Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Rotterdam, 21 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:12271Zaaknummer ROT 24/10353

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21 september 2026
Publicatiedatum
5 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 24/10353
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,98%. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van zijn arbeidsongeschiktheid. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

Beslissing

- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/10353

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: mr. W. Smith).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[werkgever] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], werkgever,

gemachtigde: mr. S.M.C. Verheyden.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,98%. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van zijn arbeidsongeschiktheid. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een proceskostenveroordeling toe, omdat het UWV te laat op het bezwaar heeft beslist.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 28 februari 2024 (het primaire besluit) toegewezen en eiser vanaf 5 oktober 2023 (datum in geding) een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,98%. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar tegen het primaire besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

Met het besluit van 17 maart 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het UWV bij zijn eerdere beslissing gebleven. Eiser heeft beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op deze gronden gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 12 november 2025 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de werkgever, mr. S.M.C. Verheyden.

2.4.

Eiser heeft op 12 december 2025 aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op deze gronden en daarbij een nadere rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2026 en een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 april 2026 overgelegd.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, en middels een videoverbinding de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van de werkgever.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep niet tijdig beslissen

3. Het UWV heeft, nadat eiser het beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld, alsnog op 17 maart 2025 op het bezwaarschrift beslist. Dit betekent dat eiser niet langer procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Omdat het beroep van eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op het alsnog genomen bestreden besluit zal de rechtbank in deze procedure de rechtmatigheid van dat besluit beoordelen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.

Beroep tegen het bestreden besluit

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiser was werkzaam als runner+ toen hij zich op 7 oktober 2021 heeft ziekgemeld vanwege psychische en fysieke klachten. Per einde wachttijd heeft eiser bij het UWV een aanvraag gedaan om een WIA-uitkering. Aan hem is per 5 oktober 2023 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,98%. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

4.1.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 20 januari 2025 een medisch onderzoek uitgevoerd. De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 20 januari 2025 geconcludeerd dat de FML moet worden aangevuld met een beperking ten aanzien van FML-item 3.7 (trillingsbeslasting). De aangepaste FML van 20 januari 2025 heeft voor de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen aanleiding gevormd om tot een ander oordeel te komen dan de primaire arbeidsdeskundige. In de rapportage van 12 maart 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser correct is vastgesteld. Naar aanleiding van de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

Het standpunt van eiser

5. Eiser is van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van zijn psychische klachten onvoldoende zorgvuldig heeft vastgesteld en gemotiveerd waarom geen aanvullende beperkingen kunnen worden aangenomen in de rubrieken Persoonlijk en Sociaal functioneren. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vertaalslag van de medische problematiek naar de functionele beperkingen van eiser onvoldoende toegesneden op zijn langdurige en consistente psychische klachtenbeeld. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de FML ten aanzien van de rubriek Werktijden onvoldoende zorgvuldig is vastgesteld. De vertaalslag van de psychische en fysieke belastbaarheid van eiser naar de rubriek Werktijden een urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week is ontoereikend gemotiveerd. Eiser verzoekt de rechtbank een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen, onder meer gelet op de complexiteit van zijn aandoeningen en de discussie over de vertaalslag hiervan naar de FML. Eiser stelt zich ten slotte op het standpunt dat de geselecteerde functies niet passend zijn omdat deze zijn geselecteerd op basis van een onjuiste FML.

Toetsingskader

6. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

6.1.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Het oordeel over de beroepsgronden

7. De rechtbank merkt op dat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische informatie met de werkgever te delen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.

De zorgvuldigheid van de besluitvorming

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de medische grondslag van het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het kader van de heroverweging in bezwaar het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en een lichamelijk en psychisch onderzoek uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft daarmee het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser.

De belastbaarheid van eiser

9. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het dagelijkse ongemak dat eiser ervaart naar aanleiding van zijn gezondheidsklachten, merkt zij op dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de vertaalslag te maken naar de beperkingen tot het verrichten van arbeid en deze in de FML vast te stellen. De rechtbank volgt eiser niet zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vastgestelde beperkingen onvoldoende heeft gemotiveerd en verdergaande beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportages van 20 januari 2025 en 26 maart 2026 voldoende gemotiveerd toegelicht dat het geheel aan medische aandoeningen bekend was bij de primaire arts en dat (afgezien van de toegevoegde beperking ten aanzien van trillingsbelasting) geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primaire arts.

9.1.

De psychische klachten van eiser hebben de primaire arts aanleiding gegeven om beperkingen aan te nemen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren en Fysieke omgevingseisen. Vanwege de slaapproblemen, fysieke klachten en psychische klachten van eiser is ook een energetische beperking aangenomen. Naar aanleiding van de door eiser geclaimde beperking ten aanzien van het handelingstempo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat een beperking op dat gebied alleen voorkomt als er sprake is van een ernstige stoornis, zoals de ziekte van Parkinson of dementie. Bij eiser is een dergelijke ernstige stoornis niet vastgesteld, zodat geen aanleiding bestaat om een beperking aan te nemen ten aanzien van het handelingstempo. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 26 maart 2026 voldoende gemotiveerd toegelicht dat er geen medisch objectiveerbare reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van de rubriek Persoonlijk functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daartoe gemotiveerd toegelicht dat bij het psychisch onderzoek dat de primaire arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben verricht, geen aandacht- of concentratiestoornissen objectiveerbaar waren en dat ook uit het dagverhaal van eiser blijkt dat hij is staat is tot eenvoudige en routinematige taken. Eiser heeft verder ook geen medische informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat verdergaande beperkingen wegens problematiek op het gebied van aandacht, concentratie of prikkelverwerking aangewezen zijn.

9.2.

De primaire arts heeft in verband met de fysieke klachten, die voortvloeien uit de ziektes van eiser, beperkingen vastgesteld in de rubrieken Dynamische handelingen en Statistische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast in de rapportage van 20 januari 2025 voldoende gemotiveerd toegelicht dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen vanwege de voetklachten van eiser, omdat met de beperking op FML-item 4.21 al rekening is gehouden met alle activiteiten waarbij sprake is van druk op de voet. Eiser is daarnaast wegens zijn ziekte voor FML-item 3.8 beperkt geacht in zijn blootstelling aan zonlicht. Eiser heeft ter zitting voor het eerst aangevoerd dat hij op dit item ook beperkt is voor blootstelling aan Uv-licht afkomstig uit kunstverlichting. Omdat eiser dit niet nader onderbouwde standpunt pas voor het eerst ter zitting in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank gelet op de goede procesorde geen aanleiding dit standpunt bij de beoordeling te betrekken.

9.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder voldoende gemotiveerd toegelicht dat geen medische noodzaak bestaat voor het aannemen van een verdergaande urenbeperking. Bij eiser is geen sprake is van een stoornis in de energiehuishouding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er daarbij op gewezen dat het bioritme van recuperatie een 24-uurs ritme kent, zodat een persoon die één dag per week een hoeveelheid uren kan werken, dat in principe ook op andere werkdagen zou kunnen. Daarnaast blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit het dagverhaal van eiser dat sprake is van een slechte slaaphygiëne en dat eiser in ieder geval voor een periode van zes uur per dag activiteiten kan verrichten. De urenbeperking die de primaire arts heeft vastgesteld, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom ruim genoeg. De rechtbank kan dit volgen. De rechtbank weegt daarbij mee dat uit de rapportage van 20 januari 2025 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verschillende fysieke klachten van eiser heeft beoordeeld in combinatie met zijn psychische klachten en slaapproblemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in de rapportages van 20 maart 2025 en 26 maart 2026 gemotiveerd toegelicht dat ook geen aanleiding bestaat om op preventieve gronden een grotere urenbeperking vast te stellen, omdat eisers klachten met de gestelde beperkingen niet zullen verergeren bij belasting.

9.4.

De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verschillen met de eerdere medische beoordelingen geen aanscherping van zijn belastbaarheid rechtvaardigen. De in het kader van de Ziektewet (ZW) en Eerstejaars Ziektewet (EZWB) verrichte beoordelingen hebben betrekking op andere data in geding dan de datum die in deze WIA-beoordeling voorligt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij die medische beoordeling dan ook geen rekening hoeven houden met de belastbaarheid die in het kader van de ZW en EZWB is vastgesteld.

Benoeming van een deskundige

9.5.

Gelet op de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van eiser afdoende heeft gemotiveerd. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gegeven om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zodat er voor de benoeming van een deskundige geen aanleiding bestaat.

De geschiktheid van de geduide functies

10. De stelling van eiser dat hij de geselecteerde functies gezien zijn klachten en beperkingen niet kan verrichten, is in feite gericht tegen de vastgestelde mogelijkheden van eiser. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat er geen reden is om aan die vaststelling te twijfelen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies de mogelijkheden van eiser overschrijden.

10.1.

Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat eiser verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verlies aan verdiencapaciteit van 54,98 %. De rechtbank is daarmee van oordeel dat het UWV terecht per 5 oktober 2023 aan eiser een WIA-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,98%.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

11.1.

Omdat het bestreden besluit is genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar, bestaat aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiser in het kader van dat beroep heeft gemaakt. Het UWV moet ook het door eiser betaalde griffierecht voor het instellen van het beroep niet-tijdig nemen van een besluit vergoeden.

11.2.

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat het beroep niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar ten tijde van de indiening ervan alleen ging over de vraag of de beslistermijn was overschreden.

Beslissing

- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.