Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam, 23 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12476Zaaknummer ROT 26/6134
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/6134
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft de aan verzoeker toegekende ondersteuning ingetrokken, omdat hij zich niet houdt aan de voorwaarden. Als gevolg hiervan moet verzoeker ook zijn (intramurale) woonruimte verlaten. Uit informatie van de zorgverlener blijkt dat verzoeker grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond. Verzoeker heeft een officiële waarschuwing ontvangen, maar dit heeft niet geleid tot een gedragswijziging. Bij het laatste incident heeft verzoeker discriminerende opmerkingen gemaakt, agressief gedrag vertoond en dreigementen geuit. Hij heeft zich hierdoor niet gehouden aan de gemaakte afspraken bij de zorgverlener. De voorzieningenrechter vindt dat het college de belangen van de zorgverlener en andere bewoners zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het persoonlijke belang van verzoeker bij behoud van de ondersteuning. Het verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6134
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Tamas),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. W. Breure).
Samenvatting
Het college heeft de aan verzoeker toegekende ondersteuning ingetrokken, omdat hij zich niet houdt aan de voorwaarden. Als gevolg hiervan moet verzoeker ook zijn (intramurale) woonruimte verlaten. Uit informatie van de zorgverlener blijkt dat verzoeker grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond. Verzoeker heeft een officiële waarschuwing ontvangen, maar dit heeft niet geleid tot een gedragswijziging. Bij het laatste incident heeft verzoeker discriminerende opmerkingen gemaakt, agressief gedrag vertoond en dreigementen geuit. Hij heeft zich hierdoor niet gehouden aan de gemaakte afspraken bij de zorgverlener. De voorzieningenrechter vindt dat het college de belangen van de zorgverlener en andere bewoners zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het persoonlijke belang van verzoeker bij behoud van de ondersteuning. Het verzoek wordt afgewezen.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 21 juli 2026 heeft het college de maatschappelijke ondersteuning van verzoeker beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker verbleef in een woonvoorziening van Pameijer en kreeg daar ook zorg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoeker dient zich daarbij aan bepaalde afspraken te houden.
5. In oktober 2024 heeft verzoeker twee waarschuwingen gekregen van Pameijer, omdat hij zich niet had gehouden aan de afspraken rond de aan- en afmelding. In juni 2025 heeft Pameijer vervolgens verzocht om zorg beëindiging. Dit verzoek is afgewezen op 14 juli 2025 omdat de waarschuwingen van oktober 2024 onvoldoende recent waren en niet gericht op de reden van het verzoek tot beëindiging (het niet nakomen van afspraken over middelengebruik en het meewerken aan zijn traject). Bij de afwijzing is aangegeven dat er geen sprake is van heldere, duidelijke afspraken en consequenties van het nakomen daarvan. In het ondersteuningsverslag van 6 augustus 2025 is het volgende opgenomen: “Hoofddoelen van het arrangement zijn het stabiliseren van de geestelijke gezondheid
en het middelengebruik. De afgelopen periode is de begeleiding verre van ideaal
verlopen. De zorgaanbieder heeft een zorg beëindiging aangevraagd. Deze is
afgewezen waardoor de begeleiding opnieuw vorm moet gaan krijgen. Er zullen
afspraken gemaakt worden met u om de komende periode duidelijkheid te scheppen
rondom de wederzijdse verwachten met als doel een betere samenwerking. Vanuit u
wordt verwacht dat u zich aan de afspraken houdt en u begeleidbaar opstelt om uw
doelen te verwezenlijken. Er wordt een korte periode geïndiceerd om de
ontwikkelingen volgen. Afhankelijk van de voortgang zal bepaald worden of de
indicatie verlengd wordt.” In december 2025 heeft verzoeker een derde waarschuwing gekregen, ditmaal voor grensoverschrijdend gedrag (intimideren en uitschelden) richting een medebewoner.
6. Op 8 juli 2026 zou verzoeker agressief gedrag hebben vertoond naar een medewerker van Pameijer. Naar aanleiding van dit incident is verzoeker op 9 juli 2026 geschorst van de woonlocatie. Ook heeft verzoeker op 10 juli 2026 een vierde waarschuwing ontvangen vanwege dit incident en heeft Pameijer het college gevraagd om de zorg te beëindigen.
Waar gaat het in deze zaak om?
7. Het college heeft de Wmo-voorziening beëindigd per 20 juli 2026[_f1e7d07d-f1eb-4b41-b054-04c9191fa1bc]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, zodat hij kan blijven wonen in een woonvoorziening met zorgverlening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
8. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
9. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
10. Verzoeker voert aan dat de beëindiging van de ondersteuning vergaande gevolgen voor hem heeft. Hij heeft zijn woonruimte moeten verlaten en is dakloos geworden. Ook krijgt hij op dit moment geen zorg. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Was het college bevoegd om de ondersteuning te beëindigen?
11. Het college kan de ondersteuning beëindigen als verzoeker niet voldoet aan de daaraan verbonden voorwaarden. Volgens het college is één van de voorwaarden dat verzoeker zich moet houden aan de leef- en gedragsregels die gelden bij Pameijer[_95ffc75d-fb18-4d7f-86d0-ca245ac57506]. Volgens die regels wordt een cliënt aangesproken op zijn gedrag en worden er waarschuwingen gegeven als een cliënt gedrag vertoont dat in strijd is met de regels. Bedreigingen, intimidatie of geweld worden niet getolereerd en leidt ertoe dat de begeleiding per direct wordt beëindigd in overleg met het zorgkantoor of de gemeente.
12. In de derde waarschuwing van december 2025 staat dat verzoeker een patroon laat zien van herhaaldelijk uitschelden en intimideren van een medebewoner en medewerkers, en dat dit gedrag niet wordt getolereerd. Pameijer heeft verzoeker daarbij gewaarschuwd dat het niet nakomen van afspraken of het vertonen van grensoverschrijdend gedrag kan leiden tot een schorsing en het aanvragen van een zorgbeëindiging.
Op 8 juli 2026 heeft er een incident plaatsgevonden en daarvan is door Pameijer een verslag gemaakt. Hieruit blijkt dat verzoeker een medewerker heeft gevraagd om iets voor hem te printen. Toen de medewerker aangaf daar op dat moment geen tijd voor te hebben, heeft verzoeker discriminerende uitlatingen gedaan. Daarna heeft hij de medewerker aangevallen en hem bij zijn shirt gepakt, die vervolgens scheurde. Vervolgens heeft verzoeker de medewerker bij de keel gegrepen. De medewerker heeft meermaals geroepen of verzoeker hem los wilde laten. Uiteindelijk heeft hij verzoeker een klap gegeven om zichzelf te bevrijden. Na het incident heeft verzoeker dreigementen geuit, zoals “ik rij naar Rotterdam-noord en zoek waar zijn auto staat en steek hem in de fik”.
Verzoeker heeft een andere versie over wat er gebeurd is. Hij heeft aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling en uit het proces-verbaal blijkt het volgende. Verzoeker heeft de medewerker inderdaad gevraagd om iets te printen. Ook erkent hij dat hij uitlatingen heeft gedaan over de afkomst van de betreffende medewerker, maar hij ziet deze uitlatingen niet als discriminerend. Volgens verzoeker is hij weggelopen uit het kantoor, waarna de medewerker zijn stem heeft verheven en vervelende opmerkingen heeft gemaakt. Verzoeker is terug naar het kantoor gelopen en de medewerker ging vervolgens in een aanvalshouding staan en verzoeker wilde hem op afstand houden. Hij heeft daarom zijn hand tegen de borst van de medewerker gehouden en de medewerker heeft hem toen geslagen. Tijdens de zitting heeft verzoeker verklaard dat het shirt van de medewerker is gescheurd, omdat hij verzoeker een vuistslag had gegeven.
14. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat verzoeker discriminerende uitlatingen heeft gedaan, omdat hij dit zelf heeft erkend. Ook is aannemelijk dat hij de medewerker heeft aangevallen. Volgens de aangifte van verzoeker ging het niet lekker met hem en wilde hij de medewerker ‘even duidelijk de waarheid vertellen’. De voorzieningenrechter vindt het verder aannemelijker dat het shirt van de medewerker is gescheurd door toedoen van verzoeker, dan dat het shirt is gescheurd vanwege de klap die de medewerker aan verzoeker heeft gegeven. Daarnaast hebben de teamleider en regiomanager diezelfde avond telefonisch met verzoeker gesproken, waarbij verzoeker tijdens het gesprek de bedreigende uitlatingen heeft gedaan. Verzoeker heeft dit niet ontkend.
Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat verzoeker tijdens dit incident de gemaakte gedragsregels niet heeft nageleefd. Het college heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging van de ondersteuning. Het college was dus bevoegd om de ondersteuning te beëindigen.
Belangenafweging
15. Het college heeft vastgesteld dat verzoeker onder meer hulp nodig heeft bij zijn financiën, huisvesting, geestelijke gezondheid en middelengebruik. Pameijer heeft geprobeerd om hem daarbij te helpen. Het hoofddoel van de hulpverlening is het stabiliseren van verzoekers geestelijke gezondheid en het middelengebruik. Dit zal niet van de één op de andere dag geregeld zijn. Door het gedrag van verzoeker is de situatie bij Pameijer echter niet langer houdbaar.
16. De voorzieningenrechter begrijpt dat de gevolgen van de beëindiging van de ondersteuning voor verzoeker heel groot zijn, maar dit komt wel door zijn eigen houding en gedrag. Discriminerende uitlatingen, agressie en dreigementen zijn niet acceptabel. De voorzieningenrechter vindt daarom dat het college de belangen van Pameijer en andere bewoners zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het persoonlijke belang van verzoeker bij behoud van de ondersteuning.
Conclusie en gevolgen
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college de ondersteuning mocht beëindigen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.