Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6496Zaaknummer 12372462 \ CV EXPL 26-2984
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12372462 \ CV EXPL 26-2984
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Enschede
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gedaagden huren een bedrijfsruimte van verhuurder Er is een huurachterstand van bijna acht maanden. verhuurder vordert o.a. ontruiming en betaling van de huurachterstanden. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.
6 De beslissing
De kantonrechter
In het incident
laat [eisers] toe zich als partij te voegen in de hoofdzaak aan de kant van [eiser 1],
wijst het meer of anders gevorderde af,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat alle partijen hun eigen proceskosten dragen,
In de hoofdzaak
veroordeelt gedaagden om de bedrijfsruimte staande en gelegen te [adres 1] met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser 1] te stellen, zulks met afgifte der sleutels aan [eiser 1],
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om te betalen aan [eiser 1]:
a. a) € 29.814,72 inclusief btw aan achterstallige huur tot en met 31 augustus 2026,
b) € 5.498,14 inclusief btw per maand vanaf 1 september 2026 tot aan de datum van dit vonnis,
c) € 1.800,00 aan contractuele boete,
veroordeelt gedaagden om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 1.073,15 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.914,98, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12372462 \ CV EXPL 26-2984
Vonnis in kort geding van 15 oktober 2026
in de zaak van
[eiser 1],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser 1],
gemachtigde: mr. M.B. Bollen,
tegen
1 [gedaagde 1],
te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],
te [vestigingsplaats 1],3. [gedaagde 3],
te [woonplaats 3],4. [gedaagde 4] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden,
procederend in persoon.
en in het incident tot voeging en tussenkomst van:
1 [eiser 2],
te [woonplaats 4],2. [eiser 3]
te [woonplaats 5],
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers]
gemachtigde: mr. drs. M. Wullink.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 13,
- de brief van [eisers] met de vordering tot voeging en tussenkomst van 28 september 2026,
- de conclusie van antwoord in het incident tot voeging en tussenkomst van [eiser 1] van 1 oktober 2026,
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2026. Hierbij is mr. M.B. Bollen verschenen namens [eiser 1]. [eiser 3] is eveneens verschenen. Verder is [gedaagde 1] verschenen. [gedaagde 3] en [naam 1] zijn eveneens verschenen waarbij [naam 1] ook namens [gedaagde 4] B.V. is verschenen. Namens [gedaagde 2] zijn [gedaagde 3] en [naam 1] verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De zaak in het kort
Gedaagden huren een bedrijfsruimte van [eiser 1]. Er is een huurachterstand van bijna acht maanden. [eiser 1] vordert daarom de ontruiming en betaling van de huurachterstand, contractuele boetes, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.
3 De feiten
[eiser 1] is deelgenoot van de gemeenschappelijke onroerende zaak staande en gelegen te [adres 1] (hierna: het gehuurde). Het gehuurde betreft een 290-bedrijfsruimte.
Met ingang van 1 maart 2011 heeft [eiser 1] het gehuurde verhuurd aan de vennootschap onder firma [bedrijf 1] (en diens vennoten). In de huurovereenkomst staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) 11.2 De verhuurder stemt ermee in dat meer of andere vennoten toetreden tot de vennootschap van huurder. De aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot eindigt na verloop van één jaar na de dag van mededeling van de uittreding bij aangetekend schrijven aan de verhuurder, van de inschrijving der uittreding in het handelsregister.(..)
Partijen hebben op 31 januari 2023 een allonge opgesteld, waarbij de vennootschap onder firma [bedrijf 2] h.o.d.n. [bedrijf 2], de heer [naam 2] alsmede [bedrijf 3] B.V. in de hoedanigheid van huurders zijn komen te verkeren. In de Allonge staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) De huurders van het pand [adres 1] met betrekking tot het op 27 juni 2011 gesloten huurcontract zijn; de vennootschap onder firma [bedrijf 2], de heer [naam 2] alsmede [bedrijf 3] BV ten deze vertegenwoordigd door [naam 3] [naam 2], die vanaf datum ondertekening van deze huurovereenkomst in alle rechten en plichten treden en hiervoor genoemde huurovereenkomst, welke een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van deze overeenkomst.
Op 9 april 2024 heeft [eiser 1] een brief ontvangen van [naam 3] en [naam 2]. Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) Hierbij laat ik ([naam 3]) u weten dat er wijzigingen zijn in VOF-[bedrijf 2]. Per 1 april 2024 heeft de heer [gedaagde 3], [adres 2], [bedrijf 3] BV gekocht van de heer [naam 3]. Verder trad de heer [gedaagde 1], [adres 3], in VOF-[bedrijf 2] toe in plaats van de heer [naam 2].
Hiervoor hebben wij gebruik gemaakt van artikel 11.2 van de huurovereenkomst.(…)
In september 2024 en april 2025 heeft [eiser 1] in verband met een huurachterstand een sommatiebrief verzonden aan de vennootschap onder firma [bedrijf 2] en diens (voormalig) vennoten: [bedrijf 3] B.V (t.a.v. [naam 3] en [gedaagde 3]), [gedaagde 1] en [naam 2]. De huurpenningen zijn daarna alsnog voldaan.
[eiser 1] heeft op enig moment in 2026 geconstateerd dat de vennootschap onder firma [bedrijf 2], de contractuele huurder, per 11 februari 2026 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is uitgeschreven. Verder stond [gedaagde 1] niet langer als vennoot van [bedrijf 2] ingeschreven in het handelsregister, maar de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 4] B.V.
Sinds begin 2026 wordt het gehuurde feitelijk geëxploiteerd door [gedaagde 2].
De huurpenningen over de maanden februari 2026 tot en met augustus 2026 zijn onbetaald gebleven. Op 15 juli 2026 heeft [eiser 1] zowel de contractuele huurders, de vennoten van [bedrijf 2] ex. artikel 18 Wvk, als de feitelijke gebruikers van het gehuurde aangeschreven ter zake de openstaande huurpenningen.
Per e-mail van 27 augustus 2026 heeft [eiser 1] zich op het standpunt gesteld dat tussen hem en [gedaagde 2] geen huurovereenkomst of andere gebruikstitel bestaat en dat [gedaagde 2] het gehuurde derhalve zonder recht of titel in gebruik heeft.
4 Het geschil
In de incidenten tot voeging en tussenkomst
[eisers] vorderen, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, bepaalt dat zij in het kortgeding worden toegelaten als voegende en tussenkomende partijen.
[eisers] leggen aan deze vorderingen ten grondslag dat zij mede-eigenaar van het gehuurde zijn en om die reden een zeer wezenlijk en reëel belang hebben in de onderhavige procedure. [eisers] stellen dat zij bij herhaling om rekening en verantwoording ex artikel 3:173 BW en uit hoofde daarvan betaling hebben gevraagd aan [eiser 1]. [eisers] stellen dat zij een opeisbare vordering hebben op [eiser 1]. Verder vorderen zij informatie van [eiser 1] in het kader van de rekening en verantwoording.
[eiser 1] heeft geen bezwaar tegen de gevorderde voeging. Tegen de gevorderde tussenkomst maakt [eiser 1] wel bezwaar. De ingediende vorderingen zien op een interne afrekening tussen deelgenoten. Die rechtsverhouding is een andere dan de rechtsverhouding die in de hoofdzaak tussen [eiser 1] en gedaagden voorligt.
In de hoofdzaak
[eiser 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser 1] te stellen, met afgifte van de sleutels aan [eiser 1];
II. gedaagden sub 1 en 4 hoofdelijk op grond van de huurovereenkomst c.q. ex artikel 18 WvK dan wel gedaagden sub 2, 3 en 4 op grond van een gebruiksovereenkomst hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen het bedrag van € 29.814,72 excl. btw aan achterstallige huur t/m augustus 2026, vermeerderd met € 5.498,14 excl. BTW per maand aan huurpenningen tot aan de datum van het vonnis, en € 1.800,- aan reeds opeisbare contractuele boetes (vermeerderd met de contractuele boete van € 300,00 per maand of gedeelte van een maand ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode, dan wel de wettelijke (handels)rente;
III. gedaagden te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.073,15;
IV. gedaagden te veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[eiser 1] legt aan de vordering ten grondslag dat er inmiddels een huurachterstand is van bijna 8 maanden. De contractuele huurders dan wel de vennoten ex artikel 18 Wetboek van Koophandel zijn gehouden de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen volledig en tijdig na te komen. Dat hebben zij niet gedaan. De contractuele huurders zijn ernstig tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de huurachterstand. De omvang en duur van de huurachterstand maken voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst op grond van deze tekortkomingen zal ontbinden.
Gedaagden voeren verweer. De hoogte van de huurachterstand en de contractuele boetes staat tussen partijen niet ter discussie. Gedaagden stellen zich echter op het standpunt dat het ontbreken van een allonge van de zijde van [eiser 1] heeft geleid tot complicaties bij het verkrijgen van een vergunning voor kansspelautomaten. Voorts betwist [gedaagde 1] zijn gehoudenheid tot betaling van de huurachterstand, aangezien hij reeds een jaar is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
5 De beoordeling
In het incident
Een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (artikel 217 Rv). Voor het aannemen
van een belang bij zowel voeging als tussenkomst, moet de partij die aan het geding wenst
deel te nemen daarbij voldoende belang hebben in verband met de nadelige gevolgen die zij
van de uitspraak in de procedure kan ondervinden. Nadelige gevolgen kunnen zowel
feitelijk als juridisch zijn. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tijdig is
ingesteld (artikel 218 Rv), is die vordering in beginsel toewijsbaar. Onder omstandigheden
kunnen de eisen van een goede procesorde aan toewijsbaarheid in de weg staan.
Voeging
De kantonrechter oordeelt dat [eisers] voldoende onderbouwd hebben gesteld dat zij belang hebben bij voeging aan de zijde van [eiser 1]. [eisers] zijn mede eigenaar van het gehuurde. [eiser 1] heeft in de hoofdzaak vorderingen ingesteld over de huurachterstand en de ontruiming van het gehuurde. Een uitspraak in de procedure tussen [eiser 1] en gedaagden heeft dus ook gevolgen voor [eisers]
Tussenkomst
Het belang dat [eisers] aan de gevorderde tussenkomst ten grondslag legt, verschilt wezenlijk van het geschil in de hoofdzaak. Terwijl de hoofdzaak uitsluitend betrekking heeft op de huurrechtelijke rechtsverhouding tussen eiser en gedaagden, richt de beoogde tussenkomst zich op een andere rechtsstrijd. Het toestaan van tussenkomst zou leiden tot een onredelijke complexiteit en vertraging van de procedure.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten in dit incident gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
Toetsingskader
In een kort geding kan de kantonrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Voor geldvorderingen in kort geding geldt bovendien dat de kantonrechter terughoudend moet zijn bij de toewijzing daarvan. De kantonrechter zal niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is en of de gedaagde een spoedeisend belang heeft, maar neemt in de afweging van de belangen van partijen ook het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mee. Wanneer dit restitutierisico hoog is, kan dit bijdragen tot weigering van de voorziening.
Spoedeisend belang
[eiser 1] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagden de huur al langere tijd niet betalen en dat de huurachterstand oploopt. Hiermee is de spoedeisendheid gegeven.
De ontruiming
Gedaagden betwisten de vordering van [eiser 1] niet. Daarmee staat vast dat huurachterstand op dit moment bijna acht maanden bedraagt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden met grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de rechter in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding en ontruiming van de bedrijfsruimte zal toewijzen. De kantonrechter wijst de ontruiming toe. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
De huurachterstand
[eiser 1] stelt dat de huurachterstand tot en met augustus 2026 € 29.814,72 is. Het enkele feit dat een vennootschap onder firma uit een handelsregister wordt uitgeschreven en een andere ondernemer zich op hetzelfde adres vestigt, brengt niet mee dat de oorspronkelijke huurders daardoor van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst worden bevrijd. Van contractsovername is geen sprake. Daarvoor is ingevolge artikel 6:159 BW medewerking van [eiser 1] vereist. Die medewerking is niet verleend. Een formeel verzoek tot indeplaatstelling heeft evenmin plaatsgevonden. Dit alles is door gedaagden niet weersproken.
Ten opzichte van [gedaagde 1] geldt daarnaast dat ondanks zijn uitreden als vennoot van Restaurant Ugarit, zijn aansprakelijkheid voor deze schuld doorloopt. Ingevolge artikel 11.2 eindigt de aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot na verloop van één jaar na de dag van mededeling van de uittreding bij aangetekend schrijven aan de verhuurder, van de inschrijving der uittreding in het handelsregister. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] dit bij aangetekend schrijven aan [eiser 1] heeft gemeld. De kantonrechter volgt [eiser 1] dan ook in zijn stelling dat hoewel hij geen vennoot meer is, de aansprakelijkheid om die reden nog wel doorloopt. De overige gedaagden hebben niet betwist dat zij contractueel dan wel op grond van artikel 18 WvK als feitelijke gebruikers gehouden zijn tot het betalen van de huurpenningen. Gedaagden hebben de hoogte van de huurachterstand ook niet betwist. Gedaagden worden daarom veroordeeld om de huurachterstand aan [eiser 1] te betalen.
De vordering tot betaling van de huur tot aan de datum van het vonnis zal eveneens worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1] toegelicht dat dit een bedrag van € 5.498,14 per maand inclusief btw is.
De contractuele boete
In artikel 26.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen dat de huurders een boete van 2% per kalendermaand met een minimum van € 300,- over de verschuldigde huurprijs moeten betalen als zij de huur te laat betalen. [eiser 1] vordert betaling van gedaagden van deze boete van € 1.800,-. Gedaagden hebben dit niet betwist. De vordering wordt daarom toegewezen en gedaagden worden veroordeeld om dit bedrag aan [eiser 1] te betalen.
De buitengerechtelijke incassokosten
De incassokosten van € 1.073,15 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
De proceskosten
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 152,98 | |
| - griffierecht | € | 753,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 865,00 | |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.914,98 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijke veroordeling
De veroordelingen ten aanzien van de huurachterstand, de contractuele boetes en de huurpenningen tot aan de datum van dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. [eiser 1] heeft ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten niet gevraagd om een hoofdelijke veroordeling. Deze veroordeling wordt daarom niet hoofdelijk uitgesproken. Hoewel [eiser 1] evenmin expliciet heeft gevorderd gedaagden hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen, geldt in de rechtspraak (conform Hoge Raad ECLI:NL:HR:2022:1942 (https://www.google.com/url?sa=i&source=web&rct=j&url=CAESeQHrOzAVRvKDR_qsbo2jKt9iRntRDLHJXak4GBIVdFFLiK8_ILDGsH9fw53V0RDtbLJRWKu4XVYXUeRu7x_nerRVTGloz0Y7YLyF8CvlHh3Fbi-B5uTIABAirDDSInR8AgNmx-QrOp77ojujuq1cQSBdgzjBSqPxWzg&uoh=2&ved=2ahUKEwjC0Mbpu6eXAxVjR_4FHQh-DjIQy_kOegYIAAgMEAs&opi=89978449&cd&psig=AOvVaw2tDr-NV-JQQTkxkEF7XLPL&ust=1791447419065000)) als uitgangspunt dat bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn. De kantonrechter zal de proceskostenveroordeling daarom ambtshalve hoofdelijk uitspreken.
6 De beslissing
De kantonrechter
In het incident
laat [eisers] toe zich als partij te voegen in de hoofdzaak aan de kant van [eiser 1],
wijst het meer of anders gevorderde af,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat alle partijen hun eigen proceskosten dragen,
In de hoofdzaak
veroordeelt gedaagden om de bedrijfsruimte staande en gelegen te [adres 1] met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser 1] te stellen, zulks met afgifte der sleutels aan [eiser 1],
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om te betalen aan [eiser 1]:
a. a) € 29.814,72 inclusief btw aan achterstallige huur tot en met 31 augustus 2026,
b) € 5.498,14 inclusief btw per maand vanaf 1 september 2026 tot aan de datum van dit vonnis,
c) € 1.800,00 aan contractuele boete,
veroordeelt gedaagden om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 1.073,15 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.914,98, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 3:173 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 18 WvK meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 217 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 218 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:159 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:96 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119 BW meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.