Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Rotterdam, 1 juni 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:10419Zaaknummer ROT 25/7140

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
ROT 25/7140
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toeslagenwet. Mondelinge uitspraak. Schending van de hoorplicht. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV de ten onrechte ontvangen toeslag mogen terugvorderen. Het beroep is ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:2

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

(…)

Artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

  • het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
  • het bezwaar kennelijk ongegrond is,
  • de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
  • e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
  • aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Ziektewet

Artikel 33

1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

Toeslagenwet

Artikel 6

1. Als inkomen wordt aangemerkt:

  • voor een gehuwde: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en van zijn echtgenoot;
  • voor een ongehuwde: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

Artikel 11a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:

  • indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
  • indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
  • indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 20

1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

2. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:

(…)

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

(…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

(…)

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Algemene wet bestuursrecht
  2. Ziektewet
  3. Toeslagenwet

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/7140

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. B. Özates),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. N. Regragui).

Procesverloop

1.1. Met ingang van 1 september 2023 is aan eiser een toeslag op zijn Ziektewet-uitkering toegekend.

1.2. Met het besluit van 18 december 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de toeslag die eiser in de periode van 1 september 2023 tot en met 18 november 2023 heeft ontvangen op grond van de Toeslagenwet (TW) tot een bedrag van € 1.617,84 teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.3. Met het besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het UWV bij het primaire besluit gebleven.

1.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.5. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.6. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

1.7. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1. Eiser ontvangt met ingang van 1 september 2023 een Ziektewet-uitkering. Per 1 september 2023 is aan eiser een toeslag op zijn Ziektewet-uitkering toegekend.

2.2. Met het primaire besluit heeft het UWV besloten dat een bedrag van € 1.617,84 aan toeslag wordt teruggevorderd, omdat de partner van eiser een betaling van haar Ziektewet-uitkering heeft gehad over de periode van 21 augustus 2023 tot en met 19 november 2023 en deze inkomsten niet volledig zijn gekort op de toeslag die eiser heeft ontvangen op zijn eigen Ziektewet-uitkering, waardoor eiser te veel toeslag heeft ontvangen.

2.3. Met het bestreden besluit is het UWV bij het primaire besluit gebleven.

Toepasselijke wet- en regelgeving

3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij dit proces-verbaal.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser stelt in beroep dat de hoorplicht is geschonden en dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij stelt dat zijn partner geen betaling vanuit de Ziektewet-uitkering heeft ontvangen en dat het bestreden besluit daarmee op een fictieve uitbetaling berust.

5.1. Gelet op de motivering in de beslissing op bezwaar en de betaalspecificatie die door het UWV is overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep ongegrond te verklaren. Uit de betaalspecificatie volgt dat een brutobedrag van € 2.458,30, dat ziet op de periode 21 augustus 2023 tot en met 19 november 2023, aan de partner van eiser is uitbetaald. Het UWV heeft toegelicht dat deze uitbetaling het gevolg is van een gegrond bezwaar naar aanleiding van de beëindiging van de Ziektewet van de partner van eiser. De rechtbank heeft geen aanleiding om niet van die uitbetaling door het UWV uit te gaan, nu eiser het standpunt dat niet is uitbetaald niet heeft onderbouwd met stukken. Tijdens de zitting is namens eiser aangegeven dat het niet geheel duidelijk is welk bedrag precies op welk moment zou zijn betaald aan de partner, volgens eiser was het in ieder geval niet genoeg. De rechtbank kan het UWV volgen in haar standpunt dat eiser naar aanleiding van die uitbetaling te veel inkomsten heeft ontvangen en dat dit gevolgen heeft voor zijn toeslag. Hierdoor heeft eiser namelijk ten onrechte een bedrag van € 1.618,84 aan toeslag ontvangen. Dit bedrag is terecht door het UWV teruggevorderd.

5.2. De rechtbank is wel van oordeel dat het UWV de hoorplicht heeft geschonden. Het had op de weg van het UWV gelegen om eiser uit te nodigen voor een hoorzitting in bezwaar om met elkaar in gesprek te gaan. Dat is niet gebeurd. Dat betekent dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Eiser heeft in beroep, zowel in zijn beroepschrift als tijdens de zitting, de gelegenheid gehad om zijn standpunten naar voren te brengen. In het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank wel aanleiding het UWV te veroordelen in het vergoeden van het door eiser betaalde griffierecht en de door eiser gemaakte proceskosten in beroep.

Conclusie en gevolgen

6.1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

6.2. Omdat toepassing is gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, bepaalt de rechtbank dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt het UWV ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

6.3. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:2

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

(…)

Artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

  • het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
  • het bezwaar kennelijk ongegrond is,
  • de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
  • e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
  • aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Ziektewet

Artikel 33

1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

Toeslagenwet

Artikel 6

1. Als inkomen wordt aangemerkt:

  • voor een gehuwde: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en van zijn echtgenoot;
  • voor een ongehuwde: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

Artikel 11a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:

  • indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
  • indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
  • indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 20

1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

2. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:

(…)

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

(…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

(…)

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.