Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6411Zaaknummer C/08/329694 / HA ZA 25-73
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/08/329694 / HA ZA 25-73
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
aanneemovereenkomst; schadevergoeding.
De rechtbank
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van € 13.226,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.005,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/329694 / HA ZA 25-73
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. E.F.E. van Essen,
tegen
1 [gedaagde 1],
te [woonplaats 2]2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. J.J.M.I. Kamsteeg.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 maart 2026- de akte van [eiseres]- de antwoordakte van [gedaagden]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Bij tussenvonnis van 4 maart 2026 heeft de rechtbank de vordering van [eiseres] voor een deel toewijsbaar geacht. Ten aanzien van twee posten is [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten. Dit betreft de onderdorpel en de tochtproblemen bij het plafond en de pui. [eiseres] heeft daartoe een akte genomen en [gedaagden] hebben daarop gereageerd.
De onderdorpel
In het vonnis van 4 maart 2026 heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat bij de onderdorpel sprake is van een gebrek. De door [gedaagden] aangebrachte onderdorpel vertoont kieren en er is sprake van tocht. De rechtbank is van oordeel dat dit een tekortkoming oplevert en dat deze tekortkoming ook aan [gedaagden] kan worden toegerekend. Partijen hebben zich uitgelaten over de kosten van herstel.
[eiseres] heeft aangevoerd dat enkel het vervangen van de onderdorpel niet mogelijk is en dat het gehele kozijn moet worden vervangen. Zij heeft twee verklaringen in het geding gebracht en een offerte, waaruit volgt dat Belisol het kozijn kan vervangen voor € 10.910,00. [eiseres] heeft zich niet uitgelaten over de kosten van herstel van enkel de onderdorpel.
[gedaagden] hebben betoogd dat vervanging van de onderdorpel voldoende is om het gebrek te herstellen en heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar een verklaring van [naam 1], in de persoon van ing. [naam 2]. Daarin herhaalt [naam 1] haar eerdere standpunt, te weten dat het vervangen van de hardhouten onderdorpel voldoende is voor herstel als de nieuwe onderdorpel correct wordt geplaatst, met het juiste afschot, een goede afdichting, bescherming tegen vocht en een kierdichte aansluiting op het kozijn. Zij schrijft ook dat dit een gebruikelijke oplossing is die in de praktijk vaak wordt toegepast.
[gedaagden] hebben de kosten van herstel laten berekenen door [naam 1] en hebben die kosten begroot op € 576,77.
De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat [gedaagden] de kosten moeten dragen van een geheel nieuw kozijn. Aan de hand van de documenten die [eiseres] in het geding heeft gebracht kan niet worden vastgesteld dat het vervangen van het gehele kozijn noodzakelijk is om het gebrek te herstellen. Dat volgt ten eerste niet uit de summiere en niet onderbouwde verklaringen van Belisol Apeldoorn en VKE Apeldoorn B.V. (hierna VKE). Uit de verklaring van VKE blijkt dat dit bedrijf gespecialiseerd is in kunststofkozijnen. VKE schrijft aan [eiseres]: “(…) als wij iets vervangen, dan vervangen wij het hele kozijn, inclusief glas etc.” Belisol heeft onder de noemer “Belisol Kozijnen & Deuren: offerte houten achterpui” een offerte gestuurd voor “het compleet vervangen van het kozijn” en merkt enkel op dat het “helaas niet mogelijk [is] om alleen de onderdorpel te vervangen”. Wat de reden daarvan is kan uit deze verklaringen niet worden opgemaakt. Dat herstel door vervanging van de onderdorpel technisch niet mogelijk is kan daaruit niet worden afgeleid. [eiseres] heeft bovendien nogmaals verwezen naar het rapport van Duvama, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Uit het rapport van Duvama volgt niet dat volledige vervanging van het kozijn nodig is om de gebreken te herstellen die in causaal verband staan met een tekortkoming van [gedaagden] Dat het kozijn in slechte staat verkeert kan zo zijn, maar dat betekent nog niet dat [gedaagden] de kosten van een nieuw kozijn moeten dragen. De rechtbank verwijst ook naar hetgeen zij in het tussenvonnis van 4 maart 2026 over het kozijn heeft geoordeeld (r.o. 5.16 en 5.17). In deze rechtsoverwegingen heeft de rechtbank bij bindende eindbeslissing overwogen dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagden] zich zouden inspannen om het oude raamkozijn te herstellen voor hergebruik en dat niet is gebleken dat zij zijn tekortgeschoten in de nakoming van die inspanningsverplichting. Op grond van de gemaakte afspraken mocht [eiseres] geen nieuwe pui verwachten.
Al met al heeft [eiseres] niet concreet kunnen maken dat vervanging van de onderdorpel niet volstaat om het gebrek te herstellen. Gelet op het al eerder bekende verweer van [gedaagden] (de verklaring van [naam 1]) mocht worden verwacht dat [eiseres], onder verwijzing naar een technische verklaring van een eigen partijdeskundige, concreet uiteen had gezet waarom een nieuwe hardhouten onderdorpel die correct wordt geplaatst, met het juiste afschot, een goede afdichting, bescherming tegen vocht en een kierdichte aansluiting op het kozijn, niet een afdoende oplossing voor het ontstane probleem zou vormen. Het innemen van algemene en niet onderbouwde stellingen volstaat daartoe niet.Aangezien [eiseres] slechts de kosten heeft begroot van een geheel nieuw kozijn en niet is overgegaan tot een begroting van de kosten van het deugdelijk aanbrengen van een nieuwe hardhouten onderdorpel met een kierdichte aansluiting op het kozijn, zal de rechtbank de begroting van [naam 1] volgen. De kosten worden begroot op € 567,77 (inclusief btw, bouwplaatskosten, algemene kosten, winst-risico en CAR).
De tocht bij plafond en pui
In r.o. 5.20 van het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat op [gedaagden] als aannemer de verplichting rust de werkzaamheden goed af te leveren. Aangezien sprake is van tocht onder het plafond en door de kieren is sprake van een tekortkoming en komen de herstelkosten voor rekening van [gedaagden] Partijen hebben zich uitgelaten over de herstelkosten.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de tocht een gevolg is van kieren in de pui en het onvoldoende dichtzetten van de spouw met isolatiemateriaal. Zij verwijst naar het eerdere rapport en een aanvullende verklaring van Duvama, waarin ook de kosten van herstel worden begroot.
[eiseres] heeft daarnaast een Meetrapport lekdetectie van de Lekdetectiecentrale in het geding gebracht, waaruit onder meer volgt dat sprake is van lekkages en vochtplekken. Aangezien bij tussenvonnis al bindende eindbeslissingen zijn genomen over de overige geschilpunten en [eiseres] zich slechts mocht uitlaten over de onderdorpel en de tochtproblemen, zal dit rapport enkel worden betrokken bij de beoordeling voor zover dit ziet op het tochtprobleem. Voor het overige zal dit rapport dus buiten beschouwing blijven.
Ten aanzien van het tochtprobleem volgt uit dit rapport dat sprake is van lekkende kozijnen in de pui.
[gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat alleen de kieren in de pui de oorzaak van de tocht zijn en dat deze kieren zijn veroorzaakt door het veelvuldig (de)monteren van de pui door vorige aannemers. Volgens [gedaagden] komt de tocht/koude lucht enkel door de kieren van de pui en staat onvoldoende vast dat de spouw een oorzaak is voor de tochtproblemen.
De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat sprake is van tocht en dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagden] De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op deze bindende eindbeslissing en blijft bij deze beslissing. Om de kosten van herstel te kunnen begroten dient te worden vastgesteld wat de (meest aannemelijke) oorzaak van het probleem is. Duvama heeft in haar eerste rapport van 12 oktober 2024 verklaard dat sprake is van isolatie onder het aangebrachte plafond “alleen tocht er koude lucht onder het plafond en door de kieren, de spouw is vermoedelijk niet goed is dichtgezet waardoor het door de spouw de woning in waait”. In haar aanvullende rapport verklaart zij ter verduidelijking dat de tocht ontstaat “doordat de isolatie niet volledig is aangebracht tot aan de onderzijde van het dakbeschot. Tussen de isolatie van het dak en de spouwmuur sluit niet goed aan, hierdoor heeft vanuit de spouw de wind vrije toegang tot onder het plafond”.
[gedaagden] hebben vervolgens niet (gemotiveerd) aangevoerd dat zij de spouw wel voldoende hebben geïsoleerd en afgedicht. Dat leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat de isolatie van de spouw niet volledig is aangebracht tot aan de onderzijde van het dakbeschot. [gedaagden] hebben ook niet gemotiveerd betwist dat de spouw (mede) de oorzaak is van de tochtproblemen. De enkele stelling dat dit niet kan worden vastgesteld is daarvoor niet voldoende. Dat de tocht uitsluitend te wijten is aan het herhaaldelijk (de)monteren van de pui wordt daarom niet gevolgd. Dat er kieren zijn ontstaan door hergebruik van de pui – wat daar ook van zij – doet niet af aan de verplichting van [gedaagden] om het werk goed af te leveren. Als een aannemer ervoor kiest om een pui te hergebruiken, mag in beginsel van hem worden verwacht dat hij ervoor zorgdraagt dat er geen kieren meer zijn.
[eiseres] begroot de kosten van herstel van de afdichting van de spouw onder verwijzing naar een rapport van Duvama op € 1.409,65 inclusief btw. [gedaagden] begroten de kosten van het herstel van de kieren in de pui op een bedrag van € 383,50. De kosten van het luchtdicht maken van de spouw worden begroot op € 1.079,48 (beide posten inclusief btw, bouwplaatskosten, algemene kosten, winst-risico en CAR). Nu niet in geschil is dat er kieren in de pui aanwezig zijn en hiervoor geoordeeld is dat de spouw luchtdicht moet worden gemaakt, zal de rechtbank de kosten van herstel begroten op € 1.462,98 (€ 383,50 + € 1.079,48).
De slotsom
Bij tussenvonnis is al geoordeeld dat diverse posten toewijsbaar zijn. Dit betreft erkende posten die zijn opgenomen in bijlage 1 bij het rapport van [naam 1]. De rechtbank is bij de begroting van de herstelkosten uitgegaan van de volgende bedragen: - dakafwerking inclusief dakranden € 4.150 (r.o. 5.10-5.13)
- latei boven het kozijn: € 1.000 (r.o. 5.15)
- vervangen gebarsten ruit € 360 (r.o. 5.18)
- herstellen stucwerk plafond € 860 (r.o. 5.21)
- tocht rondom de schakelaar € 500 (r.o. 5.22)
- stucwerk wanden € 540 (r.o. 5.23)
Totaal € 7.410 exclusief btw en exclusief bouwplaatskosten, algemene kosten, winstrisico en kosten CAR.
[eiseres] heeft er terecht op gewezen dat [gedaagden] bij conclusie van antwoord een deel van de gestelde gebreken hebben erkend en daar – door overlegging van en verwijzing naar het rapport van [naam 1] – een bedrag van € 11.195,45 inclusief btw aan hebben toegekend. Dit bedrag bestaat blijkens bijlage 1 bij het rapport van [naam 1] uit: I. de herstelkosten ten aanzien van de hiervoor in r.o. 2.12 genoemde posten, II. drie posten die in deze opsomming ontbreken te weten i) hemelwaterafvoer afstellen € 55, ii) dilatatie vrijhouden van metselmortel € 110 en iii) herstellen voegwerk (metselwerk) € 430 en III. de bouwplaatskosten, algemene kosten, winstrisico en kosten CAR.
Aangezien al deze in i) en ii) genoemde herstelkosten inclusief de onder iii) genoemde kosten uitdrukkelijk zijn erkend door [gedaagden] komen deze voor toewijzing in aanmerking.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden] het erkende bedrag van € 11.195,45 (inclusief btw en kosten) verschuldigd zijn en daarnaast aan [eiseres] de herstelkosten dienen te vergoeden die zien op de onderdorpel (€ 567,77) en de tochtproblemen (€ 1.462,98). Dat betekent dat een bedrag van € 13.226,20 toewijsbaar is.
Bij tussenvonnis is al geoordeeld dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de kosten van deskundigen zullen worden afgewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van verzuim, te weten 30 januari 2024.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het tarief voor het salaris van de advocaat is gebaseerd op het toewijsbare bedrag. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 136,72 | |
| - griffierecht | € | 1.374,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.306,00 | (2 punten × € 653,00) |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 3.005,72 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van € 13.226,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.005,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.