Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Rotterdam, 20 maart 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:2407Zaaknummer C/10/671631 / HA ZA 24-38
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 20 maart 2024
- Publicatiedatum
- 8 april 2024
- Zaaknummer
- C/10/671631 / HA ZA 24-38
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vonnis in incident. Vrijwaring. Afwijzing.
De rechtbank:
in het incident
wijst de eis af;
veroordeelt [gedaagde1] in de proceskosten, die aan de kant van [eisende partij] tot vandaag worden begroot op € 614,00;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2024 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde1];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.
3340 / 3195
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/671631 / HA ZA 24-38
Vonnis in incident van 20 maart 2024
in de zaak van
1 [eiser1],
woonplaats: Den Haag,
2. [eiser2],
statutaire vestigingsplaats: Den Haag,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. Z.H. van Dorth tot Medler te Rotterdam,
tegen
[gedaagde1],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. S.D. Bakker te Amsterdam.
De partijen worden hierna voor zover afzonderlijk bedoeld ‘ [eiser1] ’, ‘ [eiser2] ’ en ‘ [gedaagde1] ’ genoemd. Eisers in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk ook ‘ [eisende partij]’ genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2023, met producties 1 tot en met 5;
- de incidentele conclusie van eis tot vrijwaring van [gedaagde1];
- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident.
2 De beoordeling in het incident
Waar gaat de hoofdzaak over?
In de hoofdzaak eist [eiser1] betaling van € 60.000,00 en [eiser2] van € 6.775,47 van [gedaagde1], beide te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde1] heeft nog niet op deze eisen gereageerd.
Waar gaat het incident over?
In het incident eist [gedaagde1] dat hij FinaFit B.V. (hierna ‘Finafit’) in vrijwaring mag oproepen. Hij voert daartoe aan dat [eiser1] en [gedaagde1] hebben samengewerkt in – onder meer – (de rechtsvoorganger van) [eiser2] en FinaFit. [gedaagde1] stelt dat is afgesproken dat zijn huis als kantoor voor die bedrijven zou worden gebruikt. [gedaagde1] zou daar huur voor ontvangen (inmiddels totaal € 69.000,00), maar die is nooit betaald. [eiser1] heeft toegezegd dat de huur vanuit FinaFit zou worden betaald. [gedaagde1] heeft dus nog een vordering op FinaFit die verknocht is aan de eisen van [eisende partij] in de hoofdzaak. Volgens [gedaagde1] ligt het daarom om proceseconomische redenen voor de hand om [gedaagde1] FinaFit in vrijwaring op te laten roepen.
[eisende partij] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
De eis in het incident wordt afgewezen
De rechtbank staat [gedaagde1] niet toe om FinaFit in vrijwaring op te roepen. [gedaagde1] stelt namelijk alleen dat hij een (volgens hem verknochte) vordering op FinaFit heeft. Om iemand in vrijwaring op te mogen roepen, is echter nodig dat (tenminste wordt gesteld dat) sprake is van een rechtsverhouding die voor FinaFit een verplichting tot vrijwaring van [gedaagde1] meebrengt. Dat heeft [gedaagde1] niet gesteld en dat volgt ook niet uit wat [gedaagde1] wel heeft gesteld.
[gedaagde1] moet de proceskosten in het incident van [eisende partij] betalen
[gedaagde1] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en daarom moet hij de proceskosten in het incident betalen. De rechtbank begroot die kosten aan de kant van [eisende partij] tot vandaag op € 614,00 aan salaris advocaat (één punt in tarief II).
3 De beslissing
De rechtbank:
in het incident
wijst de eis af;
veroordeelt [gedaagde1] in de proceskosten, die aan de kant van [eisende partij] tot vandaag worden begroot op € 614,00;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2024 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde1];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.
3340 / 3195
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.