Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Overijssel, 22 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6373Zaaknummer 08.050170.26
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 08.050170.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich in 2004-2005 schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn destijds 12-jarige schoonzusje. De bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, vormen voldoende grondslag voor de vaststelling dat de verdachte meerdere keren met zijn vingers tussen de schaamlippen van de aangeefster is geweest. Dat betekent dat hij in juridische zin meerdere keren seksueel bij haar is binnengedrongen. Vordering immateriële schade gedeeltelijk toegewezen. Geen sprake van rechtsverwerking.
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1 primair, het misdrijf: verkrachting, meermalen gepleegd
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 4.000,-- (zegge: vierduizend euro), bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,-- (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. I.E. Voorberg en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
Mr. G.H. Meijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.050170.26 (P)
Datum vonnis: 22 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1981 in [geboorteplaats] (Burundi),
wonende aan de [woonplaats].
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. T.L.W. Hermens, advocaat in Nijmegen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar als benadeelde partij door mr. J. Bouwhuis, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 8 oktober 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 23 april 2004 tot en met 1 maart 2005 (primair) schuldig heeft gemaakt aan verkrachting, (subsidiair) aan ontucht met een minderjarige van twaalf tot zestien jaar, (meer subsidiair) aan aanranding en (meest subsidiair) aan ontucht met een minderjarige onder bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van gezag of afhankelijkheid, tegen de toen twaalfjarige [slachtoffer] ([slachtoffer]).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 2004 tot en
met 1 maart 2005 te Zwolle, althans in Nederland
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1992, heeft gedwongen tot het
ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer]
te weten
- het brengen van een of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen
van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over en/of het betasten van de vulva en/of de schaamlippen en/of de
schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het die [slachtoffer] laten aanraken en/of betasten van zijn, verdachtes, geslachtsdeel,
waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of door
bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden er in hebben
bestaan dat verdachte (meermalen)
- bovengenoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft gepleegd en/of
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vast heeft gehouden en/of
- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhouding voortvloeiend psychisch
overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer], bestaande dat overwicht uit het feit dat
verdachte de zwager is van die [slachtoffer] en/of het aanzienlijke leeftijdsverschil en/of de
(hieruit voortvloeiende) kwetsbaarheid van die [slachtoffer] ten opzichte van hem,
verdachte en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of
weerstand van die [slachtoffer] en/of
- ( aldus) een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] heeft doen ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 2004 tot en
met 1 maart 2005 te Zwolle, althans in Nederland,
met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog
niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer]
te weten
- het brengen van een of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen
van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over en/of het betasten van de vulva en/of de schaamlippen en/of de
schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het die [slachtoffer] laten aanraken en/of het laten betasten van zijn, verdachtes,
geslachtsdeel;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks 23 april
2004 tot en met 1 maart 2005 te Zwolle, althans in Nederland
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1992,
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige
handelingen,
te weten
- het brengen van een of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen
van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over en/of het betasten van de vulva en/of de schaamlippen en/of de
schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het die [slachtoffer] laten aanraken en/of het laten betasten van zijn, verdachtes,
geslachtsdeel,
waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of door
bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden er in hebben
bestaan dat verdachte (meermalen)
- bovengenoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft gepleegd en/of
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vast heeft gehouden en/of
- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhouding voortvloeiend psychisch
overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer], bestaande dat overwicht uit het feit dat
verdachte de zwager is van die [slachtoffer] en/of het aanzienlijke leeftijdsverschil en/of de
(hieruit voortvloeiende) kwetsbaarheid van die [slachtoffer] ten opzichte van hem,
verdachte en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of
weerstand van die [slachtoffer] en/of
- ( aldus) een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] heeft doen ontstaan;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 2004 tot en met 1 maart 2005 te Zwolle, althans in Nederland
met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het brengen van een of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over en/of het betasten van de vulva en/of de schaamlippen en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het die [slachtoffer] laten aanraken en/of het laten betasten van zijn, verdachtes, geslachtsdeel.
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Het is evident dat sprake is van dwang, omdat het gaat om onverhoedse aanrakingen, terwijl verdachte aangeefster fysiek vastpakte en sprake was van een groot leeftijdsverschil. Ook het binnendringen van de schaamlippen kan worden bewezen. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte zijn vingers tussen haar schaamlippen heeft gebracht en verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij over de blote vagina van aangeefster heeft gewreven, van boven naar beneden. Kijkend naar de intensiteit en de locatie van die aanrakingen, is het praktisch gezien niet mogelijk dat verdachte niet op enig moment in meer of mindere mate met zijn vingers tussen de schaamlippen van aangeefster is gekomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft volledige vrijspraak bepleit. Voor het primair ten laste gelegde geldt dat het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster niet met de daarvoor vereiste zekerheid kan worden vastgesteld.
Het oordeel van de rechtbank [_eed3178b-2cdf-48fb-bfd7-23c137f8bf0c]
Aangeefster [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1992, heeft verklaard dat ze ergens in 2004 aan haar bureau zat en met haar huiswerk bezig was. Zij was toen 12 jaar. Ze woonde toen met haar ouders in Zwolle. Verdachte, die een relatie met haar oudere zus [naam 1] had, kwam achter haar staan en ging met zijn handen onder haar shirt. ‘Hij ging met zijn handen onder mijn shirt en raakte mijn huid aan. Hij ging met beide handen op mijn borsten van boven naar beneden’. Eind 2004, mogelijk zaten er een paar dagen tussen, deed hij hetzelfde. ‘Hij ging met zijn handen onder mijn shirt, hij stond toen achter mij. Hij ging mij toen strelen en voelen’.
Begin 2005 had verdachte een eigen woning in Zwolle. Ook daar gebeurde het ‘vrij vaak’. Aangeefster speelde dan spelletjes op de computer in zijn woning. ‘Hij nam mij toen op schoot en is onder andere met zijn hand mijn broek in gegaan. (..) Het was meer dan alleen aanraken. Hij was wel iets aan het doen. (..) Hij ging met zijn hand in mijn broek en onderbroek. Hij bewoog wel met zijn vingers’. En op de vraag waar verdachte haar aanraakte heeft aangeefster verklaard: ‘Tussen mijn schaamlippen’. Op de vraag of zij zich nog kan herinneren met welke hand heeft aangeefster verklaard: “Met rechts, denk ik. Hij ging dan met zijn wijs- en middelvinger tussen mijn schaamlippen.” Ook heeft verdachte in zijn woning, terwijl hij in haar onderbroek zat, de hand van aangeefster gepakt en deze op zijn penis gelegd. Zij probeerde haar hand terug te trekken. ‘Hij deed zijn benen bij elkaar en zodoende zat mijn hand er tussen’.
Verdachte vroeg wel eens aan aangeefster of zij het fijn vond. ‘Ik zei toen ook nee en dat hij moest stoppen’.
Ook heeft aangeefster verklaard over een voorval eind 2004 of begin 2005. Aangeefster ging naar boven om tanden te poetsen. Verdachte ging naar boven om schoenen te pakken van [naam 1]. Aangeefster liep de werkkamer in. Verdachte liep achter haar aan en pakte haar vast. Verdachte ging met zijn hand onder haar shirt. ‘Met 1 hand met hield hij mij vast en hij kneep dan met 1 hand in mijn borsten’. Aangeefster liep vervolgens naar de kamer van [naam 1] om de schoenen te pakken. ‘Hij stond toen weer achter mij en deed weer zijn handen onder mijn shirt’. Aangeefster liep daarna naar haar eigen kamer. ‘Hij liep toen weer achter mij aan. (..) Hij stond achter mij. (..) Hij had zijn armen om mij heen. Ik kon niet weg. (..) Volgens mij had hij met 1 hand mijn shirt omhoog gedaan en voelde hij aan mij borst. Zijn andere hand ging hij mee in mijn onderbroek. Ik weet nog dat zijn linkerhand op mijn
borst vasthield’. Met zijn rechterhand zat hij in haar onderbroek. ‘Ik weet nog dat hij bewoog met zijn vingers. (..) Hij wreef dan tussen mijn schaamlippen’. [_467de7cd-15c8-439d-91ad-c8e562c9e815]
In februari 2005 heeft zij alles aan haar moeder verteld. Dat was de zaterdag voor 24 februari, toen verdachte jarig was.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De rechtbank stelt vast dat aangeefster gedetailleerd heeft verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte de ten laste gelegde handelingen zou hebben begaan. De inhoud van de verklaring van aangeefster komt daarnaast authentiek op de rechtbank over. Aan die authenticiteit draagt bijvoorbeeld bij dat aangeefster ook heeft verklaard over dingen die zij niet meer zeker weet (of verdachte bijvoorbeeld in haar vagina is binnengedrongen: ‘ik kan het mij niet specifiek herinneren nee, ik dacht altijd van wel, maar zeker weten doe ik eigenlijk niet’). Ook de destijds door haar geschreven briefjes voor haar ouders (pagina 44 tot en met 46), haar werkstuk voor school van juni 2005 (pagina 94 tot en met 99) en de verklaring van haar moeder [naam 2] (pagina 59 tot en met 67) bevestigen de door aangeefster afgelegde verklaring.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster als geheel betrouwbaar en geloofwaardig is. Dit betekent dat haar verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er wordt voldaan aan de wettelijke bewijsminima. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het feit dat één getuige of aangeefster een belastende verklaring aflegt, niet tot een bewezenverklaring leiden. Er dient sprake te zijn van aanvullend steunbewijs dat de verklaring van aangeefster op specifieke punten ondersteunt.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit bewijsminimum voldaan. Verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen namelijk voor het overgrote deel bekend.
Zo heeft hij tijdens de zitting verklaard dat het klopt dat hij aangeefster destijds meerdere keren heeft aangeraakt. Hij heeft de borsten van aangeefster gestreeld. Ook heeft hij over haar blote vagina gewreven. Het gebeurde in zijn woning en in de woning van haar ouders. Het is ontdekt nadat aangeefster het vertelde tegen haar ouders. [_1e65bd23-9cc8-4f85-b666-48e7c0004c1b]
Bij de politie heeft verdachte ook nog verklaard dat hij de hand van aangeefster op zichzelf heeft gezet, ‘op mijn geslacht’.[_9831272b-63f9-4f4d-8b49-cbbb72222faa] Toen hij probeerde om aangeefster onder haar kleding aan te raken was dat ‘bewezen ongemakkelijk’ voor haar.[_d79a6031-48ea-4c5d-8ffc-5ed051cdf069] ‘Ik probeerde haar aan te raken op haar geslacht en dat vond zij niet fijn. Zij duwde mij weg (..) Toen ik voorbij haar ondergoed wilde gaan, duwde ze mij weg’.[_43a434a1-3201-4287-99f7-c93b58077a2a]
Ook wijst de rechtbank op de waargenomen emoties bij aangeefster door haar moeder: ‘Na het douchen zat ik op mijn slaapkamer te tutten en mij aan te kleden. [slachtoffer] kwam ineens mijn slaapkamer binnen. Ze knalde de deur dicht. Ik zei wat doe jij nou. Ze schrok. Ze had niet gedacht dat ik er was. Ze zei dat er niks was. Ik zei jawel, jij komt zo binnen wat is er. Ze bleef ontkennen. Ik zei kom maar op bed zitten en vertel het. Toen is ze gaan beginnen met vertellen. (..) [slachtoffer] was heel verdrietig en bang dat wij heel boos op haar zouden worden’.[_1684d274-fdd7-4a51-86fa-1ebc28c50f6f]
Binnendringen
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat sprake is geweest van seksuele handelingen van verdachte bij aangeefster. Dat geldt ook voor het binnendringen van het lichaam van aangeefster door verdachte. Volgens vaste jurisprudentie is voor het seksueel binnendringen van het lichaam niet vereist dat sprake is van het aanraken van het inwendige deel van de vagina, maar is hiervan ook al sprake bij het wrijven tussen de schaamlippen.[_0562196c-a0a1-49ae-8108-19637fea1ae1]. Aangeefster heeft verklaard dat zij niet zeker weet of verdachte in haar vagina is binnengedrongen. Wel volgt uit haar verklaring dat hij meerdere keren met zijn vingers tussen haar schaamlippen heeft gewreven.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vereist artikel 342, tweede lid, Sv niet dat de verklaring van aangeefster op elk specifiek onderdeel of voor ieder afzonderlijk bestanddeel van de tenlastelegging steun moet vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs hoeft dus niet het juridisch binnendringen zélf te bevestigen. Voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op hoofdlijnen of op essentiële punten wordt bevestigd, zodat haar verklaring niet op zichzelf staat.
Aan dat vereiste is in deze zaak voldaan. Verdachte heeft immers verklaard dat hij over haar blote vagina heeft gewreven. Daarmee geeft de verklaring van verdachte in overwegende mate steun aan de verklaring van aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende grondslag voor de vaststelling dat verdachte meerdere keren met zijn vingers tussen de schaamlippen van aangeefster is geweest. Dat betekent dat hij in juridische zin dus meerdere keren seksueel bij haar is binnengedrongen.
Verkrachting
Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen, dient te worden vastgesteld dat verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
Er is geen bewijs dat sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid.
De vraag resteert dan of sprake is geweest van ‘andere feitelijkheden’ waardoor verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.
Van door feitelijkheden dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam kan sprake zijn, indien de verdachte opzettelijk een zodanige (psychische) druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie of bedreigende situatie heeft gebracht, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten.
Ten tijde van het seksueel misbruik had verdachte een relatie met [naam 1], dus zus van aangeefster.. Aangeefster was op dat moment nog maar 12 jaar, terwijl verdachte 23 jaar was. Tussen hen was niet alleen sprake van een leeftijdsverschil van 11 jaren, maar ook van een groot fysiek en psychisch overwicht. Zij bevonden zich destijds in totaal verschillende levensfasen. Waar aangeefster zich nog in de kwetsbare levensfase van een kind bevond, droeg verdachte als volwassene een eigen verantwoordelijkheid. Illustratief daarvoor is het moment waarop het seksueel misbruik in een van de gevallen plaatsvond: aangeefster was boven in haar pyjama aan het tandenpoetsen omdat ze naar bed ging, terwijl verdachte naar boven ging om de schoenen van [naam 1] op te halen omdat ze nog weg gingen.
Het seksueel misbruik vond steeds plaats als aangeefster in een geïsoleerde situatie zat, waarin verdachte haar opzocht: zij en verdachte waren alleen op de bovenverdieping van haar ouderlijk huis of alleen in zijn eigen woning. Ook hield verdachte aangeefster tijdens of voorafgaand aan het seksuele misbruik met een arm vast en heeft hij op enig moment haar hand tussen zijn benen geklemd. Bovendien heeft verdachte aangeefster bij het eerste seksuele misbruik, toen hij achter haar kwam staan en haar borsten betastte terwijl zij huiswerk aan het maken was, volledig overrompeld (‘Ik was toen in de war, van gebeurt dit nou echt of bedenk ik dat zelf’).
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte zowel geestelijk als fysiek overwicht had op aangeefster. Hiervan heeft verdachte misbruik gemaakt. Door in dedoor verdachte gecreëerde geïsoleerde situaties eerdergenoemde handelingen te verrichten – terwijl aangeefster verbaal en non-verbaal te kennen had gegeven het niet te willen – heeft hij telkens voor aangeefster een zodanig bedreigende sfeer doen ontstaan dat het voor haar zo moeilijk was om zich aan de seksuele handelingen van de verdachte te onttrekken, dat kan worden gesproken van dwang als bedoeld in artikel 242 Sr (oud). Het opzet van verdachte ligt in de door hem gepleegde handelingen besloten. Dit maakt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 23 april 2004 tot en met 1 maart 2005 te Zwolle,
door een andere feitelijkheid,
[slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1992,
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],
te weten:
- het brengen van vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en
- het wrijven over en het betasten van de vulva en de schaamlippen en de schaamstreek van die [slachtoffer] en
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en
- het die [slachtoffer] laten aanraken van zijn, verdachtes, geslachtsdeel,
waarbij die feitelijkheden er in hebben bestaan dat verdachte meermalen
- bovengenoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft gepleegd en
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en vast heeft gehouden en
- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhouding voortvloeiend psychisch overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer], bestaande dat overwicht uit het aanzienlijke leeftijdsverschil en de
(hieruit voortvloeiende) kwetsbaarheid van die [slachtoffer] ten opzichte van hem,
verdachte en
- voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet en weerstand van die [slachtoffer] en
- aldus een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] heeft doen ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 242 Sr (oud). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: verkrachting, meermalen gepleegd
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht om een nader deskundigenonderzoek door een psycholoog te laten verrichten als de rechtbank het bewezenverklaarde volledig aan verdachte toerekent. De rechtbank wijst dit verzoek af. Nog afgezien van de vraag of het mogelijk is om nu nog onderzoek te laten naar de persoonlijkheid van de verdachte in de bewezenverklaarde periode, acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte. Een dergelijk onderzoek acht de rechtbank dan ook niet noodzakelijk.
De rechtbank oordeelt dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden geëist.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd om bij een strafoplegging rekening te houden met de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaak. Verdachte heeft van meet af aan zijn verantwoordelijkheid genomen voor de enorme fout die hij heeft begaan en de wensen van aangeefster gerespecteerd. Er is meer dan twintig jaar verlopen sinds het bewezenverklaarde, en al die tijd draagt verdachte de pijn en schaamte. Het opleggen van een straf dient in deze situatie geen redelijk doel meer. Dat betekent dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Subsidiair heeft de raadsman betoogd om gelet op het voorgaande geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van het bewezenverklaarde
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van het destijds 12-jarige zusje van zijn vriendin (later vrouw). Verdachte was op dat moment 23 jaar en kwam geregeld langs bij de familie van aangeefster en kon daar ook blijven slapen. Terwijl hij het vertrouwen van de familie van aangeefster genoot, heeft hij op verschillende momenten, steeds als hij alleen was met aangeefster, dat vertrouwen beschaamd en seksueel contact met haar gezocht. Hij heeft haar een aantal keren betast, hij heeft haar hand op zijn geslachtsdeel gezet en hij heeft op verschillende momenten zijn vingers tussen haar schaamlippen gebracht.
Daarbij heeft verdachte alleen aan de bevrediging van zijn eigen seksuele lustgevoelens gedacht en zich niets aangetrokken van de kwetsbare en afhankelijke positie waarin aangeefster zich bevond.
Door zo te handelen heeft de verdachte stelselmatig en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer.
Het is algemeen bekend dat door seksueel misbruik de normale seksuele en persoonlijke ontwikkeling van een slachtoffer ernstig kan worden geschaad en dat zij daarvan nog lang psychische klachten kunnen ondervinden. Dit wordt in het onderhavige geval ook onderschreven door onder meer de behandelverslagen van het Riagg en Dimence, bij wie het slachtoffer onder behandeling is geweest. Hoe ingrijpend de gevolgen voor het slachtoffer zijn geweest en hoe ingrijpend deze tot op de dag van vandaag zijn, blijkt ook uit de toelichting op de vordering die zij als benadeelde partij heeft ingediend en uit de slachtofferverklaring die zij tijdens de zitting heeft afgelegd.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 2 september 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt dit dus niet mee bij de strafoplegging.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het reclasseringsverslag van 22 juni 2026. De reclassering rapporteert – kennelijk op basis van de input die verdachte hen heeft gegeven – dat in de verslagen van de therapie die verdachte na de bewezen verklaarde handelingen heeft gevolgd werd geconstateerd dat zijn handelen destijds voortkwam uit acute verwarring, veroorzaakt door de ernstige stress rondom zijn vlucht uit de oorlogssituatie in Burundi. De reclassering schrijft dat er nu sprake is van een structureel stabiel leven waarin geen criminogene factoren of risico’s aanwezig lijken te zijn. Verdachte heeft zijn zaken maatschappelijk en persoonlijk goed op de rit en bevindt zich, samen met zijn gezin, in de afrondende fase van de procedure om op korte termijn te kunnen emigreren. Verdachte is nooit gediagnosticeerd met psychische of psychosociale problematiek en kwam, buiten de initiële opvang in het asielzoekerscentrum, niet in aanraking met hulpverlenende instanties. In psychosociale zin lijkt er sprake te zijn van stabiliteit. Verdachte leidt een gestructureerd leven dat nauw aansluit bij de normen en waarden van zijn kerkgemeenschap. Hoewel hij begrijpelijkerwijs gezonde spanning ervaart voor de openstaande strafzaak, is hij intrinsiek gemotiveerd om zijn leven positief voort te zetten en hoopt hij na de afdoening van deze zaak het verleden definitief achter zich te kunnen laten. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat, waarbij in de risicotaxatie zwaar meeweegt dat het delict twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden en er sindsdien sprake is van een volledig blanco strafblad. Daarnaast zijn de destabiliserende factoren van destijds – zoals de acute traumatisering en de overlevingsstress na de vlucht uit Burundi – nu niet meer aan de orde. De reclassering acht interventies dan ook niet noodzakelijk.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS. Alleen al om deze reden komt de rechtbank tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in de bewezen verklaarde periode in soortgelijke zaken werden opgelegd. Bovendien was er ten tijde van het bewezenverklaarde sprake van een milder strafklimaat voor soortgelijke delicten.
Ook heeft de rechtbank de aard van het seksueel binnendringen meegewogen, namelijk dat de verkrachting in dit geval bestaat uit het tussen de schaamlippen – maar niet in de vagina – brengen van de vingers van verdachte.
De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat nadat aangeefster haar moeder destijds heeft verteld over het misbruik, verdachte dat direct heeft erkend. De afgelopen twintig jaar heeft verdachte de nodige maatschappelijke en persoonlijke impact van zijn handelen ondervonden, wat onder meer tot uiting kwam binnen zijn sociale relaties en bij ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals de geboorte van zijn dochter. Tijdens de zitting heeft verdachte ook oprechte wroeging en spijt getoond.
Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval een taakstraf van 80 uren passend en geboden.
De rechtbank spreekt de hoop uit dat dit vonnis voor zowel aangeefster als verdachte als hun families bijdraagt aan de nodige rust, zodat zij dit ingrijpende hoofdstuk in hun levens kunnen afsluiten en zich kunnen richten op hun toekomst.
7 De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.899,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van € 899,-- voor het door de benadeelde partij gevolgde lichaamsgerichte therapie en ademtherapie/logopedie. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,-- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt dient het gevorderde voor materiële schade volgens de verdediging te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Er is immers sprake is van een groot tijdsverloop tussen het bewezenverklaarde en de gevolgde therapie en het causale verband daartussen kan niet worden vastgesteld. Wat betreft het gevorderde voor immateriële schade is volgens de verdediging sprake van rechtsverwerking. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat aangeefster haar aanspraak op vergoeding van immateriële schade alsnog geldend kan maken, omdat bij verdachte op zijn minst het gerechtvaardigde vertrouwen was ontstaan dat de kwestie op de destijds door aangeefster gekozen wijze (zonder strafrechtelijke aanpak) was afgedaan en dat hij niet na verloop van ruim 20 jaren alsnog met een schadevergoedingsvordering zou worden geconfronteerd.. Subsidiair is matiging op zijn plaats.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding is geen sprake van rechtstreekse schade. Er is onvoldoende onderbouwd dat de kosten voor lichaamsgerichte therapie en ademtherapie/logopedie in zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit dat zij de verdachte kan worden toegerekend. Dat causale verband is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van rechtsverwerking. Er is geen concrete gedraging van de benadeelde partij – die 12 jaar was ten tijde van het seksueel misbruik – op basis waarvan bij verdachte het serieuze vertrouwen kan zijn gewekt dat er geen vordering meer zou komen. Ook is hij door het tijdsverloop niet onredelijk benadeeld in zijn positie van verdachte. Dat betekent dat de rechtbank de vordering inhoudelijk zal beoordelen.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.
Gelet op de categorie ‘tamelijk ernstig’ binnen de rubriek voor artikel 242 Sr (oud) in ‘de Rotterdamse Schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen) is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 4.000,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dit bedrag toe. Voor het overige deel wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in de periode van 23 april 2004 tot en met 1 maart 2005. Het bedrag van € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 tot de algehele voldoening. De datum 1 maart 2005 moet namelijk worden aangemerkt als de datum waarop de immateriële schade is ingetreden.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 40 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9 en 57 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1 primair, het misdrijf: verkrachting, meermalen gepleegd
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 4.000,-- (zegge: vierduizend euro), bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,-- (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. I.E. Voorberg en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
Mr. G.H. Meijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie met proces-verbaalnummer PL0600_2025370945 (onderzoek: Greyhound). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
- Pagina 13 tot en met 25.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
- Pagina 180, laatste alinea.
- Pagina 182, achtste alinea.
- Pagina 182, negende en tiende alinea.
- Pagina 61.
- ECLI:NL:HR:2010:BK6910.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.