Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Rotterdam, 21 augustus 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:10994Zaaknummer ROT 25/2782

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 25/2782
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wmo 2015. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek van eiseres om een uitbreiding van het huidige ondersteuningsarrangement in de vorm van een pgb op goede gronden heeft afgewezen, behoudens voor zover dat verzoek ziet op een elektrische deuropener. Door het college is op dat punt onzorgvuldig onderzoek gedaan. Het beroep is gegrond en vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres geen elektrische deuropener is toegekend. De rechtbank draagt het college op om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank voorziet niet zelf in de zaak, omdat het college eerst nader onderzoek moet doen.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres geen elektrische deuropener is toegekend;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

- draag het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres], uit [woonplaats], eiseres
  2. Procesverloop
  3. Totstandkoming van het bestreden besluit
  4. Juridisch kader
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Procesverloop

1.1.

Eiseres heeft op 21 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

1.2.

Met het besluit van 21 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college een maatwerkvoorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer voor onbepaalde tijd aan eiseres toegekend, maar het verzoek van eiseres tot uitbreiding van het huidige ondersteuningsarrangement in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen.

1.3.

Met het besluit van 12 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

1.4.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.5.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.6.

Eiseres heeft nadere stukken en beroepsgronden ingediend.

1.7.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon A] (cliëntondersteuner) namens eiseres en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Met een besluit van 2 juni 2023 heeft het college een getrapt ondersteuningsarrangement in de vorm van een pgb aan eiseres verleend. Deze indicatie ziet op het verkrijgen van een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone en draagbare kleding. Binnen deze indicatie is de eerste twee jaar ook ruimte voor de verzorging van de dochter van eiseres. Omdat de inschatting was dat dit na twee jaar zou kunnen vervallen, is het ondersteuningsarrangement getrapt afgegeven. De ondersteuning in de eerste periode bestaat uit ondersteuning en regie bij het huishouden voor de periode van 12 juni 2023 tot en met 8 juni 2025. De ondersteuning in de tweede periode bestaat uit ondersteuning en regie bij het huishouden voor de periode van 9 juni 2025 tot en met 4 juni 2028.

2.1.

Op 22 november 2023 heeft eiseres aangegeven dat zij haar huidige ondersteuningsarrangement in de vorm van een pgb wil uitbreiden, omdat haar gezondheid achteruit is gegaan. Eiseres heeft verklaard meer hulp nodig te hebben bij de zorg voor haar dochter, het huishouden, het doen van boodschappen en het bereiden van maaltijden. Het college heeft een medisch advies laten opstellen en een ondersteuningsverslag. In het ondersteuningsverslag van 26 juni 2024 staat dat eiseres ook gebruik zou willen maken van collectief aanvullend vervoer. Die wens is door de gemeente meegenomen bij het nemen van het primaire besluit.

2.2.

Met het primaire besluit heeft het college een maatwerkvoorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer voor onbepaalde tijd aan eiseres toegekend, maar het verzoek om uitbreiding van het huidige ondersteuningsarrangement in de vorm van een pgb afgewezen. Het college heeft aan de afwijzing onder meer ten grondslag gelegd dat de gewenste ondersteuning (haren wassen, lunch klaarleggen, douchen op twee dagen en kleding klaarleggen) kan worden geboden met het huidige ondersteuningsarrangement. Er is zorg voor de dochter van eiseres afgegeven voor vier dagen per week, terwijl er maar drie dagen zorg wordt geboden. Ook kunnen de taken beter worden verdeeld tussen de hulpverlener en eiseres, waardoor er meer tijd overblijft voor de overige hulpvragen.

2.3.

Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd.

Juridisch kader

3. Artikel 2.3.2., eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid van dat artikel.

3.1.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

3.2.

Het college heeft in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018, de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 (de beleidsregels) en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 regels gesteld voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het college het verzoek van eiseres om uitbreiding van het huidige ondersteuningsarrangement in de vorm van een pgb terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Standpunt eiseres

5. Eiseres stelt dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de huidige toegekende maatwerkvoorzieningen passend zouden zijn. Volgens eiseres ontbreekt een concrete en toetsbare onderzoeksvraag en is door het college niet inzichtelijk gemaakt dat de betrokken adviseur of instantie over toereikende actuele kennis beschikt ten aanzien van het complexe ziektebeeld van eiseres (ME/CVS). Het college heeft onvoldoende maatwerk geboden. Gezien de zeer beperkte energetische belastbaarheid van eiseres is zij niet in staat om zorg te dragen voor de huishoudelijke taken, de verzorging van haar dochter, het doen van boodschappen en het bereiden van maaltijden. Eiseres stelt dat zij meer pgb moet krijgen ofwel dat deze taken volledig moeten worden overgenomen. Daarnaast stelt eiseres dat het college er niet zonder meer van kan uitgaan dat de zus van eiseres de noodzakelijke ondersteuning ten aanzien van het bereiden van maaltijden op zich neemt. Ook leeft eiseres van een bijstandsuitkering, waardoor zij de instantie waarnaar zij door het college voor warme maaltijden is doorverwezen (Thuisgekookt) niet makkelijk kan betalen. Bovendien stelt eiseres dat het college een onvoldoende zorgvuldig en ontoereikend gemotiveerd standpunt inneemt over de vervoersvoorziening (zoals het collectief aanvullend vervoer) en de woningaanpassing in de vorm van een elektrische deuropener. Voor de elektrische deuropener heeft het college eiseres verwezen naar een ergotherapeut voor advies, terwijl het college zelf een ergotherapeut had moeten inschakelen.

Zorgvuldigheid van het onderzoek

6. Het betoog van eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, slaagt. In het ondersteuningsverslag van 21 augustus 2024 staat dat eiseres moeite heeft met het openen van de deur en in aanmerking wil komen voor een elektrische deuropener. Het college heeft eiseres geadviseerd om een ergotherapeut te vragen naar een oplossing voor dat probleem, zoals de inzet van hulpmiddelen. Als zou blijken dat er geen adequate oplossing voorhanden was, kon eiseres alsnog een melding doen bij het college voor een elektrische deuropener. Daarmee is het college eraan voorbijgegaan dat het, in het kader van de om hem rustende onderzoeksplicht van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, op zijn weg had gelegen om een ergotherapeut in te schakelen.[_5845f6c1-ba4d-4dae-a81b-554fade20200] Door dat niet te doen, is het onderzoek op dit punt onzorgvuldig uitgevoerd.

7. Voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Het betoog van eiseres dat een toetsbare onderzoeksvraag ontbreekt en het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de medisch adviseur over toereikende actuele kennis beschikt, slaagt niet. De rechtbank merkt allereerst op dat het college geen algemene ‘onderzoeksvraag’ hoeft vast te stellen, maar moet inventariseren wat de ondersteuningsvraag van de cliënt is.[_a3b2ce29-4e61-4e0a-83eb-73aee39ca1a3] Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dat afdoende gedaan. Eiseres heeft zich op 22 november 2023 gemeld bij het college. Die melding zag op een uitbreiding van de uren voor huishoudelijke hulp, waarvoor bij besluit van 2 juni 2023 aan eiseres een pgb is toegekend. Vervolgens is zowel een medisch advies als een ondersteuningsverslag opgesteld. In het ondersteuningsverslag heeft het college de hulpvragen van eiseres in kaart gebracht. Het college heeft zich daarbij niet beperkt tot de inhoud van de melding van eiseres van 22 november 2023. In het ondersteuningsverslag worden namelijk ook andere onderwerpen besproken dan (een uitbreiding van) huishoudelijke hulp, zoals financiën, werk en opleiding, huisvesting en geestelijke en lichamelijke gezondheid. Daarbij worden ook concrete vragen en problemen benoemd. Zo maakt het verslag melding van de wens van eiseres om gebruik te maken van collectief aanvullend vervoer en van de problemen die zij ervaart bij bijvoorbeeld koken en de verzorging van haar dochter. In het medisch advies heeft de GGD-arts op basis van de door eiseres ingediende medische stukken geconcludeerd dat eiseres meerdere aandoeningen heeft waardoor eiseres forse beperkingen ondervindt in het leveren van inspanningen en in haar been- en (linker)armfunctie. Vanwege de zeer lage belastbaarheid van eiseres zijn er nauwelijks tot geen behandelopties meer. De rechterhand van eiseres functioneert nog wel en kan mogelijk nog verbeteren, waardoor eiseres nog wel taken kan uitvoeren, zoals het klaarmaken van de lunch van haar dochter en het klaarleggen van kleding. Ten aanzien van het verzorgen van haar dochter, heeft de GGD-arts toegelicht dat als de dochter van eiseres bij het wassen op een laag krukje zou kunnen gaan zitten, eiseres haar armen minder zou hoeven te heffen, waardoor het mogelijk zou moeten zijn om haar dochter zelf te wassen. Ook acht de GGD-arts het snijden van de korstjes van het brood niet medisch noodzakelijk. De GGD-arts heeft de medische informatie van specialisten in zijn advies meegewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de GGD-arts niet over toereikende actuele medische kennis beschikt. Eiseres heeft hierover ook niets concreets naar voren gebracht.

Heeft het college het verzoek om uitbreiding van het ondersteuningsarrangement kunnen afwijzen?

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het verzoek van eiseres om uitbreiding van het huidige ondersteuningsarrangement in de vorm van een pgb op goede gronden afgewezen, behoudens voor zover dat verzoek ziet op een elektrische deuropener (zie hiervoor, onder 6, en hierna, onder 9). De rechtbank licht dat toe.

8.1.

Eiseres beschikt reeds over een maximale indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. Het college heeft opgemerkt dat veel tijd wordt besteed aan huishoudelijke taken en dat er zorg is afgegeven voor vier dagen per week, terwijl er maar drie dagen per week zorg wordt geboden. Er zijn dus mogelijkheden om de huidige zorg op een efficiëntere manier in te delen, zodat eiseres uitkomt met de reeds aan haar toegekende uren. Hierdoor acht het college een uitbreiding van het pgb niet noodzakelijk. De rechtbank kan het college hierin volgen. Het betoog van eiseres dat het college door gebruik te maken van een ondersteuningsarrangement dat gebaseerd is op een bepaalde trede, onvoldoende maatwerk heeft geleverd, slaagt niet. Het onderscheid tussen de verschillende treden, zoals omschreven in de beleidsregels, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet. Voor zover eiseres betoogt dat zij vanwege haar ziektebeeld geen genoegen kan nemen met een wat minder schoon huis, en daarom méér hulp nodig heeft dan waar de maximale indicatie van uitgaat, had het op haar weg gelegen dat betoog met (medische) stukken te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan.

8.2.

Het betoog van eiseres dat uitbreiding van het pgb noodzakelijk is voor het doen van boodschappen, slaagt niet. Eiseres kan gebruikmaken – en maakt ook gebruik – van een boodschappenservice van de supermarkt waarmee de boodschappen aan huis worden gebracht. Dat is een algemeen gebruikelijke voorziening, die volgens artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 voorgaat op een maatwerkvoorziening.

8.3.

Het betoog van eiseres dat uitbreiding van het pgb noodzakelijk is omdat zij hulp nodig heeft bij het bereiden van maaltijden, slaagt evenmin. De rechtbank volgt het college in haar toelichting dat eiseres gebruik zou kunnen maken van een algemeen gebruikelijke voorziening van bijvoorbeeld stichting Thuisgekookt, waarbij rekening wordt gehouden met dieetwensen en waarbij de maaltijden tegen de kostprijs beschikbaar zijn. Als alternatief heeft het college gewezen op de mogelijkheid om via de boodschappenservice van de supermarkt kant-en-klaarmaaltijden te kopen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de GGD-arts heeft verklaard dat voor diabetespatiënten, zoals eiseres, geen speciale producten noodzakelijk zijn. Aan de stelling van eiseres dat de maaltijden van stichting Thuisgekookt of kant-en-klaarmaaltijden niet voor haar geschikt zijn, gaat de rechtbank dan ook voorbij. Ook ziet de rechtbank niet in waarom het college niet mag meewegen dat de zus van eiseres twee keer per week voor twee dagen voor eiseres en haar dochter kookt. Bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening geboden is, moet het college immers ook de hulp betrekken die eiseres reeds ontvangt van personen uit haar sociale netwerk (artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015). Eiseres wordt dus al voor gemiddeld vier dagen per week, en daarmee voor een groot deel van de week, van warm eten voorzien. Dit betekent dat eiseres voor de overige drie dagen gebruik zou kunnen maken van de maaltijden van bijvoorbeeld stichting Thuisgekookt dan wel van kant-en-klaarmaaltijden. Eiseres heeft overigens niet aannemelijk gemaakt dat haar budget ontoereikend is om gebruik te maken van dergelijke voorzieningen. Ook als eiseres geen gebruik zou maken van de service van Thuisgekookt of van kant-en-klaarmaaltijden, zal eiseres haar maaltijden zelf moeten betalen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de maaltijden van Thuisgekookt of kant-en-klaarmaaltijden dusdanig veel meer kosten dan zelf klaargemaakte maaltijden, dat moet worden geconcludeerd dat deze algemeen gebruikelijke voorzieningen voor haar financieel niet passend zijn. Het college heeft bovendien onbetwist gesteld dat Thuisgekookt de maaltijden tegen de kostprijs aanbiedt.

8.4.

Ten aanzien van de zorg voor de dochter van eiseres, heeft het college afdoende toegelicht dat in de huidige indicatie voor de eerste ondersteuningsperiode tijd is geïndiceerd voor het douchen van haar dochter. Het college verwijst daarvoor naar hetgeen de GGD-arts heeft geconcludeerd, namelijk dat eiseres nog een functionerende rechterhand heeft waardoor eiseres zelf de lunch voor haar dochter kan klaarmaken, kleding voor haar kan klaarleggen en met een hulpmiddel het haar van haar dochter zou kunnen wassen. Het college heeft terecht geconcludeerd dat het uitbreiden van het pgb op dit onderdeel niet noodzakelijk is.

8.5.

Eiseres heeft geen belang meer bij bespreking van de beroepsgrond gericht tegen de toekenning van de voorzieningen collectief aanvullend vervoer en een scootmobiel. Met het besluit van 14 juli 2025 heeft het college in plaats van deze voorzieningen aan eiseres reeds een pgb voor de aanschaf van een buitenwagen toegekend, waardoor eiseres haar dochter met meer gemak naar school kan brengen. Voor zover eiseres van mening is dat de buitenwagen niet volstaat, had het op haar weg gelegen om bezwaar te maken tegen het besluit van 14 juli 2025 of zich tot het college te wenden om opnieuw een melding te doen. Niet gebleken is dat eiseres dat heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres geen elektrische deuropener is toegekend. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat het college eerst nader onderzoek moet doen. Om die reden zal de rechtbank ook geen bestuurlijke lus toepassen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres geen elektrische deuropener is toegekend;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

- draag het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.