Uitspraak · Mededingingsrecht

Rechtbank Rotterdam, 18 november 2021

ECLI:NL:RBROT:2021:13750Zaaknummer ROT 21/276 e.a.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
1 september 2023
Zaaknummer
ROT 21/276 e.a.
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht, Bestuursrecht, Europees bestuursrecht, Bestuursrecht, Mededingingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft partijen aan het einde van de zitting van 8 juli 2021 in de zaken tegen de lastoplegging voorgehouden dat zij vooralsnog voornemens is de (directe) beroepen tegen dat besluit gegrond te verklaren en dat om die reden de zitting niet wordt voortgezet om de beroepen tegen het publicatiebesluit te behandelen. Het onderzoek is om die reden in alle zaken gesloten. Gelet op de uitspraak van heden (ECLI:NL:RBROT:2021:13748), waarbij de rechtbank de lastoplegging heeft vernietigd, kan het publicatiebesluit geen stand houden.

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzitter, en mr. E. Lunenberg en

mr. C.J. Wolswinkel, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 november 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Rechtsmiddel

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 21/276, ROT 21/278 en ROT 21/280

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2021 in de zaken tussen

Mastercard Europe S.A. (Mastercard), te Waterloo (België),

gemachtigden: mr. D.P. Kuipers, mr. P.M. Waszink, en mr. J. van Roosmalen

International Card Services B.V. (ICS), te Diemen,

gemachtigden: mr. J.C.M. van der Beek, mr. J.A. van Horzen, mr. J.H.A. van der Grinten en mr. J.P. Postma

Magazijn “De Bijenkorf” B.V. (de Bijenkorf), te Amsterdam,

gemachtigden: mr. J.M.M. van de Hel en mr. R. Rampersad,

en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,

gemachtigden: mr. F. van der Kraan, mr. R. Rodenrijs en mr. C. Vermeulen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft de ACM aan Mastercard en aan ICS een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekt dat Mastercard aan ICS in het kader van hun bestaande en toekomstige samenwerking geen vergoeding betaalt die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 4 in verbinding met artikel 5 van Verordening (EU) 2015/751, dat ICS van Mastercard in het kader van hun bestaande en toekomstige samenwerking geen vergoeding verlangt (en ontvangt) die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde en dat ICS in het kader van de co-brandingsamenwerking met de Bijenkorf aan laatstgenoemde geen vergoeding betaalt die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde. Bij het niet tijdig opvolgen van de last verbeuren Mastercard en ICS per dag of gedeelte daarvan een dwangsom van € 250.000 tot een maximum van € 5 mln.

Bij besluit van 7 december 2020 (het bestreden besluit) heeft de ACM besloten een geschoonde versie van het besluit van 22 oktober 2020 te publiceren.

Mastercard, ICS en Bijenkorf hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de ACM verzocht toepassing te geven aan artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetgeen de ACM heeft gedaan. Zij heeft de bezwaarschriften doorgestuurd aan de rechtbank om die als beroepschriften in behandeling te nemen. Voorts heeft de ACM besloten de feitelijke publicatie uit te stellen totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft partijen aan het einde van de zitting van 8 juli 2021 in de zaken tegen het besluit van 22 oktober 2020 voorgehouden dat zij vooralsnog voornemens is de (directe) beroepen tegen dat besluit gegrond te verklaren en dat om die reden de zitting niet wordt voortgezet om de beroepen tegen het bestreden besluit te behandelen. Het onderzoek is om die reden in alle zaken gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op de artikelen 12u en 12v van de Instellingswet is de ACM gehouden het besluit van 22 oktober 2020 met gedeeltelijke inachtneming van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar te maken, tenzij openbaarmaking naar het oordeel van de ACM in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan haar opgedragen toezicht op de naleving. Indien sprake is van een verplichting tot openbaarmaking van een sanctiebesluit – zoals hier het geval is – zal die verplichting slechts komen te vervallen indien het sanctiebesluit – in essentie – onrechtmatig wordt bevonden (vgl. ECLI:NL:CBB:2015:6 en ECLI:NL:CBB:2018:7).

2. Gelet op de uitspraak van heden (zaken ROT 21/275, ROT 21/277 en ROT 21/279), waarbij de rechtbank het besluit van 22 oktober 2020 heeft vernietigd, doet zich een dergelijke situatie voor. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden.

3. Vanwege samenhang met de zaken die zien op de lastoplegging is geen afzonderlijk griffierecht verschuldigd in deze zaken, zodat geen aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om in deze zaken een afzonderlijke proceskostenveroordeling uit te spreken nu dit reeds is gebeurd in de genoemde uitspraak van heden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzitter, en mr. E. Lunenberg en

mr. C.J. Wolswinkel, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 november 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.