Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 17 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:12128Zaaknummer ROT 26/7124

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
5 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 26/7124
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen ontheffing van ijscokar op 50 meter afstand van een ijssalon. Geen spoedeisend belang. Door het tegenvallende weer is tot nu toe geen gebruik gemaakt van de ontheffing en de ontheffing is nog twee weken geldig. Verzoek afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

De griffier is verhinderd te tekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/7124

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigden: mr. W. Breure en mr. V.C.M. Feber).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon A] (houder van de ontheffing).

Samenvatting

1. Het college heeft aan de vergunninghouder een ontheffing voor een tijdelijke standplaats verstrekt, waarmee ambachtelijk Italiaans ijs kan worden verkocht. Verzoeker is het niet eens met de verstrekking van de ontheffing, aangezien hij een ijssalon in een straal van 50 meter van de vergunde plek heeft. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 heeft het college aan de vergunninghouder een ontheffing voor een tijdelijke standplaats verstrekt, waarmee ambachtelijk Italiaans ijs kan worden verkocht. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Het college heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie ingediend.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college. De vergunninghouder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?

3. De echtgenoot en dochter van verzoeker hebben een ijssalon genaamd [bedrijf], gevestigd aan [adres 1] te [plaats]. Verzoeker is gemachtigd de belangen van ijssalon [bedrijf] te behartigen in deze procedure.

4. Op 25 augustus 2026 heeft het college ontheffing verleend om een standplaats in te nemen voor de verkoop van ambachtelijk Italiaans ijs ter hoogte van [adres 2] voor de periode van 26 augustus 2026 tot 30 september 2026. Verzoeker is het niet eens met de verlening van de ontheffing. De standplaats bevindt zich binnen 50 meter van de ijssalon [bedrijf]. De verlening van de ontheffing zal zorgen voor inkomstenderving van de ijssalon.

Heeft verzoeker een spoedeisend belang?

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald of vergoed, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn spoedeisend belang is gelegen in de mogelijke inkomstenderving van 7-10% die zal optreden wanneer de vergunninghouder gebruik zal maken van de ontheffing. Daarnaast zal een behandeling van het ingediende bezwaarschrift langer duren dan de periode waarin de standplaats is goedgekeurd (tot en met 30 september 2026).

7. De voorzieningenrechter ziet hierin, en gelet op de overige omstandigheden in de zaak, onvoldoende spoedeisend belang om een verzoek om voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter acht allereerst van belang dat niet is komen vast te staan dat ijssalon [bedrijf] vanwege de verlening van de ontheffing in de financiële problemen komt. Wanneer uiteindelijk zou blijken dat de verlening van de ontheffing onrechtmatig was, zijn er mogelijkheden voor ijssalon [bedrijf] om eventuele schade als gevolg daarvan vergoed te krijgen. Ook heeft de houder van de ontheffing verklaard dat hij tot nu toe geen gebruik heeft gemaakt van de ontheffing vanwege het tegenvallende weer. Tot nu toe heeft verzoeker dus nog geen inkomstenderving geleden. De voorzieningenrechter weegt verder mee dat de ontheffing tot en met 30 september 2026 is afgegeven. Voor zover de houder van de ontheffing in de resterende tijd nog gebruik zou maken van de ontheffing en daardoor mogelijk inkomstenderving zal ontstaan, betreft dit dus nog slechts een korte periode. De voorzieningenrechter ziet in bovenstaande omstandigheden geen reden om aan te nemen dat de bezwaarfase niet kan worden afgewacht.

Is het bestreden besluit evident onrechtmatig?

8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit niet juist is. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat deze situatie zich hier voordoet. Op grond van artikel 5:21a van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV) kan het college een ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats in een standplaatsvrij gebied. Het college heeft getoetst aan de weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 1:8 en 5:18a van de APV. Omdat deze weigeringsgronden zich niet voordeden, is de ontheffing verleend. Concurrentiebelangen zijn in de APV niet genoemd als een weigeringsgrond voor het verlenen van een ontheffing. De voorzieningenrechter ziet dus niet in dat het college op grond van de concurrentiebelangen de ontheffing had moeten weigeren. Op de zitting is besproken dat de APV ook los van de weigeringsgronden ruimte biedt om een belangenafweging te maken bij het verlenen van een ontheffing. Voor zover de afweging van het college daaromtrent niet volledig duidelijk is, kan het college die afweging in de bezwaarfase herstellen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de ontheffing voor de tijdelijke standplaats in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

De griffier is verhinderd te tekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.