Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 5 januari 2022

ECLI:NL:RBROT:2022:43Zaaknummer 20/6508

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
5 januari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
20/6508
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het beroep is terecht ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Er is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verzet ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van mr.C.I. Kieviet, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2022.

De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam opposante], te [woonplaats opposante], opposante
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/6508 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2022 op het verzet van

[naam opposante], te [woonplaats opposante], opposante

(gemachtigde: mr. R. Moghni).

Procesverloop

Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam van 30 oktober 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 19 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

De rechtbank heeft het verzet op 26 november 2021 op zitting behandeld. Opposante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Talhaoui, als waarnemer voor haar gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 19 mei 2021 het beroep van opposante terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan is het verzet gegrond en moet nader onderzoek plaatsvinden.

2. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 mei 2021 het beroep kennelijk ongegrond verklaard. De brief van 25 september 2020 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat de brief niet is gericht op enig rechtsgevolg. De inhoud van de brief brengt namelijk geen wijziging van de rechtspositie van eiseres met zich.

3. Opposante voert in verzet aan dat de rechtbank het ingestelde beroep ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard omdat het besluit van 25 september 2020 wel is gericht op rechtsgevolg. De reden daarvoor is dat met voornoemd besluit aan opposante de verplichting wordt opgelegd om een krediethypotheek op te leggen, en er anderszins drastische maatregelen worden opgelegd. Dat is door de rechtbank miskend, omdat opposante ten onrechte niet is gehoord. Ter zitting is nog toegelicht dat de drastische maatregelen waarop wordt gewezen bestaan uit het feit dat als opposante de krediethypotheekovereenkomst niet tekent, zal worden overgegaan tot terugvordering van het bedrag van € 30.991,41.

4. Naar het oordeel van de rechtbank dient de vraag of de rechtbank in haar uitspraak van 19 mei 2021 terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan, bevestigend te worden beantwoord. De rechtbank is in haar uitspraak gemotiveerd ingegaan op de vraag of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De stelling van opposante dat de brief wel rechtsgevolg heeft omdat zij verplicht wordt de krediethypotheekakte te ondertekenen en dat anders de bijstand ter hoogte van € 30.991,41 zal worden teruggevorderd is daarbij meegewogen. Dit heeft echter niet tot een ander oordeel geleid. In verzet zijn geen gronden aangevoerd die meebrengen dat het oordeel in voormelde uitspraak, dat over de uitkomst in redelijkheid geen twijfel mogelijk is, niet juist is. Opposante heeft immers geen nieuwe gronden aangevoerd die betrekking hebben op de vraag of de brief van 25 september 2020 een besluit is.

5. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 mei 2021. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van mr.C.I. Kieviet, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2022.

De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.