eveneens dat sprake is van een vast bedrag, namelijk € 300,- voor tien bijlessen (€ 30,- per lesuur). Dit bedrag dient voorafgaand aan de lessen volledig aan [eiseres] te worden voldaan. Deze strippenkaart wordt per gevolgde les afgestempeld. Het uitgangspunt is dat het gekozen pakket volledig wordt betaald, ongeacht in welke mate er gebruik van wordt gemaakt. Dit geldt zowel voor huiswerkbegeleiding als voor een strippenkaart. Dat [gedaagde] dus stelt dat de facturen [nummer 1] en [nummer 2] niet hoeven te worden betaald, omdat [de dochter] in die perioden geen bijlessen zou hebben gevolgd, is niet juist.

2.7.

Uit de WhatsApp-correspondentie valt op te maken dat op 28 februari 2024 is afgesproken dat [de zoon], die op dat moment op een strippenkaart stond, op huiswerkbegeleiding werd gezet. Dit strookt met de door [eiseres] gestuurde facturen [nummer 2] en [nummer 3]. Ten aanzien van de facturen [nummer 4] en [nummer 5] oordeelt de kantonrechter dat dit deel van de eis wordt afgewezen, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat hier een overeenkomst aan ten grondslag ligt. Immers kan op basis van de correspondentie en de overgelegde stukken niet worden geconcludeerd dat [de zoon] is gestopt met de huiswerkbegeleiding en is overgestapt op de strippenkaart zoals vermeld in de facturen. [eiseres] heeft voor het overige onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dit kan worden afgeleid. Daarom wordt de vordering betreffende de facturen, op [nummer 4] en [nummer 5] na, toegewezen. Dit komt neer op een bedrag van € 1.780,-.

[gedaagde] moet incassokosten van € 323,07 betalen

2.8.

Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 323,07 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW). [gedaagde] heeft namelijk niet betaald binnen de termijn die in de brief van 24 maart 2025 is gegeven. Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat is toegewezen.

[gedaagde] moet rente betalen

2.9.

De rente wordt toegewezen over € 1.780,- vanaf de vervaldata van de diverse verschuldigde facturen. [eiseres] heeft namelijk voor dit bedrag genoeg gesteld waaruit volgt dat deze rente moet worden betaald. [gedaagde] voert weliswaar aan dat de wettelijke rente moet worden afgewezen, omdat het ontbreken van enige toelichting bij de facturen schuldeisersverzuim oplevert, maar uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dat [gedaagde] de facturen niet betwist. [gedaagde] heeft in die correspondentie namelijk zelf aangegeven de openstaande facturen te zullen betalen.

De kantonrechter compenseert de proceskosten

2.10.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, omdat beide partijen deels gelijk krijgen.

Dit vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad

2.11.

[gedaagde] verweert zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis en stelt dat hij, als gedupeerde van de toeslagenaffaire, in een lastige financiële situatie zit. Hij stelt dat het belang van [eiseres] bij betaling van dit - voor [gedaagde] substantiële - bedrag dient te wijken voor het belang van [gedaagde] bij het afwachten van een eventueel hoger beroep. Nu [eiseres] niet gemotiveerd heeft betwist dat haar belang moet prevaleren boven het belang van [gedaagde], oordeelt de kantonrechter dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Wel kan de kantonrechter zich voorstellen dat partijen een regeling overeenkomen waarbij [gedaagde] in termijnen het door hem verschuldigde kan voldoen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.103,07 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf datum verzuim heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.3.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

67789

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.