Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Rotterdam, 10 oktober 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:9576Zaaknummer 8135785 CV EXPL 19-46962
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 10 oktober 2020
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2020
- Zaaknummer
- 8135785 CV EXPL 19-46962
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Na tussenvonnis. Niet voldaan aan bewijsopdracht. Vordering afgewezen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt ING in de proceskosten, in deze procedure aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
41645
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8135785 CV EXPL 19-46962
uitspraak: 9 oktober 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ING Bank B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
die procedeert in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ING’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 mei 2020 en de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlating van ING ter griffie ingekomen op 14 mei 2020 waarin zij kenbaar maakt bewijs te willen leveren;
- de rolbeslissing van 29 mei 2020;
- de akte bewijslevering van ING ter griffie binnengekomen op 11 juni 2020
- de rolbeslissing van 17 juli 2020;
- de akte uitlaten van [gedaagde] van 10 augustus 2020.
Het vonnis is nader bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Bij tussenvonnis van 1 mei 2020 is ING in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij op 7 juni 2012 een opeisbrief heeft verzonden die [gedaagde] ook heeft bereikt, alsmede dat zij tijdig een of meerdere brieven heeft gestuurd waarin zij haar recht op nakoming uitdrukkelijk heeft voorbehouden en die [gedaagde] heeft of hebben bereikt, waardoor een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen.
ING heeft bij haar akte bewijslevering een overzicht met betalingen uit 2011 en 2012 in het geding gebracht. Ook heeft zij een telefoonnotitie uit 2018 in het geding gebracht dat een weergave is van een gesprek tussen ING en [gedaagde] over het (niet kunnen) betalen van de schuld door [gedaagde].
[gedaagde] betwist dat zij op de hoogte was van de vordering, zodat zij ook geen telefonisch contact daarover met ING heeft gehad. Zij betwist in 2011 en 2012 betalingen te hebben gedaan.
ING heeft met de door haar ingediende stukken niet bewezen dat zij de hiervoor bedoelde brieven heeft verzonden, laat staan dat deze brieven [gedaagde] hebben bereikt. Daarbij wordt opgemerkt dat indien de brief van 2 oktober 2018 [gedaagde] zou hebben bereikt en zij als reactie daarop zou hebben gebeld, de vordering op dat moment al was verjaard. De vordering wordt afgewezen.
ING zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aangezien [gedaagde] zelf, zonder gemachtigde, heeft geprocedeerd en zij geen griffierecht is verschuldigd worden deze proceskosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt ING in de proceskosten, in deze procedure aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
41645
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.