Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Rotterdam, 14 juni 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:4897Zaaknummer ROT 21/5226
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 14 juni 2023
- Publicatiedatum
- 21 juni 2023
- Zaaknummer
- ROT 21/5226
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nieuwe beslissing op bezwaar waar eiser het ook niet mee eens was. Eiser heeft daarna het beroep alsnog ingetrokken met een verzoek om een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. In het verzetschrift dient ook te worden aangegeven of een partij wenst te worden gehoord op een zitting. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/5226
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2023 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. I. van Medenbach de Rooij),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Smith).
Inleiding
Met het primaire besluit van 19 april 2021 heeft verweerder bepaald dat verzoeker zijn Wajonguitkering niet kan exporteren naar het buitenland.
Met het bestreden besluit I van 27 augustus 2021 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, en medegedeeld dat het bezwaar van verzoeker alsnog inhoudelijk wordt behandeld.
Op 25 november 2022 heeft verweerder het bestreden besluit II genomen en het bezwaar van verzoeker (tegen het primaire besluit) ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij zich ook met het bestreden besluit II niet kan verenigen, heeft zijn beroep gehandhaafd, en heeft tegen het bestreden besluit II gronden ingediend.
Hierop heeft verweerder gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
Op 10 mei 2023 heeft verzoeker het beroep alsnog ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten voor het instellen van beroep tegen bestreden besluit I. Hierop heeft verweerder instemmend gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb[_9e9900ea-417e-4fca-88c3-1ae19637619f] zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb[_90b2c4ed-e0f2-4590-9614-c9fa239d99bd].
2. Nu het beroep tegen bestreden besluit I terecht werd ingesteld, zal het verzoek als kennelijk gegrond worden toegewezen. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). De waarde van 1 punt is € 837,- en de wegingsfactor is 1.
3. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. In het verzetschrift dient ook te worden aangegeven of een partij wenst te worden gehoord op een zitting. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.