Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 31 januari 2025

ECLI:NL:RBROT:2025:2950Zaaknummer C/10/692266 / JE RK 25-42

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31 januari 2025
Publicatiedatum
12 mei 2025
Zaaknummer
C/10/692266 / JE RK 25-42
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 september 2025;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2025.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 Het standpunt van de moeder
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/692266 / JE RK 25-42

Datum uitspraak: 31 januari 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [voornaam minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E. Janse, kantoorhoudende in Rotterdam.

[pleegvader] en [pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
  • de brief van de pleegouders van 28 januari 2025.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A].

1.3.

De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.

1.4.

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen aan een vriendin van de moeder.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige].

2.2.

[voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

2.3.

Bij beschikking van 9 september 2024 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 9 september 2025. Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 9 maart 2025.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden (tot het einde van de ondertoezichtstelling). De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] woont ruim een jaar in het pleeggezin. Uit telefonische contactmomenten tussen [voornaam minderjarige] en de moeder blijkt dat de moeder moeite heeft om aansluiting te vinden bij [voornaam minderjarige]. Tijdens fysieke ontmoetingen houdt de moeder afstand van de pleegmoeder, waardoor er weinig zicht is op de situatie. Om die reden is het belangrijk om begeleide contactmomenten in te zetten. Dit stelt de hulpverlening in staat om te observeren en de moeder te ondersteunen in het beter aansluiten bij [voornaam minderjarige]. Op basis van deze observaties is het plan om een NIKA-traject te starten, met als doel een mogelijke terugkeer van [voornaam minderjarige] naar huis. In de komende zes maanden moet duidelijk worden of thuisplaatsing haalbaar is en welke ondersteuning daarvoor nodig is. Er blijven zorgen over de mate waarin de moeder gesprekken, verwachtingen en afspraken begrijpt en onthoudt.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

Door en namens de moeder wordt het volgende naar voren gebracht. De moeder wil dat [voornaam minderjarige] terug naar huis komt en is ervan overtuigd dat zij in staat is om voor hem te zorgen. Omdat de moeder [voornaam minderjarige] weinig ziet, vindt zij het lastig om te bepalen waarover zij met hem moet praten. Op dit punt kan zij begeleiding gebruiken. Afspraken en verwachtingen blijven niet altijd goed hangen bij de moeder. Het is aan de GI om scherpere afspraken te maken en meer focus te houden.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_cf30e12e-750e-45da-86f8-b80da1c43a19] De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

5.2.

Op 9 september 2024 heeft de kinderrechter [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld en een machtiging verleend om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen bij de pleegouders (waar hij op dat moment al in het vrijwillig kader verbleef). Er was bij de moeder sprake van een instabiele opvoedsituatie met emotionele en fysieke onveiligheid voor [voornaam minderjarige]. De moeder lijdt aan PTSS en heeft een conversiestoornis. Haar beperkte draagkracht maakte dat zij de draaglast die de opvoeding van [voornaam minderjarige] meebrengt niet kon dragen. De afgelopen maanden zijn deze zorgen niet afgenomen. Moeder ontvangt nog geen behandeling en er is nog geen hulpverlening ingezet. Ook zijn er nog geen begeleide bezoeken tussen de moeder en [voornaam minderjarige]. Een terugkeer van [voornaam minderjarige] naar huis is op dit moment dan ook niet mogelijk. De moeder staat al geruime tijd onder grote stress en er moeten nog belangrijke stappen worden gezet voordat een veilige terugkeer van [voornaam minderjarige] in overweging kan worden genomen. De komende periode moet worden benut om hier concreet aan te werken. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zo snel mogelijk met de moeder stappen gaat zetten. Daarbij moet aan de moeder duidelijk worden gemaakt wat er van haar wordt verwacht voor een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige]. Er moeten in ieder geval zo spoedig mogelijk begeleide bezoeken worden opgestart en er moet meer zicht komen op de persoonlijke problematiek van de moeder. Daarna kan beoordeeld worden welke interventies passend zijn en aan welke voorwaarden de moeder moet voldoen om [voornaam minderjarige] weer bij haar te laten wonen. De kinderrechter verlengt de machtiging uithuisplaatsing tot 9 september 2025. Dit betekent niet dat [voornaam minderjarige] op die datum terugkeert naar huis. Mocht de GI vinden dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nodig is, dan zal er een nieuwe zitting komen waar daarover wordt beslist.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 september 2025;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2025.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.