Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 22 september 1999

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681Zaaknummer 98/2884 ALGEM

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/2884 ALGEM
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

-

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. I.B.N. Keizer als rechter in tegenwoordigheid van mr. A. Wolfs als

griffier en uitgesproken in het openbaar d.d.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na

de datum van toezending hoger beroep instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden:

JvdS

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. I. PROCESVERLOOP
  2. II. OVERWEGINGEN
  3. III. BESLISSING

445 / Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 98/2284 ALGEM

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) in het geschil tussen

A B.V., gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde G.J. Starink,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder,

in dezen vertegenwoordigd door GAK Nederland BV,

gemachtigde mr. J.J. Scholtes.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluiten van 20 oktober 1997 heeft verweerder ten laste van eiseres correctienota's

vastgesteld terzake over de jaren 1992 tot en met 1996 door eiseres verschuldigde

premies ingevolge de werknemersverzekeringen.

Tegen dit besluit is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 23 februari 1998 heeft verweerder dat bezwaarschrift niet-ontvankelijk

verklaard.

Op de daartoe uiteengezette gronden is namens eiseres tegen laatstgenoemd besluit

beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en -kennelijk- te

bepalen dat alsnog inhoudelijk op het bezwaarschrift moet worden beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarna eiseres nog schriftelijk heeft

gereageerd. Hierna heeft verweerder nog een schriftelijke vraagstelling van de rechtbank

beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 1999, waar eiseres zich niet heeft laten

vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht

en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat het bezwaarschrift van eiseres pas na

afloop van de bezwaartermijn is ingediend en dat er niet gebleken is van bijzondere

omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding niet aan eiseres zou

moeten worden tegengeworpen.

Namens eiseres is aangevoerd dat het bezwaarschrift wel tijdig, voor afloop van de

bezwaartermijn, is verzonden aan verweerder. Eiseres is derhalve van oordeel dat haar

geen termijnoverschrijding te verwijten valt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een

bezwaarschrift tegen een besluit aan met ingang van de dag na die waarop het

betreffende besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Voorts bepaald artikel

3:41 van de Awb dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending

daarvan aan de belanghebbende.

De correctienota's waar het bezwaarschrift van eiseres zich tegen richt dateren van

maandag 20 oktober 1997. Tussen partijen is niet in geschil dat deze besluiten op

diezelfde dag aan eiseres zijn verzonden. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen bezwaar

kon worden gemaakt in het onderhavige geval is aangevangen op dinsdag 21 oktober

1997.

Volgens artikel 6:7 van de Awb bedraagt de bezwaartermijn zes weken, zodat eiseres tot

en met maandag 1 december 1997 haar bezwaarschrift kon indienen.

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien

het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift dat ter post is

verzonden tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd,

mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Volgens het door de postkamer van verweerder geplaatste poststempel is het

bezwaarschrift pas op dinsdag 15 december 1997, derhalve ruim twee weken na afloop

van de bezwaartermijn, door verweerder ontvangen. De rechtbank heeft in de

gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden om

deze ontvangstdatum, welke van de zijde van eiseres overigens ook niet is bestreden,

onjuist te achten. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift zo laat is ontvangen dat geen sprake

meer is van een tijdige indiening in de zin van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb dient niet-ontvankelijkverklaring van een te laat

ingediend bezwaarschrift achterwege te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden

geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De rechtbank is van oordeel dat in het

onderhavige geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de

termijnoverschrijding niet aan eiseres zou moeten worden toegerekend. Meer in het

bijzonder is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de

postbezorging door de PTT meer dan twee weken in beslag heeft genomen. Het namens

eiseres overgelegde krantenartikel over vertraagde postbezorging in Brabant heeft de

rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen, reeds omdat het bezwaarschrift

niet in Brabant maar ten kantore van verweerder in Amsterdam moest worden bezorgd.

Bovendien handelt dat artikel kennelijk over problemen in het voorjaar van 1998 en niet

over het najaar van 1997, en zijn aan het artikel geen aanknopingspunten te ontlenen

voor de stelling dat de vertragingen ruim twee weken konden belopen.

Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is geworden dat de toenmalige

gemachtigde van eiseres het bezwaarschrift vóór het einde van de beroepstermijn ter

post heeft bezorgd. Het feit dat verweerder de envelop waarin het beroepschrift is

verzonden niet meer over heeft kunnen leggen heeft de rechtbank niet tot een ander

oordeel kunnen brengen. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat eiseres onduidelijkheid

omtrent de verzenddatum had kunnen wegnemen door een andere wijze van verzending

te kiezen, bijvoorbeeld per aangetekende post. Een dergelijke wijze van verzending kan

wanneer het gaat om een bezwaar- of beroepschrift eerder worden gevergd dan wanneer

het gaat om bijvoorbeeld formulieren als aan de orde in de uitspraak van de Centrale

Raad van Beroep van 29 oktober 1998, Uitspraken Sociale Zekerheid 1998, 321. De

rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in het onderhavige geval aan het ontbreken

van de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden de conclusie te verbinden dat het

bezwaarschrift tijdig is ingediend, zoals in de laatstgemelde uitspraak ten aanzien van de

daar aan de orde zijnde formulieren wel is gebeurd.

De rechtbank merkt voorts nog op dat bezwaar- en beroepstermijnen volgens vaste

rechtspraak met het oog op belangen van rechtszekerheid strikt moeten worden

gehanteerd.

De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht

wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het tegen

deze niet-ontvankelijkverklaring ingestelde beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te

spreken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. I.B.N. Keizer als rechter in tegenwoordigheid van mr. A. Wolfs als

griffier en uitgesproken in het openbaar d.d.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na

de datum van toezending hoger beroep instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden:

JvdS

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.