Uitspraak · Insolventierecht

Rechtbank Rotterdam, 4 maart 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:10502Zaaknummer FT EA 23/817

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
FT EA 23/817
Rechtsgebied
Civiel recht, Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Schuldenaar heeft in de periode augustus 2025 tot en met februari 2026 geen sollicitatieactiviteiten verricht en heeft niet (fulltime) gewerkt. Ook heeft de rechter-commissaris hem in die periode niet (gedeeltelijk) vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. Aan schuldenaar wordt toch de zogenoemde “schone lei” verleend. Voldoende aannemelijk is namelijk geworden dat schuldenaar in die periode niet in staat is geweest om te solliciteren dan wel (fulltime) te werken en de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting wordt daarom niet aan schuldenaar toegerekend.

De rechtbank:

- stelt vast dat de heer [schuldenaar] niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

  • bepaalt dat de toepassing van de Wsnp eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 16 maart 2026;
  • verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal€ 4.378,11.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.[_bddcc089-ad80-4461-827b-4109fd0350cd]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Standpunt van de heer [schuldenaar]
  3. 3 De beoordeling
  4. 3 De beslissing

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

insolventienummer: [nummer]

Vonnis van 4 maart 2026

In de zaak van:

[schuldenaar],

Van [straatnaam]

[postcode] [woonplaats],

bewindvoerder: N.T. van den Deijssel.

Waar gaat deze zaak over?

De heer [schuldenaar] is op 1 november 2023 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp). De rechter-commissaris heeft de heer [schuldenaar] van 1 november 2023 (datum toelating Wsnp) tot en met 31 augustus 2024 vrijgesteld van de sollicitatieverplichting, omdat hij in verband met zijn psychische gesteld niet in staat was om arbeid te verrichten. Daarna gold een sollicitatie- en arbeidsverplichting. Vervolgens heeft de rechtbank de termijn van de Wsnp op 16 juli 2025 verlengd met acht maanden om de heer [schuldenaar] in de gelegenheid te stellen de tekortkoming in de sollicitatieverplichting van 1 september 2024 tot 1 mei 2025 te compenseren. De Wsnp eindigt daarom nu op 16 maart 2026. De bewindvoerder heeft voor de beëindigingszitting van 24 februari 2026 de rechtbank geadviseerd om de Wsnp te beëindigen zonder toekenning van de zogenoemde “schone lei”. De heer [schuldenaar] is van augustus 2025 tot en met februari 2026 (opnieuw) tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting. De rechtbank is van oordeel dat aan de heer [schuldenaar] de zogenoemde “schone lei” moet worden verleend. Zij legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.

1 De procedure

1.1.

De bewindvoerder heeft op 18 december 2025 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).

1.2.

Op 17 februari 2026 heeft de bewindvoerder de rechtbank haar advies in de laatste stand van zaken meegedeeld.

1.3.

De heer [schuldenaar] heeft op 18 februari 2026 een toelichting gegeven op zijn persoonlijke situatie en heeft daarbij een verklaring van zijn behandelaar / therapeut van [bedrijf] overgelegd.

1.4.

De beëindiging van de Wsnp is behandeld ter zitting van 24 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord:

- de heer [schuldenaar];

- mevrouw A. Zwanenburg, beschermingsbewindvoerder;

- mevrouw N.T. van den Deijssel, bewindvoerder.

1.5.

De heer [schuldenaar] heeft ter zitting (medische) stukken laten zien die hij van zijn huisarts heeft ontvangen.

1.6.

De rechtbank heeft ter zitting bepaald dat zij op 4 maart 2026 uitspraak zal doen.

2 Standpunt van de heer [schuldenaar]

2.1.

De heer [schuldenaar] stelt zich op het standpunt dat hij in de relevante periode niet in staat is geweest te solliciteren of te werken vanwege psychische en lichamelijke klachten.

2.2.

De heer [schuldenaar] heeft toegelicht dat de psychische problemen zijn begonnen nadat hij zijn eenmanszaak had ingebracht in een besloten vennootschap waarna de besloten vennootschap in 2017 failliet werd verklaard. Hij bleef achter met de schulden (schulden uit de eenmanszaak en schulden waarbij hij zich persoonlijk had verbonden). De heer [schuldenaar] heeft dan ook met name zakelijke schulden. Vervolgens zijn de problemen verergerd toen zijn vrouw kort daarna bij hem weg ging. De heer [schuldenaar] is toen in een burn-out gekomen en is depressief geraakt en ervaart daar tot de dag van vandaag nog steeds de beperkingen van.

2.3.

Daarnaast heeft de heer [schuldenaar] toegelicht dat hij door zijn lichamelijke klachten verdovende middelen is gaan gebruiken, waaronder oxycodon en cocaïne, waaraan hij vervolgens verslaafd is geraakt. Met die verslaving kampt hij nu al een jaar. De heer [schuldenaar] heeft dit door schaamte niet eerder durven te vertellen. De bewindvoerder was hier daarom ook niet van op de hoogte.

3 De beoordeling

3.1.

De (materiële) looptijd van de Wsnp eindigt op 16 maart 2026. De rechtbank moet daarom beoordelen of (i) de heer [schuldenaar] tijdens de looptijd van de Wsnp tekortgeschoten is in de nakoming van één of meer verplichtingen en (ii) of die tekortkoming(en) aan hem kan(kunnen) worden toegerekend.

De heer [schuldenaar] is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting

3.2.

De rechtbank stelt vast dat de heer [schuldenaar] tekortgeschoten is in de nakoming van de sollicitatieverplichting. De heer [schuldenaar] heeft in de periode augustus 2025 tot en met februari 2026 geen sollicitatieactiviteiten verricht en heeft niet (fulltime) gewerkt. Ook heeft de rechter-commissaris hem in die periode niet (gedeeltelijk) vrijgesteld van de sollicitatieverplichting.

Aan de heer [schuldenaar] wordt de zogenoemde “schone lei” verleend

3.3.

Toch verleent de rechtbank aan de heer [schuldenaar] de zogenoemde “schone lei”. De rechtbank is namelijk van oordeel dat (i) de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting niet aan de heer [schuldenaar] kan worden toegerekend en (ii) de heer [schuldenaar] aan de “overige” verplichtingen van de Wsnp heeft voldaan.

Voldoende aannemelijk dat de heer [schuldenaar] niet in staat is (geweest) om te solliciteren en te werken

3.4.

De rechtbank acht daarbij van belang dat voldoende aannemelijk is geworden dat de heer [schuldenaar] tijdens de looptijd van de Wsnp, en in ieder geval in de periode na de verlening van de Wsnp-regeling in juli 2025, niet in staat is geweest om zijn sollicitatieverplichting naar behoren na te komen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de door de rechter-commissaris verleende vrijstelling van de sollicitatieverplichting van 1 november 2023 tot en met 31 augustus 2024 voornamelijk het gevolg is geweest van de psychische en gedragsproblemen van de heer [schuldenaar]. Gebleken is, dat die problemen nog niet zijn opgelost. Dat volgt uit de verklaring van de heer [schuldenaar] en de (medische) stukken die hij daarbij heeft overgelegd. Uit die verklaring en stukken blijkt ook dat de heer [schuldenaar] lichamelijke klachten heeft en dat hij al ruim een jaar kampt met verslavingsproblemen. Uit de verklaring van de behandelaar van 17 februari 2026 blijkt dat de heer [schuldenaar] zich al in juni 2025 bij [bedrijf] heeft gemeld, maar dat het behandeltraject pas onlangs (op 10 februari 2026) is gestart. Uit die verklaring volgt verder dat de behandeling ook ziet op de onderliggende gedragsproblemen. De heer [schuldenaar] heeft hiermee laten zien dat hij aan zichzelf wil werken en beter wil worden. Ook heeft de heer [schuldenaar] actie ondernomen ten aanzien van zijn lichamelijke klachten. Daarvoor heeft hij binnenkort een afspraak bij het [ziekenhuis], op de [afdeling]. Dat blijkt uit de e-mail van het [ziekenhuis] van 29 december 2025. De rechtbank is van oordeel dat, indien deze omstandigheden eerder bekend waren geweest, de heer [schuldenaar] waarschijnlijk vrijgesteld zou zijn geweest van de sollicitatieverplichting.

3.5.

Het voorgaande verklaart ook waarom de heer [schuldenaar] (i) tijdens de Wsnp niet (goed) bereikbaar is geweest voor de hulpverleners en voor de bewindvoerder en (ii) meerdere keren niet is verschenen bij een medische keuring en (iii) zijn baan in juni 2025 niet heeft kunnen behouden.

De rechtbank volgt het advies van de bewindvoerder niet

3.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het andersluidende advies van de bewindvoerder niet leidt tot een ander oordeel.

Salaris van de bewindvoerder

3.7.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat de heer [schuldenaar] niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

  • bepaalt dat de toepassing van de Wsnp eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 16 maart 2026;
  • verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal€ 4.378,11.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.[_bddcc089-ad80-4461-827b-4109fd0350cd]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.