Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 28 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:12952Zaaknummer ROT 26/7039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 26/7039
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft verzoeksters aanvraag om leerlingenvervoer voor haar zoon afgewezen. De zoon van verzoekster heeft het vorige schooljaar namelijk meermaals onaanvaardbaar gedrag vertoond en dit gedrag leidt tot onveilige situaties tijdens de taxiritten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de aanvraag mocht afwijzen en het belang van de verkeersveiligheid en de andere kinderen zwaarder mocht laten wegen. Het college heeft een voorstel gedaan voor een maatwerkoplossing in de vorm van een kilometervergoeding. Verzoekster is het niet eens met de hoogte van die vergoeding. Op dit punt ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te tekenen

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/7039

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I. Car),

en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht

(gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann).

Samenvatting

Het college heeft verzoeksters aanvraag om leerlingenvervoer voor haar zoon afgewezen. De zoon van verzoekster heeft het vorige schooljaar namelijk meermaals onaanvaardbaar gedrag vertoond en dit gedrag leidt tot onveilige situaties tijdens de taxiritten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de aanvraag mocht afwijzen en het belang van de verkeersveiligheid en de andere kinderen zwaarder mocht laten wegen. Het college heeft een voorstel gedaan voor een maatwerkoplossing in de vorm van een kilometervergoeding. Verzoekster is het niet eens met de hoogte van die vergoeding. Op dit punt ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer (per taxi) voor haar zoon [naam zoon] voor het schooljaar 2026-2027. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 augustus 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam vader] (de vader van [naam zoon] ), de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] als tolk (ook begeleider van het gezin) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

4. Het college heeft voor het schooljaar 2025-2026 leerlingenvervoer (per taxi) toegekend voor [naam zoon] van zijn woning naar zijn school voor speciaal basisonderwijs in Ridderkerk. [naam zoon] werd samen met zijn oudere zus [naam zus] naar school gebracht. Het college heeft de ouders erop gewezen dat van hen verwacht wordt dat zij 2 dagen per week het vervoer zelf regelen. Het college heeft verzoekster hulp aangeboden van Mee op Weg, die haar kunnen begeleiden bij het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. Verzoekster heeft aangegeven dat zij geen gebruik wil maken van dit traject, omdat het niet passend is voor hun situatie. Verzoekster is namelijk ook mantelzorger voor haar man en de reistijd van en naar school is te lang.

5. Vanaf april 2026 komen er vanuit de vervoerder diverse meldingen over het gedrag van [naam zoon] tijdens het taxivervoer naar school. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat het college de ouders bij brief van 14 juli 2026 heeft geïnformeerd dat [naam zoon] na 31 juli 2026 niet langer in aanmerking komt voor aangepast vervoer naar school.

6. [naam zoon] ’s vader heeft op 5 juni 2026 een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer (per taxi) voor het schooljaar 2026-2027 voor [naam zoon].

Waar gaat het in deze zaak om?

7. Het college heeft de aanvraag voor leerlingenvervoer afgewezen, vanwege het gedrag van [naam zoon]. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat [naam zoon] weer per taxi wordt vervoerd naar school.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af

8. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Is er een spoedeisend belang?

9. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.

10. Verzoekster en haar man moeten er nu zelf voor zorgen dat [naam zoon] naar school gaat. Zij zien geen mogelijkheden om [naam zoon] (structureel) zelf van en naar school te vervoeren. De vader heeft medische klachten en verzoekster is zijn mantelzorger. Het gezin heeft ook volwassen kinderen, maar die gaan voltijds naar school. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om het verzoek inhoudelijk te beoordelen.

Mocht het college de aanvraag afwijzen?

11. De regels over het leerlingenvervoer staan in de Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025 (Verordening) en de Beleidsregels leerlingenvervoer Barendrecht 2025 (Beleidsregels).

12. Het college is bevoegd om het vervoer van een leerling (tijdelijk of voor de rest van het schooljaar) te ontzeggen als een leerling herhaaldelijk de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. In artikel 31, eerste lid, van de Beleidsregels worden een aantal stappen opgesomd die in dat geval moeten worden doorlopen.

13. De vervoerder heeft sinds eind april 2026 meerdere e-mails naar de ouders gestuurd over het gedrag van [naam zoon] tijdens de taxiritten. Ook zijn bij het college diverse meldingen gemaakt over het gedrag van [naam zoon]. Het gaat dan onder meer om het lopen en schreeuwen door de taxibus, het trekken aan de gordels van andere kinderen, het schoppen tegen de zittingen, het uitschelden van een chauffeur en het slaan van een chauffeur. De vervoerder heeft aan het college doorgegeven dat geen gesprek met de ouders heeft plaatsgevonden, omdat zij geen Nederlands spreken.

Het college heeft vervolgens op 7 juli 2026 een gesprek gevoerd met de ouders van [naam zoon]. Daarbij heeft het college aangeboden dat [naam zoon] met een begeleider (één van de ouders of iemand anders) in de taxi vervoerd kan worden. De ouders hebben deze mogelijkheid afgewezen. Volgens de ouders zou het wangedrag stoppen als [naam zoon] niet langer samen met 2 andere jongens zou reizen.

Het college heeft op 9 juli 2026 een brief gestuurd naar de ouders, waarbij een samenvatting is gegeven van het met de ouders gevoerde gesprek. In de brief staat dat [naam zoon] vanaf 13 juli 2026 op een andere taxirit wordt geplaatst. Het college heeft daarbij benadrukt dat dit de laatste kans is die wordt geboden om het wangedrag in het aangepast vervoer te stoppen.

Het college heeft op 14 juli 2026 een verslag ontvangen over de taxirit van 13 juli 2026. Het college heeft hierover een brief gestuurd naar de ouders van [naam zoon]:

“ [naam zoon] heeft voor het instappen in het aangepast vervoer, een andere jongen geslagen.

Tijdens de rit zit [naam zoon] continu omgedraaid en creëert onrust in de taxi door andere kinderen op te stoken en uit te dagen. Hij is niet aanspreekbaar op dit gedrag en luistert niet als de chauffeur hem aanspreekt en corrigeert. [naam zoon] valt tijdens de rit een andere jongen, een klasgenoot dus tevens leeftijdsgenoot, continu lastig en stopt niet als deze hem vraagt om op te houden. De chauffeur moet [naam zoon] voortdurend via de spiegel in de gaten houden. De chauffeur ervaart zelf ook hinder van de onrust die door [naam zoon] in de bus ontstaat. Door de afleiding is de chauffeur verkeerd gereden wat aangeeft dat zijn concentratie verminderd is doordat hij [naam zoon] steeds in de gaten moet houden en afgeleid wordt tijdens het rijden. Dit komt de veiligheid niet ten goede.”

14. De ouders zijn meerdere keren gewezen op het ongewenste gedrag van [naam zoon] tijdens de taxiritten. Dit heeft echter niet geleid tot een gedragsverandering. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van onaanvaardbaar gedrag van [naam zoon] en dat dit gedrag leidt tot onveilige situaties. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college de aanvraag voor aangepast vervoer mocht afwijzen. Tijdens de zitting is namens verzoekster aangevoerd dat de gedragingen van [naam zoon] zien op het vorige schooljaar en dat [naam zoon] voor dit schooljaar een nieuwe kans moet krijgen. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Het college heeft de ouders bij brief van 14 juli 2026 geïnformeerd dat het aangepaste vervoer voor [naam zoon] wordt beëindigd. Op dat moment resteerden nog 3 schooldagen tot de zomervakantie. Het college mocht deze beslissing daarom doortrekken naar het huidige schooljaar. Het college heeft daarbij het belang van de verkeersveiligheid en de veiligheid van de andere kinderen en de chauffeur zwaarder mogen laten wegen dan het belang van (de ouders van) [naam zoon]. Daarbij is ook van belang dat de ouders een eigen verantwoordelijkheid hebben voor het schoolbezoek van [naam zoon] .[_ef16a911-cc3f-412b-a477-8a73aa67f261]

Maatwerkoplossing

15. Partijen hebben vervolgens geprobeerd om tot een maatwerkoplossing te komen. De ouders van [naam zoon] hebben iemand gevonden die bereid is om [naam zoon] met de auto van en naar school te brengen voor € 20,- per dag. De Verordening biedt het college de mogelijkheid om hiervoor een kilometervergoeding toe te kennen.

16. Het college heeft vervolgens (kort gezegd) het volgende voorstel gedaan:

- Als [naam zoon] en [naam zus] samen worden vervoerd, kan een kilometervergoeding van € 15,98 per dag worden toegekend. Er kan dan ook € 4,02 per dag aan bijzondere bijstand worden toegekend. Dit geld voor 3 dagen per week;

- Voor de overige 2 dagen per week kan bijzondere bijstand worden toegekend van € 9,60 per dag.

- Dit betreft een tijdelijke maatwerkoplossing tot de kerstvakantie.

17. De voorzieningenrechter stelt vast dat de ouders een vergoeding willen van € 100,- per week voor het vervoer van [naam zoon] door een derde. Het voorstel van het college komt neer op € 79,20 per week voor het vervoer van [naam zoon] en [naam zus]. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze maatwerkoplossing voor een acute financiële noodsituatie zorgt. Daarbij is ook van belang dat de ouders de mogelijkheid hebben om sommige ritten van [naam zoon] en [naam zus] zelf te verzorgen. Op dit moment wordt [naam zoon] namelijk ook door zijn vader of broer naar school gebracht. De voorzieningenrechter ziet daarom geen spoedeisend belang bij een verdere beoordeling van deze maatwerkoplossing.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college [naam zoon] vooralsnog niet met de taxi hoeft te vervoeren. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te tekenen

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Artikel 2, zesde lid, van de Verordening.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.