Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Rotterdam, 28 mei 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:6243Zaaknummer 25/2672 en 25/2673
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 mei 2025
- Publicatiedatum
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/2672 en 25/2673
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek. Omdat hangende beroep alsnog handhavend is opgetreden, is het beroep niet ontvankelijk. Het hieraan connexe verzoek om voorlopige voorziening wordt om die reden ook afgewezen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden;
- wijst het verzoek om toekennen van een dwangsom af.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen, staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/2672 en ROT 25/2673
uitspraak van de enkelvoudige kamer, tevens uitspraak van de voorzieningenrechter, van 28 mei 2025 in de zaken tussen
[eiseres], uit Haaksbergen, eiseres,(gemachtigde: [naam]),
en
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het handhavingsverzoek van 7 maart 2022.
- Bij brief van 7 maart 2022 heeft de gemachtigde van eiseres, voor zover hier van belang, de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) verzocht handhavend op te treden tegen zijn onderneming vanwege het verhandelen van melk ten behoeve van humane consumptie afkomstig van zoogkoeien waarvoor elke erkenning in het kader van de Warenwet / hygiënepakket ontbreekt waardoor wordt gehandeld in strijd met Verordening (EG) 852/2004 en 853/2004.
Bij brief van 20 mei 2022 heeft het COKZ gereageerd op dit verzoek. Daarin heeft het COKZ onder meer overwogen dat niet is gebleken dat eiseres erkenningsplichtig is op basis van Verordening (EG) 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4 van Verordening (EG) 853/2004. Het COKZ kan derhalve niet handhavend optreden in verband met de erkenning van het bedrijf in het kader van de Warenwet / hygiënepakket. Wel dient de onderneming in verband met Verordening (EG) 852/2004 en 953/2004 te worden aangemeld voor registratie in verband met enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen. Het COKZ heeft eiser verzocht zijn bedrijf binnen een termijn van zes weken aan te melden voor registratie. Indien daartoe niet wordt overgegaan, zal worden overgegaan tot handhaving indien uit inspectie blijkt dat er sprake is van een overtreding.
Bij brief van 16 december 2024 heeft eiseres het COKZ in gebreke gesteld. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het COKZ in voormelde brief van 20 mei 2022 heeft aangekondigd handhavend op te zullen treden als de onderneming niet binnen zes weken overgaat tot aanmelding voor registratie. Daaraan is tot op heden volgens eiseres nooit uitvoering gegeven waardoor verweerder in gebreke is.
Eiseres heeft bij de rechtbank Overijssel beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn handhavingsverzoek (ROT 25/2672). Eiseres heeft hangende het beroep niet tijdig beslissen tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend
(ROT 25/2673).
Omdat de rechtbank Rotterdam bevoegd is het beroep te behandelen heeft de rechtbank Overijssel het beroep doorgezonden aan de rechtbank Rotterdam.
Beoordeling door de rechtbank
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.[_9ae4990a-9a66-4a7e-9f3d-f7c58f89071f]
4. Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat het beroep in dit geval kennelijk niet-ontvankelijk is, doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Daarbij acht de rechtbank van belang dat zij partijen in het kader van efficiency om verhinderdata heeft gevraagd, maar omdat partijen daarmee niet zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen staat dat het doen van uitspraak zonder zitting niet in de weg.
5. De rechtbank stelt vast dat, nadat eiseres onderhavig beroep heeft ingesteld, bij besluit van 16 mei 2025 aan de handelsmaatschappij een boete is opgelegd van € 525,- omdat de onderneming als exploitant van een levensmiddelenbedrijf in de Gemeenschap vervaardigde producten, van dierlijke oorsprong in de handel heeft gebracht, die bewerkt en gehanteerd zijn in een inrichting die niet bij de bevoegde autoriteiten is geregistreerd. Daarmee is alsnog handhavend opgetreden, zoals door eiseres beoogt in haar brief van 7 maart 2022. Dit betekent dat het procesbelang van eiseres bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek is komen te ontvallen.
6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat het besluit is genomen na het instellen van het beroep moet verweerder, als handhavende instantie, het griffierecht aan eiseres vergoeden.
7. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres verzonden ingebrekestelling van 16 december 2024 onredelijk laat is ingediend, zodat verweerder geen dwangsom is verschuldigd. Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat in de term «onredelijk» weliswaar ruimte zit voor interpretatie, maar omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, mag worden aangenomen dat deze zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen (vgl. TK 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 5). Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (vgl. TK 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 13).
In dit geval bedraagt het tijdsverloop sinds de indiening van het handhavingsverzoek van 7 maart 2022 ruim 33 maanden. Dat is aanzienlijk langer dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. Uit het dossier blijkt weliswaar dat in deze periode een procedure heeft gelopen over het al dan niet terecht registreren van de handelsmaatschappij van eiser als levensmiddelenbedrijf, maar ook als de rechtbank daarmee rekening houdt is zij van oordeel dat de ingebrekestelling van 16 december 2024 onredelijk laat is ingediend. Het COKZ heeft immers naar aanleiding van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 10 oktober 2023[_68f0262a-8cf2-446f-af48-6954b4b72c80] bij besluit van 2 april 2024 de door haar verrichte registratie herroepen. Sindsdien zijn bijna acht maanden verstreken, zonder dat is gebleken dat eiser de ingebrekestelling niet eerder heeft kunnen indienen. Omdat sprake is van een onredelijk laat ingediende ingebrekestelling is de rechtbank van oordeel dat daardoor geen dwangsom is verschuldigd.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
8. Eiser heeft hangende het beroep niet tijdig beslissen tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden;
- wijst het verzoek om toekennen van een dwangsom af.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen, staat geen rechtsmiddel open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.