Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 5 augustus 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:10417Zaaknummer ROT 24/11649

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
ROT 24/11649
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BC; Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; Verordening 1107/2009 Het door eiser gebruikte middel Curatio moet volgens de voorschriften met een techniek worden gespoten waarbij 99% driftreductie wordt behaald. Eiser heeft daar niet aan voldaan nu hij slechts apparatuur in zijn bezit heeft en gebruikt met een maximale driftreductietechniek van 95%. Dit wordt door eiser ook niet bestreden. Verweerders standpunt dat eiser niet zelf kan kiezen welke maatregelen hij neemt om de drift te reduceren wordt gevolgd. De tijdelijke vrijstelling geldt namelijk uitsluitend onder de in die tijdelijke vrijstelling vermelde toepassingsvoorwaarden. Het wettelijk gebruiksvoorschrift is een controlevoorschrift waar de gebruiker van het gewasbeschermingsmiddel zich aan dient te houden. Bij gebruik van een andere driftreductietechniek, zoals windsingels, is het niet mogelijk te controleren of een driftreductie van minimaal 99% wordt bereikt, zodat niet kan worden uitgesloten dat niet aan deze gestelde eis wordt voldaan. Alhoewel eiser niet welbewust in strijd met de vrijstellingsvoorwaarde heeft gehandeld, is opzet bij het plegen van de overtreding niet vereist voor het opleggen van een boete en is het ontbreken daarvan evenmin reden om daarvan af te zien of de boete te matigen. Matiging van de boete met 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 8 november 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- herroept het besluit van 2 augustus 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en stelt de boete vast op € 950,-.

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) het griffierecht van € 371,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [bedrijf] , uit [plaats] , eiser
  2. Inleiding
  3. Totstandkoming van het besluit
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/11649

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen

[bedrijf] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een door verweerder opgelegde boete van € 1.000,- voor een overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). Met het besluit van 2 augustus 2024 heeft verweerder eiser de boete opgelegd.

1.1.

Met het bestreden besluit van 8 november 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder de boete gehandhaafd.

1.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (telefonisch) en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op

2 oktober 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Dit rapport van bevindingen is opgesteld naar aanleiding van een bedrijfsinspectie in het kader van het projectprotocol [naam projectprotocol]. Het betreft een inspectie waarbij de focus ligt op de juiste naleving van de voorwaarden gesteld in verleende vrijstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen in verschillende landen tuinbouwgewassen.

De betreffende toezichthouder was bekend dat op 1 maart 2023 door de Minister van

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tijdelijk een vrijstelling was verleend voor

het gewasbeschermingsmiddel Curatio ter bescherming van de biologische teelt

van appel en peer tegen schurft. Het betreft hier een schimmelbestrijdingsmiddel

(fungicide) met de werkzame stof calcium sulfide.

De toezichthouder heeft in de hiervoor omschreven vrijstelling gelezen dat onder de

toepassingsvoorwaarden onder andere het navolgende stond vermeld:

“Om in het water levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende

insecten/geleedpotigen te beschermen is toepassing van dit middel uitsluitend

toegestaan indien op het gehele perceel gebruik gemaakt wordt van een techniek uit

tenminste de klasse DRT99 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 450

centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste bomenrij of de laatste boom in de

rij tot aan de insteek van de sloot of de perceelgrens).”

De toezichthouder heeft op 7 augustus 2023 het bedrijf van eiser bezocht en gesproken met [persoon A], eigenaar van het [bedrijf].

De toezichthouder heeft in het bijzijn van [persoon A] onder andere een controle

uitgevoerd op de voorraad aanwezige gewasbeschermingsmiddelen en trof onder

andere van het hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddel Curatio nog een

aangebroken verpakking van 20 liter aan.

Verder zag de toezichthouder in de loods spuitapparatuur staan voor de toepassing van onder andere gewasbeschermingsmiddelen. Het betrof een boomgaardspuit van het merk

Mitterer voorzien van een spuitdop van het type Albuz TVI ISO 80 025.

De toezichthouder heeft [persoon A] op de hoogte gesteld van het feit dat hij met

deze apparatuur een maximale driftreductietechniek kan behalen van 95%. [persoon A] gaf te kennen dat dit de enige spuitapparatuur binnen zijn onderneming betrof en dat met deze apparatuur ook alle toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvonden.

Vervolgens vroeg de toezichthouder [persoon A] onder andere inzage in zijn registratie

van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

De toezichthouder zag vervolgens in het Excel-overzicht dat [persoon A] toonde op het beeldscherm van zijn personal-computer dat er onder andere op 9 mei 2023 een bespuiting had plaatsgevonden van alle percelen waarop peren worden geteeld met het middel Curatio. Dit Excel-overzicht heeft [persoon A] de toezichthouder op dinsdag 8 augustus 2023 middels een emailbericht doen toekomen onder de omschrijving “spuitschrift”.

[persoon A] heeft tegenover de toezichthouder onder meer het volgende verklaard:

“Zoals U hebt kunnen zien is mijn spuitapparatuur natuurlijk gekeurd maar zitten er

ook driftreducerende doppen op die in de klasse 95% driftreductie vallen.

Daarnaast heb ik op mijn percelen ook nog eens een teeltvrije zone van meer dan 450 cm en spuit ik de buitenste bomenrij altijd perceel inwaarts.

Ik was dan ook echt in de veronderstelling dat ik aan alle voorwaarden voldeed. Ik was mij niet bewust van het feit dat Curatio met een techniek moet worden gespoten waarbij 99% driftreductie moet worden behaald.

Dergelijke spuitapparatuur heb ik niet en wil ik ook niet aanschaffen aangezien ik er juist op stuur om nagenoeg geen chemie meer in te zetten. Schurft is echter een dermate groot gevaar in de fruitteelt dat ik er niet aan ontkom om toch zo nu en dan een gewasbeschermingsmiddel in te zetten om de situatie beheersbaar te houden. Doe ik dit niet dan ben ik straks weer genoodzaakt om meer middelen te gebruiken zoals dat nog in

de gangbare teelt plaatsvindt. Dat strookt gewoon niet met mijn overtuiging dat we zonder kunstmest en chemie ook een heel mooi product kunnen telen. Ik wil nogmaals benadrukken dat ik mij echt van geen kwaad bewust was.”

De toezichthouder heeft [persoon A] ervan op de hoogte gebracht dat hij een

rapport van bevindingen zou opmaken met betrekking tot het onjuiste gebruik van

het gewasbeschermingsmiddel Curatio en heeft hem tevens medegedeeld dat op basis

van dit rapport een boete zou kunnen worden opgelegd.

3. Op grond van het rapport van bevindingen van 2 oktober 2023 heeft verweerder vastgesteld dat eiser het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Er werd een voorschrift of beperking overtreden verbonden aan een vrijstelling van een gewasbeschermingsmiddel voor maximaal 120 dagen”. Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 38, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 53 van de Verordening (EG)

Nr. 1107/2009), van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Verweerder heeft eiser daarvoor een boete opgelegd van € 1.000,-.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser het beboetbare feit heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht een boete heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding nu eiser het vrijgestelde

gewasbeschermingsmiddel Curatio op 9 mei 2023 in de teelt van peren in strijd met de voor deze vrijstelling[_ce3a0693-bcb4-4fb5-8883-f87d054dcf89] geldende voorschriften heeft gebruikt. Eiser heeft op zijn bedrijf namelijk apparatuur gebruikt waarmee een maximale driftreductietechniek van 95% in plaats van de vereiste 99% kan worden behaald.

6. Eiser voert aan dat er reden is voor matiging van de boete. Hij stelt in dit verband dat er windsingels rond de percelen aanwezig zijn waarmee de verspreiding van drift wordt tegengegaan en het risico op ernstig gevaar voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu beperkt wordt. Windsingels worden om die reden veelal toegepast in het kader van spuitzones en gelden als een veel gebruikte en algemeen geaccepteerde voorziening om drift bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen te gaan. Daarnaast wijst hij erop dat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden juist zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen gebruikt en de wet- en regelgeving in acht neemt en zeker niet bewust in strijd met de voorwaarden van de vrijstelling heeft gehandeld.

7. Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

8. Het door eiser gebruikte middel Curatio moet volgens de voorschriften met een

techniek worden gespoten waarbij 99% driftreductie wordt behaald. Eiser heeft

daar niet aan voldaan nu hij slechts apparatuur in zijn bezit heeft en gebruikt met

een maximale driftreductietechniek van 95%. Dit wordt door eiser ook niet

bestreden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet zelf kan kiezen welke maatregelen hij neemt om de drift te reduceren. De tijdelijke vrijstelling geldt namelijk uitsluitend onder de in die tijdelijke vrijstelling vermelde toepassingsvoorwaarden. Het wettelijk gebruiksvoorschrift is een controlevoorschrift waar de gebruiker van het gewasbeschermingsmiddel zich aan dient te houden. Bij gebruik van een andere driftreductietechniek, zoals windsingels, is het niet mogelijk te controleren of een driftreductie van minimaal 99% wordt bereikt, zodat niet kan worden uitgesloten dat niet aan deze gestelde eis wordt voldaan. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat eiser niet welbewust in strijd met de vrijstellingsvoorwaarde heeft gehandeld, is opzet bij het plegen van de overtreding niet vereist voor het opleggen van een boete en is het ontbreken daarvan evenmin reden om daarvan af te zien of de boete te matigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn

9.1.

Volgens vaste rechtspraak geldt bij bestraffende sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiser de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Er vindt een matiging plaats met 5% voor ieder half jaar overschrijding, met een maximum van € 2.500,-. Als de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, handelt de rechtbank naar bevind van zaken.

9.2.

In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 22 maart 2024. De redelijke termijn is dus verstreken op 22 maart 2026. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met ongeveer vijf maanden overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boete te matigen met 5% tot een bedrag van € 950,-.

Conclusie en gevolgen

10.1.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd maar dat het boetebedrag moeten worden verlaagd omdat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank de boete verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en wordt het boetebesluit in zoverre herroepen. De rechtbank zal de boete vaststellen op € 950,-. Het beroep is dus gegrond, maar alleen voor wat betreft de hoogte van de boete.

10.2.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht moet worden vergoed. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen het griffierecht te vergoeden. Eiser heeft geen verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Van proceskosten die zijn gemoeid met zo’n verzoek die voor vergoeding in aanmerking komen, is dus geen sprake. Eiser krijgt dus geen vergoeding voor door hem gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 8 november 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- herroept het besluit van 2 augustus 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en stelt de boete vast op € 950,-.

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) het griffierecht van € 371,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.