Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12574Zaaknummer ROT 25/8317
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Publicatiedatum
- 1 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/8317
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurder. Hardheidsclausule. Naar het oordeel van de rechtbank is bij eiser door ernstige problemen bij het in- en uitstappen sprake van aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan een loopbeperking, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 oktober 2025;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat het college binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een GPK-B aan eiser afgeeft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
| De griffier is verhinderd om te tekenen | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8317
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen (het college)
(gemachtigden: mr. E.K. Dorst en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een Europese gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder (hierna: GPK-B). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en heeft daartegen beroep ingesteld. Aan de hand van zijn beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van zijn aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verlenging van zijn GPK-B. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 april 2025 afgewezen.
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
Inhoudelijke beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft in 2023 een acute partiele dwarslaesie opgelopen. Bij eerder besluit van 14 december 2023 is aan eiser in verband met zijn medische situatie een GPK-B toegekend, met een geldigheidsduur van anderhalf jaar.
Eiser heeft op 26 februari 2025 een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn GPK-B. Naar aanleiding hiervan heeft een medische herbeoordeling door een arts van Argonaut plaatsgevonden, waarna op 8 april 2025 een medisch advies is uitgebracht. Hierin wordt op basis van de onderzoeksbevindingen geconstateerd dat eiser niet meer voldoet aan de criteria voor een GPK-B. Er is weliswaar sprake van een duurzame loopbeperking als rechtstreeks gevolg van een aandoening, maar betrokkene wordt in redelijkheid in staat geacht om met een loophulpmiddel (i.c. een rollator) meer dan 100 meter aaneengesloten te lopen.
Het college heeft vervolgens in het primaire besluit van 11 april 2025 geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een GPK-B.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiser tegen laatstgenoemd besluit, heeft wederom een medische beoordeling door een (andere) arts van Argonaut plaatsgevonden waarbij op 26 juni 2025 een medisch advies is uitgebracht. In dit advies wordt geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de medische criteria met betrekking tot een gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder en dat sinds het eerdere advies geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die aanleiding geven van dat advies om af te wijken. Er zijn verder geen argumenten gevonden om de zogenaamde hardheidsclausule toe te passen, aldus dit advies.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het beroep van eiser richt zich tegen de afwijzing van de toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (de Regeling).
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenkaart worden verstrekt.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.
Volgens de Toelichting op de Regeling kan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d (de hardheidsclausule), worden toegepast indien de aanvrager van de kaart ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare ernstige beperking heeft, anders dan een loopbeperking, die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigt.
Standpunt van eiser
5 Eiser voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen, omdat sprake is van een aandoening of gebrek waardoor hij een aantoonbare ernstige beperking heeft, anders dan een loopbeperking. Eiser kan weliswaar zelf een auto besturen en daarna met een (in de auto meegenomen) rollator (met moeite) meer dan 100 meter lopen, maar hij heeft bij het in- en uitstappen aan de bestuurderszijde van de auto de ruimte nodig om de deur van de auto helemaal te kunnen openen. Deze beperking wordt bevestigd door het in beroep overgelegde rapport van de ergotherapeut van Rijndam Revalidatie van 17 december 2025.
Eiser betoogt dat bij een gehandicaptenparkeervak de vereiste breedte om uit te stappen in de regel aanwezig is, maar bij een normaal parkeervak die ruimte meestal niet beschikbaar is. Dit betekent voor eiser in de praktijk dat hij in veel situaties – waaronder de noodzakelijke ziekenhuisbezoeken – nog steeds afhankelijk is van de hulp van anderen, die hem moeten afzetten bij de bestemming en daarna de auto elders moeten parkeren.
Standpunt van het college
6 Het college stelt zich op het standpunt dat, omdat geen bewijs is geleverd dat beide medische keuringen ondeugdelijk zijn, het college niet anders kan dan uitgaan van de juistheid van deze keuringen. Ter zitting is namens het college aangevoerd dat eiser pas in beroep een beroep heeft gedaan op toepassing van de hardheidsclausule op grond van het feit dat hij vanwege zijn medische beperking moeite heeft met in- en uitstappen. De informatie van de ergotherapeut is eveneens eerst in beroep overgelegd.
Volgens het college kan eiser ook overigens geen beroep doen op artikel 1, onder d, van de Regeling, omdat – ook als er bij hem inderdaad sprake is van een andere ernstige beperking dan een loopbeperking – daarmee voor eiser nog geen medische noodzaak bestaat om vanwege die beperking bij het in- en uitstappen steeds dicht bij zijn bestemming te moeten kunnen parkeren. Het college heeft daarbij verwezen naar de tekst onder punt 2.6 van de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid (VAV).
Oordeel van de rechtbank
Vergewisplicht
7. Het besluit van het college om een aanvraag voor een GPK-B toe of af te wijzen wordt genomen op basis van medisch onderzoek en de daarbij behorende adviezen.
Een bestuursorgaan mag eerst op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (hierna: de vergewisplicht). Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
De rechtbank overweegt dat in de medische adviezen van 8 april 2025 en van 26 juni 2025 wordt geconcludeerd dat er bij eiser sprake is van een aantoonbare loopbeperking van langdurige aard, maar dat hij met het gebruikelijke loophulpmiddel (rollator) in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Uit de adviezen blijkt niet, dat een ernstige in- en uitstapbeperking daadwerkelijk onderwerp van onderzoek is geweest.
In het advies van 8 april 2025 is na de vraag “is aan te geven of de aanvrager op grond van andere medische beperkingen dan een loopbeperking wel of niet in aanmerking komt voor een bestuurderskaart en/of een passagierskaart?” alleen het woord “nee” ingevuld. Eiser stelt dat hij bij het tweede onderzoek ter plekke aan de arts zijn beperkingen bij het in- uitstappen heeft gedemonstreerd, maar in het advies van 26 juni 2025 staat slechts dat “er geen argumenten zijn gevonden om de zogenaamde hardheidsclausule toe te passen”.
Wat hier van zij, eiser heeft de problemen bij het in- en uitstappen in ieder geval aan de orde gesteld bij de hoorzitting in bezwaar. De bezwaaradviescommissie is op dat punt ook ingegaan en het college neemt dit onder verwijzing over in het bestreden besluit. Het rapport van de ergotherapeut dat eiser in beroep heeft ingebracht is een nadere onderbouwing van deze reeds in bezwaar ingebrachte problematiek. De rechtbank kan daarom het ter zitting ingenomen standpunt van het college, dat eiser de in- en uitstapproblemen te laat - want pas in beroep - zou hebben aangevoerd, niet volgen.
Naar het oordeel van de rechtbank bestond in de door eiser in de bezwaarfase genoemde problematiek over het in- en uitstappen voldoende aanleiding voor het college om – alvorens het bestreden besluit te nemen - invulling te geven aan de vergewisplicht. Dit geldt temeer nu de artsen geen onderbouwing geven waarom geen aanleiding bestond de hardheidsclausule toe te passen. Het had op de weg van het college gelegen om hierover een nadere medische beoordeling te vragen. Nu het college dit heeft nagelaten en de eerdere adviezen zonder meer aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, heeft het college gehandeld in strijd met de op hem rustende vergewisplicht.
Toepassing van de hardheidsclausule
Daar komt bij dat het college naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bestuurders met een loopbeperking die meer dan 100 meter aaneen kunnen lopen, maar als gevolg van een medisch probleem ernstige beperkingen hebben met het in- en uitstappen aan de bestuurderszijde van een auto en daarom zijn aangewezen op een extra brede parkeerplaats, geen beroep zouden kunnen doen op de hardheidsclausule.
De bezwaaradviescommissie heeft in haar advies geschreven “dat zij begrijpt dat het voor eiser lastig kan zijn om voldoende ruimte te hebben om uit de auto te komen als hij op een reguliere parkeerplaats staat”, maar dat zij geen mogelijkheden ziet voor een positief advies en in het bestreden besluit. Het college ziet geen zwaarwegende reden om van dit advies af te wijken.
Ter zitting is namens het college gewezen op de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid (VAV). Hierin staat (onder 2.6) dat het uitgangspunt bij eventuele toepassing van de hardheidsclausule van artikel 1, onder d van de Regeling is, dat het moet gaan “om langdurige en ernstig invaliderende medische beperkingen, anders dan een fysieke loopbeperking, waardoor er sprake is van een medische noodzaak om steeds dicht bij de bestemming te moeten parkeren”. Volgens het college is in het geval van eiser van die noodzaak niet gebleken, omdat het hem er vooral om gaat een bredere parkeerplaats te kunnen gebruiken.
De rechtbank overweegt dat artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling spreekt over de aanwezigheid “aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen, ten gevolge van een aandoening of gebrek”.
De Toelichting op de Regeling heeft het over “het ten gevolge van een aandoening of gebrek hebben van een aantoonbare ernstige beperking, anders dan een loopbeperking, die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigt”.
De rechtbank wijst er verder op, dat in het Medisch Werkdocument Gehandicaptenparkeerkaart 2024 van de VAV concreet wordt ingegaan op beperkingen bij het in- en uitstappen:
Beperkingen in- en uitstappen
(…)Alleen een beperking met in- en uitstappen hoeft geen reden te zijn om een gehandicaptenparkeerkaart te verstrekken omdat betrokkene zijn auto ook iets verder weg kan parkeren bijvoorbeeld op een parkeerplaats parallel aan de weg. Indien de cliënt royaal meer dan 100 meter kan lopen dan moet het om een ernstige in- en uitstapbeperking van de bestuurder gaan, waarbij er geen andere mogelijkheid tot in- en uitstappen is dan door het portier volledig open te zetten, waardoor de bestuurder is aangewezen op een extra brede parkeerplek zoals het geval is bij een gehandicaptenparkeerplaats.
De rechtbank ziet gezien het voorgaande geen aanleiding om toepassing van de hardheidsclausule in het geval van ernstige invaliderende beperkingen bij het in- en uitstappen door de bestuurder, uit te sluiten. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank ook meer recht aan het gegeven dat de gehandicaptenparkeerkaart juist is bedoeld voor de maatschappelijke en beroepsintegratie en het vergroten van mobiliteit van gehandicapten.
Heeft eiser aantoonbare ernstige beperkingen die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigen?
Niet in geschil is dat eiser als gevolg van de acute partiele dwarslaesie sterk beperkt is geraakt in zijn mobiliteit en dat er sprake is van een langdurige loopbeperking. Voor het lopen van kortere afstanden is hij afhankelijk van een rollator, terwijl voor langere trajecten een rolstoel noodzakelijk is. Wel kan hij nog zelf zijn auto besturen en vervoert hij daarin de rollator als hij ergens heengaat. Hij stelt echter dat hij vanwege zijn aandoening veel ruimte nodig heeft bij het in- en uitstappen, wat alleen mogelijk is als de bestuurdersdeur geheel kan worden geopend.
Deze door eiser gestelde beperkingen bij het in- en uitstappen worden ondersteund door het rapport van de ergotherapeut van Rijndam Revalidatie van 17 december 2025, waarin staat dat de bestuurdersdeur met 80-90 graden moet kunnen worden geopend omdat eiser ongeveer 90 centimeter ruimte nodig heeft om in te kunnen stappen. Op aangepaste wijze uitstappen is volgens de ergotherapeut zelfstandig alleen mogelijk indien aan de voorwaarde wordt voldaan dat de bestuurdersdeur geheel geopend kan worden.
Nu deze constateringen door verweerder niet zijn bestreden neemt de rechtbank deze als vaststaand aan.
Naar het oordeel van de rechtbank is door deze ernstige problemen bij het in- en uitstappen sprake van aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan een loopbeperking, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigen. Daarbij is het aannemelijk dat zijn aandoening eiser beperkt in zijn maatschappelijke integratie en zijn mobiliteit en dat een gehandicaptenparkeerkaart eraan bijdraagt dat die beperking wordt verminderd.
Naar het oordeel van de rechtbank moet eiser in redelijkheid een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt. De rechtbank heeft daarbij de overtuiging dat de uitkomst van het geschil, in het geval het college opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn en de toets aan het recht kan doorstaan.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan eiser een GPK-B wordt verstrekt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing en bepaalt dat het college binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een GPK-B aan eiser afgeeft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 oktober 2025;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat het college binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een GPK-B aan eiser afgeeft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
| De griffier is verhinderd om te tekenen | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.