Uitspraak · Bestuursstrafrecht
Rechtbank Rotterdam, 11 augustus 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:9676Zaaknummer ROT 24/3691, ROT 24/4001
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2025
- Publicatiedatum
- 7 september 2026
- Zaaknummer
- ROT 24/3691, ROT 24/4001
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Boete opgelegd aan slachterij vanwege het niet uitvoeren / handhaven van de eigen HACCP-procedures (artikel 5 van Verordening 852/2004). Fecale bezoedeling op karkassen aangetroffen. Overtreding terecht vastgesteld, verweerder heeft geen onjuiste grondslag gebruikt. Beroepen ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: wettelijke bepalingen
Artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004: Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van
toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004:
1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dragen zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van een of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen.
2. De in lid 1 bedoelde HACCP-beginselen betreffen:
a. a) het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;
b) het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;
c) het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te
kunnen bepalen wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie,
eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;
d) het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures op de kritische
controlepunten;
e) het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking zou blijken dat een
kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;
f) het vaststellen van procedures om na te gaan of de in de punten a) tot en met e) bedoelde
maatregelen naar behoren functioneren, waarbij regelmatig verificatieprocedures worden
uitgevoerd; en
g) het opstellen van aan de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf aangepaste
documenten en registers, teneinde aan te tonen dat de in de punten a) tot en met f)
omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast.
Ingeval het product, de verwerking of een stadium daarvan enige wijziging ondergaat, dient de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de procedure te herzien en waar nodig aan te passen.
3. Lid 1 is alleen van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met een op de primaire productie volgende fase van de productie, de verwerking en de distributie van levensmiddelen en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende handelingen.
4. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven:
a. a) dienen tegenover de bevoegde autoriteit aan te tonen dat zij de bepaling van lid 1 op zodanige wijze naleven als de bevoegde autoriteit verlangt, rekening houdend met de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf;
b) zorgen ervoor dat alle documenten met de beschrijving van de overeenkomstig dit artikel
ontwikkelde procedures altijd geactualiseerd zijn;
c) bewaren alle overige documenten en verslagen gedurende een passende periode.
5. Nadere bepalingen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2. Dergelijke bepalingen kunnen voor bepaalde exploitanten van levensmiddelenbedrijven de toepassing van dit artikel vergemakkelijken, in het bijzonder door te voorzien in het gebruik van procedures omschreven in de gidsen voor de toepassing van de HACCP beginselen, om zodoende aan de eisen van lid 1 te voldoen. In deze bepalingen kan ook gespecificeerd worden hoe lang exploitanten van levensmiddelenbedrijven de documenten en verslagen overeenkomstig artikel 4, onder c, dienen te bewaren.
Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren: Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten: Artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten: Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen […] 4, eerste, tweede en derde lid, […] van verordening (EG) nr. 852/2004.
Artikel 5:46, tweede lid, van de Awb: De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Artikel 5:46, derde lid, van de Awb: Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
a. categorie 1: € 500;
b. categorie 2: € 1500;
c. categorie 3: € 2500;
d. categorie 4: € 5000;
e. categorie 5: € 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet.
Artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren onder Regeling dierlijke producten: Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 852/2004 categorie 4.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/3691 en ROT 24/4001
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans:
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. Versteege).
Procesverloop
Bij besluiten van 13 oktober 2023 (het primaire besluit 1) en 15 december 2023 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiseres boetes opgelegd van € 5.000,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluiten van 6 maart 2024 (het bestreden besluit 1) en 11 maart 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze besluiten beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (bestuurder) en [naam] (KAM-manager) namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam] (toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit NVWA).
De rechtbank heeft de behandeling geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op een stuk van 18 maart 2025 dat de gemachtigde van eiseres in het geding heeft gebracht.
Verweerder heeft bij schrijven van 1 mei 2025 daarop gereageerd. De gemachtigde van eiseres heeft bij schrijven van 26 mei 2025 op verweerders reactie gereageerd.
Nadat partijen ermee hebben ingestemd dat de rechtbank zonder nader zitting uitspraak doet heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten.
Overwegingen
ROT 24/3691
1. In het rapport van bevindingen van 23 maart 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van regulier toezicht op 3 maart 2023 omstreeks 07:45 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de expeditie. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring afgelopen. Het bedrijf heeft een CCP: CCP01 beheersing zichtbare fecale bezoedeling op karkassen. De norm is dat er geen zichtbare bezoedeling op de karkassen aanwezig mag zijn voordat deze de snelkoeltunnel ingaan (zie bijlage CCP01 Beheersing zichtbare fecale bezoedeling op karkassen [nummer] VERSIE 11 en bijlage instructie CCP01 zichtbare fecale bezoedeling [nummer] VERSIE 12 - 005 en zie bijlage HACCP-Plan Schematic Overview, [nummer] VERSIE 08).
Ik controleerde op de expeditie de temperatuur van vleesdelen voor export naar Bosnië-Herzegovina. Ik zag dat deze vleesdelen waren ingepakt in een stockinet en klaarhingen voor laden. Ik zag door het stockinet bezoedeling op de borst, waarna ik het stockinet voorzichtig naar beneden heb gehaald. Daar zag ik dat op de borst, van een deel van een karkas, fecale bezoedeling aanwezig was, zie foto 1 en 3 t/m 5. Aan de kleur en consistentie was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was. Het karkas was al door de snelkoeltunnel gegaan en hing klaar om de vrachtwagen in te gaan.
Het karkas was de specifieke CCP01 controle plaats voor fecale bezoedeling, welke zich net vóór het stempelen bevindt, gepasseerd en was niet door de monitoring en/of bij de verificatie opgemerkt. Het karkas was al goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan EG [nummer] op het etiket, zie foto 2.
Naar aanleiding van mijn bevindingen heb ik [naam] geïnformeerd en hem de bezoedeling getoond. Hij heeft direct de bezoedeling verwijderd.”
ROT 24/4001
2. In het rapport van bevindingen van 4 juli 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een audit op 4 mei 2023 omstreeks 10:41 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens de audit bevond ik mij in de koelcel voor de expeditie. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring afgelopen. Het bedrijf heeft een CCP: CCP01 beheersing zichtbare fecale bezoedeling op karkassen. De norm is dat er geen zichtbare bezoedeling op de karkassen aanwezig mag zijn voordat deze de snelkoeltunnel ingaan (zie bijlage [nummer] CCP01 Beheersing en [nummer] Instructie CCP01 en [nummer] HACCP-Plan).
Tijdens het uitvoeren van de audit zagen de auditor en ik dat er fecale bezoedeling op een achterpoot van een kalverkarkas aanwezig was in de koelcel voor de expeditie. Aan de kleur en consistentie was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was, zie foto 1 en 2.
Het karkas was de specifieke CCP01 controleplaats voor fecale bezoedeling, welke zich net vóór het stempelen bevindt, gepasseerd en was niet door de monitoring en/of bij de verificatie opgemerkt.
Naar aanleiding van onze bevindingen hebben we [naam] de bezoedeling getoond. Hij heeft direct de bezoedeling laten verwijderen.”
Beide zaken
3. Op basis van deze rapporten van bevindingen heeft verweerder met de primaire besluiten aan eiseres boetes opgelegd van € 5.000,- voor het volgende feit: de exploitant van het levensmiddelenbedrijf droeg geen zorg voor de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP) beginselen. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) 852/2004.
Met de bestreden besluiten heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.
4. In beide zaken heeft eiseres aangevoerd dat verweerder met artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004 een zwaardere kwalificatie heeft toegepast en een hogere boete heeft opgelegd, terwijl verweerder in soortgelijke gevallen met een lichtere kwalificatie een lagere boete heeft opgelegd. Overtreding van artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004 kan niet op basis van slechts een incidentele bezoedeling worden vastgesteld, zoals verweerder dat heeft gedaan. Eiseres heeft aan artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004 voldaan door de HACCP beginselen in instructies op te nemen en deze instructies te handhaven en uit te voeren. Verweerder had eerst een waarschuwing moeten geven en niet direct een boete mogen opleggen.
In ROT 24/3691 heeft eiseres aangevoerd dat het boetebesluit ten onrechte is verzwaard, omdat pas in het bestreden besluit de overtreding wordt gezien als een zware overtreding, terwijl dat in het primaire besluit niet zo is. Eiseres mag er in bezwaar niet op achteruit gaan.
In ROT 24/4001 heeft eiseres aangevoerd dat het primaire besluit 2 onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder daarin niet heeft vermeld welke HACCP procedures eiseres niet zou hebben gehandhaafd of uitgevoerd. Verweerder heeft dit gebrek in het bestreden besluit hersteld, maar het bezwaar had gegrond verklaard moeten worden met een veroordeling in de proceskosten. Verder heeft eiseres aangevoerd dat niet is uitgesloten dat na het stempelen in de koelcel een bezoedeling is ontstaan door bijvoorbeeld een spatje op een handschoen of kleding, zodat niet gesteld kan worden dat eiseres niet gezorgd heeft voor de juiste uitvoering en handhaving in de fase daarvoor. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat tussen het constateren van de feiten en het voornemen een lange termijn is gelegen.
5. Voor de beoordeling van deze zaken gaat de rechtbank uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Gelet op het vermoeden van onschuld rust de bewijslast dat sprake is van overtredingen in gevallen als deze waarin boetes zijn opgelegd, op het bestuursorgaan dat die boetes heeft opgelegd. Voor het bewijs van een overtreding steunt verweerder op de in de rapporten van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouder. In het rapport van bevindingen in ROT 24/3691 is beschreven dat de toezichthouder in het kader van regulier toezicht een reeds voor menselijke consumptie goedgekeurd karkas heeft gezien met fecale bezoedelingen op de borst. Dit karkas was al door de snelkoeltunnel gegaan en hing klaar om de vrachtwagen in te gaan. In het rapport van bevindingen in ROT 24/4001 is beschreven dat de toezichthouder in het kader van een audit heeft geconstateerd dat er fecale bezoedeling op een achterpoot van een kalverkarkas aanwezig was in de koelcel voor expeditie.
Dat eiseres in deze zaken artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden vindt voldoende steun in de rapporten van bevindingen. Uit die rapporten blijkt dat eiseres onvoldoende heeft zorggedragen voor de uitvoering van de HACCP procedure. Volgens haar eigen HACCP procedure hanteert eiseres als norm voor de slachterij: “Geen zichtbare fecale bezoedeling op de karkassen voordat deze de snelkoeltunnel ingaan. Bezoedeling op karkassen kleiner of gelijk aan 5% voor het KDS”. Dit staat in “CCP01 Beheersing zichtbare fecale bezoedeling op karkassen”. Ook in “Instructie CCP01 zichtbare fecale bezoedeling” is de norm opgenomen: “Visueel geen fecale bezoedelingen op de karkassen die de snelkoeltunnel in gaan.” Nu de toezichthouder in beide zaken de fecale bezoedeling heeft aangetroffen op kalverkarkassen in de koelcel voor de expeditie heeft eiseres niet volgens haar eigen HACCP procedure gehandeld. De stelling van eiseres dat na het stempelen in de koelcel bezoedeling kan ontstaan, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, volgens de HACCP procedure die eiseres hanteert moeten karkassen voordat zij de snelkoeltunnel in gaan vrij zijn van fecale bezoedeling. Ook de stelling van eiseres dat een enkele fecale bezoedeling onvoldoende is om overtreding van artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) 852/2004 vast te stellen, slaagt daarom niet. De stelling van eiseres dat er bij de kwalificatie in onderhavige zaken geen onderscheid wordt gemaakt tussen een audit en regulier toezicht betekent niet dat verweerder in onderhavige zaken artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004 niet als grondslag heeft kunnen gebruiken. Eiseres hanteert immers een HACCP procedure die zij te allen tijde moet naleven. De controle daarop kan plaatsvinden door middel van een audit of in het kader van regulier toezicht.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden. Verweerder was dus bevoegd eiseres daarvoor een boete op te leggen.
Eiseres heeft betoogd dat verweerder in deze zaken de bevindingen van de toezichthouder zoals beschreven in de rapporten van bevindingen ten onrechte heeft gekwalificeerd als overtredingen van artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004, omdat verweerder in vergelijkbare zaken heeft volstaan met een lichtere kwalificatie en in die zaken een lagere boete heeft opgelegd. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt zoals toegelicht in de brief van 1 mei 2025 dat de zaken waarnaar eiseres heeft verwezen niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaken van eiseres. In boetezaak 202401582 is in het rapport van bevindingen beschreven dat de toezichthouder in de snelkoeltunnel een karkas heeft aangetroffen met fecale bezoedeling op de linkerzijde van de borst. Verder is in dat rapport van bevindingen beschreven dat er veel nieuw personeel was, dat de baansnelheid op 130 kalveren per uur was ingesteld en dat er veel karkassen werden uitgeraild om op te knappen omdat het personeel die karkassen aan de baan onvoldoende kon opknappen. In boetezaak 202401480 is in het rapport van bevindingen vermeld dat de toezichthouder in de koelcel na het opknappen karkassen die al waren afgestempeld heeft aangetroffen met fecale bezoedeling. In dat rapport van bevindingen is beschreven dat door omstandigheden het opknappen niet was gebeurd en de toezichthouder heeft gezien dat niet opgeknapte karkassen door een medewerker de snelkoeltunnel in werden geduwd. Dat verweerder het onder de hiervoor beschreven omstandigheden waaronder die overtredingen hebben plaatsgevonden passender heeft geacht om in die beide zaken de grondslag te wijzigen van artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) 852/2004 naar artikel 4, tweede lid in samenhang met bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3 van Verordening (EG) 852/2004, biedt dus geen grond voor het oordeel dat verweerder dit ook in de onderhavige zaken had behoren te doen. Het betoog slaagt niet.
6. Verweerder heeft het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 en regel B1 van het Specifiek interventiebeleid Vlees (IB01- SPEC25) toegepast. Bij regel B1 gaat het om aanwezige feiten of omstandigheden die erop wijzen dat er een onveilige situatie is waarbij schadelijke producten geproduceerd worden. Dit is een ernstige overtreding waarvoor volgens verweerders interventiebeleid direct een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
In de zaak ROT 24/4001 heeft verweerder in zowel het primaire besluit als het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat overtreding van artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004 een zware overtreding is. In de zaak ROT 24/3961 heeft verweerder in het primaire besluit de overtreding van die bepaling aangemerkt als een middelzware overtreding. Volgens verweerder is dat in het primaire besluit abusievelijk als een middelzware overtreding aangemerkt. Daarom heeft verweerder dit in het bestreden besluit gecorrigeerd en de overtreding aangemerkt als een zware overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierdoor niet in een nadeliger positie terechtgekomen, nu de hoogte van de boete (€ 5.000,-) niet is gewijzigd.
7. In de zaak ROT 24/4001 klaagt eiseres erover dat er tussen het constateren van de feiten en het voornemen een lange periode is verstreken. De feiten zijn op 4 mei 2023 geconstateerd. Het voornemen is op 22 november 2023 uitgebracht. De termijn die is verstreken bedraagt zes maanden en achttien dagen. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding niet onredelijk lang. Gesteld noch gebleken is dat eiseres door deze termijnoverschrijding in haar verdediging is geschaad. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder de KAM coördinator van eiseres, R. Steinmeijer, van de bevindingen op de hoogte heeft gebracht en een rapport van bevindingen heeft aangezegd. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voornemen in te dienen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden, aangezien eiseres bij e-mail van 1 maart 2024 heeft aangegeven dat zij bij aanvullende vragen prijs stelde op een hoorzitting en zo niet, dat zij dan persisteerde bij het bezwaarschrift en afzag van een hoorzitting. Er waren geen aanvullende vragen en er heeft dus geen hoorzitting plaatsgevonden. Verder heeft eiseres in bezwaar en in beroep haar argumenten naar voren kunnen brengen. Het tijdverloop geeft daarom geen aanleiding om het boetebedrag te matigen of het bestreden besluit 2 te vernietigen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: wettelijke bepalingen
Artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004: Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van
toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004:
1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dragen zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van een of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen.
2. De in lid 1 bedoelde HACCP-beginselen betreffen:
a. a) het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;
b) het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;
c) het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te
kunnen bepalen wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie,
eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;
d) het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures op de kritische
controlepunten;
e) het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking zou blijken dat een
kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;
f) het vaststellen van procedures om na te gaan of de in de punten a) tot en met e) bedoelde
maatregelen naar behoren functioneren, waarbij regelmatig verificatieprocedures worden
uitgevoerd; en
g) het opstellen van aan de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf aangepaste
documenten en registers, teneinde aan te tonen dat de in de punten a) tot en met f)
omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast.
Ingeval het product, de verwerking of een stadium daarvan enige wijziging ondergaat, dient de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de procedure te herzien en waar nodig aan te passen.
3. Lid 1 is alleen van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met een op de primaire productie volgende fase van de productie, de verwerking en de distributie van levensmiddelen en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende handelingen.
4. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven:
a. a) dienen tegenover de bevoegde autoriteit aan te tonen dat zij de bepaling van lid 1 op zodanige wijze naleven als de bevoegde autoriteit verlangt, rekening houdend met de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf;
b) zorgen ervoor dat alle documenten met de beschrijving van de overeenkomstig dit artikel
ontwikkelde procedures altijd geactualiseerd zijn;
c) bewaren alle overige documenten en verslagen gedurende een passende periode.
5. Nadere bepalingen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2. Dergelijke bepalingen kunnen voor bepaalde exploitanten van levensmiddelenbedrijven de toepassing van dit artikel vergemakkelijken, in het bijzonder door te voorzien in het gebruik van procedures omschreven in de gidsen voor de toepassing van de HACCP beginselen, om zodoende aan de eisen van lid 1 te voldoen. In deze bepalingen kan ook gespecificeerd worden hoe lang exploitanten van levensmiddelenbedrijven de documenten en verslagen overeenkomstig artikel 4, onder c, dienen te bewaren.
Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren: Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten: Artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten: Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen […] 4, eerste, tweede en derde lid, […] van verordening (EG) nr. 852/2004.
Artikel 5:46, tweede lid, van de Awb: De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Artikel 5:46, derde lid, van de Awb: Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
a. categorie 1: € 500;
b. categorie 2: € 1500;
c. categorie 3: € 2500;
d. categorie 4: € 5000;
e. categorie 5: € 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet.
Artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren onder Regeling dierlijke producten: Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 852/2004 categorie 4.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 6.2 Wet dieren meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 5:46 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2.2 Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2.3 Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2.5 Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1.2 Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.