Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:12650Zaaknummer ROT 26/6929

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 26/6929
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft aan verzoekster een informeel pgb toegekend voor ondersteuning van haar minderjarige zoon. Verzoekster verleent die zorg zelf, samen met de vader van haar zoon. De einddatum van deze indicatie is inmiddels verlopen en verzoekster is het daar niet mee eens. Zij wil het pgb blijven ontvangen. Dit is een financieel belang. Er is niet gebleken dat het wegvallen van het pgb leidt tot een financiële noodsituatie of dat verzoeksters zoon de door hem benodigde zorg dan niet meer geleverd krijgt. Het verzoek wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/6929

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Samenvatting

Het college heeft aan verzoekster een informeel pgb toegekend voor ondersteuning van haar minderjarige zoon. Verzoekster verleent die zorg zelf, samen met de vader van haar zoon. De einddatum van deze indicatie is inmiddels verlopen en verzoekster is het daar niet mee eens. Zij wil het pgb blijven ontvangen. Dit is een financieel belang. Er is niet gebleken dat het wegvallen van het pgb leidt tot een financiële noodsituatie of dat verzoeksters zoon de door hem benodigde zorg dan niet meer geleverd krijgt. Het verzoek wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor ondersteuning op grond van de Wmo[_467b5841-405c-4d81-94bc-0f7cdc7e2291] voor haar zoon [naam zoon]. Met het besluit van 3 december 2025 heeft het college aan verzoekster een informeel persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van € 228,- per week voor ondersteuning. Het pgb is toegekend voor de periode van 1 december 2025 tot en met 31 mei 2026. Deze indicatie is zonder schriftelijk besluit verlengd tot en met 31 augustus 2026. Met het bestreden besluit van 24 augustus 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich afgemeld voor de zitting en haar verzoek om die reden nogmaals schriftelijk toegelicht. Het college is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

4. Verzoekster heeft twee kinderen, waarvan [naam zoon] de oudste is (6 jaar). De vader van [naam zoon] woont ergens anders, maar hij is wel betrokken bij de opvoeding. [naam zoon] heeft een onderzoek gehad bij Youz. Hieruit komt naar voren dat hij (blijvende) beperkingen heeft. Gelet op de hulpvraag en ontwikkelbehoeftes zal hij moeten starten bij een ontwikkelcentrum. Hij is door zijn ouders aangemeld bij Raeger Autismecentrum, maar hiervoor geldt een wachtlijst. Volgens verzoekster heeft [naam zoon] 24-uurszorg nodig en continu toezicht. Zij heeft voor hem een informeel pgb aangevraagd, waarbij [naam zoon] vader de zorg gaat leveren.

Waar gaat het in deze zaak om?

5. Het college heeft aan verzoekster een informeel pgb toegekend voor € 228,- per week, tot en met 31 augustus 2026. Verzoekster is het niet eens met de einddatum en de hoogte van het pgb. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het pgb blijft doorlopen en dat de hoogte van het pgb wordt gebaseerd op ondersteuning voor 40 uur per week.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af

6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Is er een spoedeisend belang?

7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.

8. Verzoekster voert aan dat [naam zoon] op dit moment geen passende gespecialiseerde hulp krijgt. Hierdoor komt de intensieve zorg van [naam zoon] bij verzoekster en [naam zoon] vader terecht. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit een zware belasting is. Op dit moment verlenen verzoekster en [naam zoon] vader die zorg, zonder dat zij hiervoor een pgb krijgen. Zij willen die zorg blijven verlenen, maar dan met een pgb. Dit betekent dat verzoekster alleen een financieel belang heeft bij deze spoedprocedure. Verzoekster is echter niet financieel afhankelijk van het pgb. Zij krijgt een bijstandsuitkering om in haar levensonderhoud te voorzien. Er is niet gebleken dat het wegvallen van het pgb leidt tot een financiële noodsituatie of dat [naam zoon] de benodigde zorg dan niet meer geleverd krijgt. En als in de beroepszaak blijkt dat verzoekster toch recht had op een pgb, dan kan dat alsnog worden uitbetaald.

9. Verder stelt het college zich op het standpunt dat ambulante hulp thuis passend zou zijn gedurende de tijd dat [naam zoon] op de wachtlijst staat. Uit het advies van de bezwaarcommissie volgt dat die hulp door verzoekster na 1 dag is stopgezet. Volgens verzoekster is ambulante hulpverlening in haar woning niet passend of werkbaar voor [naam zoon], omdat hij overprikkeld raakt door bezoek. Het college stelt dat verzoekster de ambulante hulp geen kans heeft gegeven door deze na 1 dag al stop te zetten. De voorzieningenrechter is het daarmee eens.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Dit heeft tot gevolg dat het college het pgb niet hoeft door te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.