Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 18 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:12177Zaaknummer ROT 26/6389

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
5 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 26/6389
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag om urgentieverklaring. Niet economisch of maatschappelijk gebonden aan de woningmarktregio. Verzoek afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

De griffier is verhinderd om te tekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/6389

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigde: mr. E. de Ruiter).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een urgentieverklaring. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker onvoldoende binding met de regio heeft. Verzoeker is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van verzoeker mr. O.C. Bozbiyik en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat gaat het in deze zaak om?

3. Het college heeft met het bestreden besluit van 23 juli 2026 de aanvraag voor een urgentieverklaring van verzoeker afgewezen. Het college heeft daarbij overwogen dat om een urgentieverklaring te krijgen, onder andere sprake moet zijn van maatschappelijke binding met de woningmarktregio waarvoor de urgentieverklaring wordt aangevraagd. Bij maatschappelijke binding met de regio moet er onder andere sprake zijn van minimaal zes jaar inwoning in de gemeente over de afgelopen tien jaar. Uit onderzoek is gebleken dat verzoeker altijd in [plaats 1] heeft gewoond en daar op het moment nog woont. Verzoeker is daardoor kansrijker in [gemeente 1]. De aanvraag voor een urgentieverklaring is verder niet beoordeeld op de problematiek waarvoor verzoeker de aanvraag heeft ingediend.

4. Verzoeker betoogt dat het college ten onrechte zijn verzoek om een urgentieverklaring heeft afgewezen op de grond dat hij geen regiobinding heeft. Hij heeft namelijk in [plaats 2] gewoond. Dit blijkt uit de gegevens uit de Basisregistratie Personen (brp) van verzoeker. Daarnaast wijst verzoeker er op dat in de toelichting bij het artikel 3.1.3. van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening) staat dat het college de aanvraag kán afwijzen. Het college dient daarom de betrokken belangen zorgvuldig af te wegen. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoeker en zijn kind. Als gevolg van een relatiebeëindiging is de woonproblematiek ontstaan. Verzoeker kan nu slechts tijdelijk in [plaats 1] bij zijn neef verblijven, maar die heeft hem laten weten dat hij de woning uiterlijk 30 september 2026 dient te verlaten. Verzoeker vindt dat het college op grond van de hardheidsclausule aan hem een urgentieverklaring had moeten verstrekken. Door een te strikte toepassing van de Verordening leidt de afwijzing tot een onbillijkheid van overwegende aard en een schrijnende situatie. Verzoeker en zijn kind zullen eind september op straat komen te staan.

Heeft verzoeker een spoedeisend belang?

5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.

6. Verzoeker voert aan dat zijn neef hem te kennen heeft gegeven dat hij en zijn kind niet langer bij hem kunnen verblijven en dat zij op 30 september 2026 de woning dienen te verlaten. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende reden om een spoedeisend belang aan te nemen.

Juridisch kader

7. Het college kan een aanvraag weigeren indien de aanvrager niet economisch gebonden of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio.[_d6525398-5887-4a0d-946b-c4f55894e902] Er is sprake van economische gebondenheid aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente indien de woningzoekende met het oog op de voorziening in het bestaan een redelijk belang heeft zich in die woningmarktregio, die gemeente of dat deel van de gemeente te vestigen.[_195bca57-99bb-4908-9fc0-a421f399b96f] Er is sprake van maatschappelijke gebondenheid aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente indien de woningzoekende een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in die woningmarktregio, die gemeente of dat deel van de gemeente te vestigen, of ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest van die woningmarktregio, die gemeente of dat deel van de gemeente.[_7abb4488-5257-4c05-9df9-0c6dd7d08251]

Wat vindt de voorzieningenrechter van de zaak?

8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanvraag terecht geweigerd op grond van het ontbreken van binding met de regio. Tussen partijen is allereerst niet in geschil dat verzoeker niet economisch gebonden is aan [gemeente 2]. De voorzieningenrechter ziet ook niet in dat verzoeker maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio. Volgens het brp-uittreksel dat zich in het dossier bevindt, stond verzoeker tussen 15 juni 2023 en 28 oktober 2025 ingeschreven op twee verschillende adressen in [plaats 2]. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij met zijn ex-partner in [plaats 2] heeft gewoond. In de brp staat geregistreerd dat verzoeker vanaf 28 oktober 2025 een woonadres in [plaats 1] heeft. Uit de ‘Rapportage negatief besluit op weigeringsgronden’ blijkt echter dat verzoeker een briefadres in [plaats 2] heeft. Verder heeft verzoeker verklaard dat hij voor 2023 in het buitenland heeft gewoond. Gelet op het voorgaande, voldoet verzoeker niet aan het vereiste dat hij ten minste zes jaar onafgebroken ingezeten is dan wel gedurende de voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest van de woningmarktregio. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd ook geen redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang om zich in de woningmarktregio te vestigen. Het enkele feit dat verzoeker eerder in [plaats 2] heeft gewoond is daarvoor onvoldoende.

9. Ondanks het niet voldoen aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring, kan toch een urgentieverklaring worden verleend als er aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule.[_dd175dd4-46b8-4f83-a91b-6793b1192079] De voorzieningenrechter constateert allereerst dat het college daarop niet is ingegaan in het bestreden besluit. Het college dient dit in de bezwaarfase te herstellen, waarbij het college de belangen van het kind van verzoeker dient mee te wegen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het college heeft gekeken of sprake is van een acute noodsituatie. Het college stelt dat dakloosheid niet een situatie is die voor het college dermate ernstig is dat dat direct tot het verstrekken van een urgentieverklaring leidt. In de regio Rijnmond zijn veel dakloze mensen, waardoor dakloosheid geen bijzondere situatie meer is. In de regio zijn daarnaast voorzieningen voor dakloosheid met een kind. Het college gaat pas over op toekenning van een urgentieverklaring op basis van de hardheidsclausule als sprake is van een zeer ernstige, levensbedreigende situatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college niet gehouden was verzoeker alsnog op grond van de hardheidsclausule een urgentieverklaring te verstrekken. Dat verzoeker en zijn kind dakloos dreigen te worden, is daarvoor onvoldoende. Het is verzoeker niet gelukt zelf een woonruimte te vinden, ondanks dat hij op meerdere verhuurplatforms ingeschreven staat. Dit betekent echter niet dat het college alsnog aan verzoeker een urgentieverklaring dient te verstrekken. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie van verzoeker en zijn minderjarige kind verre van ideaal is. De voorzieningenrechter acht de omstandigheden waarin verzoeker zich bevindt in het licht van de regelgeving en de situatie van vele andere gevallen echter niet dermate schrijnend of bijzonder, dat het college aan verzoeker een urgentieverklaring had moeten verstrekken.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college aan verzoeker vooralsnog geen urgentieverklaring hoeft af te geven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

De griffier is verhinderd om te tekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.