Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Overijssel, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6352Zaaknummer ZWO 25/3361

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3361
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgevingswet; verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een carport met zonnepanelen; buitenplanse omgevingsplanactiviteit; ETFAL. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser 1, hierna: [eiser]
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3361

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser 1, hierna: [eiser]

[eiseres VOF], uit [woonplaats 2], eiser 2, hierna: [eiseres VOF]

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. S.P.M. Schaap)

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen, verweerder, hierna: het college

(gemachtigden: mr. N.R. Rengelink en [gemachtigde] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder], uit [woonplaats 3], hierna: vergunninghouder.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een carport met zonnepanelen. Het gaat hier om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Eisers zijn het niet eens met de verlening van deze vergunning en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Het college heeft op 17 juni 2025 een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het plaatsen van een carport met zonnepanelen.

1.1.

Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 op het bezwaar is het college bij dat besluit gebleven. Voor de motivering van het besluit heeft het college verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Kampen van 30 september 2025.

1.2.

Er is namens [eiser] en namens [eiseres VOF] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en [vergunninghouder].

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

2. Vergunninghouder woont aan de [adres 1]. Dit is in de gemeente Kampen. [eiseres VOF] is gevestigd op de [adres 2], [adres 3] en [adres 4]. Dit is in de gemeente Zwartewaterland. [eiser] woont aan de [adres 4].

2.1.

Op het perceel van vergunninghouder zijn een hoofdgebouw en een bijgebouw van 124 m2 aanwezig. Voor het bouwen van deze gebouwen zijn vergunningen verleend. Op het perceel zijn verder een bijgebouw van 22 m2 met een rieten kap (het houthok) en een carport van 49 m2 aanwezig.

2.2.

De carport is gerealiseerd in 2024 zonder een daarvoor verstrekte vergunning.

2.3.

[eiser] heeft op 19 juli 2024 aan het college gevraagd om handhavend op te treden tegen vergunninghouder in verband met illegaal gebouwde bouwwerken.

2.4.

Vergunninghouder heeft daarop – ter legalisatie – op 1 februari 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een carport ingediend. Op 5 maart 2025 is deze aanvraag aangevuld.

2.5.

Het college is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming, zoals beschreven onder Procesverloop.

Overwegingen

Ontvankelijkheid van [eiser] en de [eiseres VOF]

3. Het beroep is zowel namens [eiser] als namens de [eiseres VOF] ingesteld. Voor de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer van belang dat eerst bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan. In het advies van de bezwaarschriftencommissie en in de beslissing op bezwaar is [eiser] als (enige) bezwaarmaker vermeld. In de aanhef van het bezwaarschrift staat de VOF echter wel als bezwaarmaker aangeduid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het namens de VOF ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet eerst maken van bezwaar.

Beoordelingskader

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Vergunninghouder heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 1 februari 2025. Dat betekent dat in dit geval de Omgevingswet van toepassing is.

4.1.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel waarop de carport is gerealiseerd geldt het omgevingsplan gemeente Kampen (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het betreffende perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan Buitengebied 2014 van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Kampen.

4.2.

Het perceel waarop vergunninghouder de carport heeft gerealiseerd, heeft deels de bestemming 'tuin' en deels de bestemming 'bos', beide in combinatie met de bestemming 'Waarde – Landschap'. De bouwregels voor de bestemmingen 'tuin' en 'bos' laten de bouw van een carport niet toe.

4.3.

Omdat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, heeft het college de aanvraag van vergunninghouder terecht in behandeling genomen als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

4.4.

Met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in combinatie met de begripsomschrijving van de 'buitenplanse omgevingsplanactiviteit' in de bijlage van de Omgevingswet, beschikt het college over de bevoegdheid om op grondslag van een aanvraag een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan en die niet met toepassing van de beoordelingsregels van het omgevingsplan kan worden verleend. Het college kan de omgevingsvergunning, gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5.

Bij de beoordeling van de aanvraag weegt het college de betrokken belangen af. De rechtbank oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of dat besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

5. De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure draait om de vraag of de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het plaatsen van een carport mocht worden verleend.

5.1.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.

Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college tot de conclusie kunnen komen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is het volgende van belang.

5.2.1.

Zoals ook door het college in aanmerking is genomen heeft de carport een beperkte hoogte en is de carport slechts beperkt zichtbaar vanaf de openbare weg. [eiser] heeft in dit kader weliswaar naar voren gebracht dat zijn uitzicht wordt geschaad door de carport, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt. [eiser] heeft ter zitting bevestigd dat hij woont in de woning aan de [adres 4]. Niet valt in te zien hoe de carport van invloed kan zijn op het uitzicht vanuit die woning. Dat de carport wel zichtbaar is vanuit [adres 3] kan niet als een zwaarwegend belang van de VOF worden aangemerkt. De carport is ook van daaruit slechts beperkt zichtbaar en op dat adres verblijven, zoals ter zitting aan de orde is gekomen, soms alleen tijdelijk mensen.

5.2.2.

Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag om de omgevingsvergunning verder de situering van de carport en het bouwvolume van de carport ten opzichte van de afmetingen van het perceel kunnen betrekken. Wat betreft de situering is van belang dat de carport op het perceel van vergunninghouder is neergezet op bijna 50 meter van het hoofdgebouw en dat het team Ontwerp en Inrichting op 4 april 2025 in het kader van stedenbouw en landschap een positief advies heeft uitgebracht. Volgens dit advies gaat het om een bijgebouw dat geen negatieve invloed heeft op het straatbeeld, waarbij de belangen van omwonenden niet onevenredig worden aangetast. De enkele, niet nader onderbouwde, stellingen van eisers dat het stedenbouwkundig niet acceptabel is om de carport dicht(er)bij de openbare weg toe te staan en dat het gaat om een waardevol en/of cultuurhistorisch erf, zijn onvoldoende om niet van dit advies uit te kunnen gaan. Aangezien de carport op het eigen perceel van vergunninghouder staat, wordt voorts niet ingezien waarom de manoeuvreerruimte van voertuigen van [eiser] en/of de VOF op de openbare weg kleiner zou worden door de carport. Voor zover eisers menen dat die manoeuvreerruimte ook door andere illegale activiteiten van vergunninghouder (zoals het plaatsen van grote zwerfkeien langs de weg op openbaar terrein) wordt beperkt, kan dat in deze procedure geen rol spelen.

5.2.3.

Het betoog van eisers dat het college bij de belangenafweging de overige aanwezige illegale bebouwing ten onrechte niet heeft betrokken, volgt de rechtbank niet. Er is geen sprake van overige illegale bebouwing, zodat het college dit ook niet bij de belangenafweging kon of hoefde te betrekken. Dat geen sprake is van overige illegale bebouwing op de percelen van vergunninghouder blijkt uit het volgende. Eisers hebben voor die overige illegale bebouwing op het perceel gewezen op het in 2024 gebouwde houthok van 22 m2 ter vervanging van een eerder gesloopt houthok op dezelfde plek. Het college stelt zich op het standpunt dat dit houthok vergunningvrij mocht worden gebouwd. Uit artikel 22.27 van het omgevingsplan volgt dat bijbehorende bouwwerken alleen vergunningvrij mogen worden gebouwd in het achtererf en uit artikel 22.36 van het omgevingsplan volgt dat er een maximum geldt aan toegestane vierkante meters bijbehorende bouwwerken. Eisers bestrijden dat het houthok in het achtererf is gebouwd en zijn verder van mening dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de maximale oppervlakte voor vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken niet is overschreden. De rechtbank zal eerst ingaan op deze laatste grond.Het college heeft de maximale oppervlakte voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken van 150 m2 waar vergunninghouder met het houthok binnen blijft, op grond van artikel 22.36 van het omgevingsplan gemeente Kampen bepaald aan de hand van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied is in de bijlage bij het omgevingsplan gedefinieerd als het achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hierbij – onder verwijzing naar de ter zitting overgelegde kaart – het achtererfgebied op de juiste wijze vastgesteld. Hierbij kon het college bij de berekeningen uitgaan van een oppervlakte van 140 m2 voor het hoofdgebouw. Dat het college meer onderzoek had moeten doen naar het oppervlakte van het hoofdgebouw volgt de rechtbank niet. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat het huis er al 125 jaar hetzelfde uitziet. De enkele suggestie van eisers dat er sprake zou kunnen zijn van een aangebouwde serre, is onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van de door het college gehanteerde uitgangspunten. Het college heeft ter zitting toegelicht dat een schatting is gemaakt van de omvang van het achtererfgebied en dat vergunninghouders percelen met de nummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] alleen al een oppervlakte van 2.106 m2 beslaan. Een groot deel hiervan behoort tot het achtererfgebied. Wanneer de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw hierop in mindering wordt gebracht, resteert ruimschoots een oppervlakte bebouwingsgebied als bedoeld in artikel 22.36 van het omgevingsplan om uit te mogen gaan van (maximaal) 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken in dat gebied. De rechtbank kan zich hierin vinden. Om uit te mogen gaan van 150 m2 aan toegestane bijbehorende bouwwerken dient het bebouwingsgebied tenminste 900 m2 te zijn en het leidt geen twijfel dat dit hier zo is. De rechtbank stelt daarbij vast dat het college het deel van het perceel met de bestemming ‘bos’ niet heeft meegeteld bij de berekening van het achtererfgebied. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college - rekening houdend met de bijzondere vorm van het hoofdgebouw - de in de definitiebepaling van bijlage I bij artikel 1.1. van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) genoemde lijn waarachtig zich het achtererfgebied bevindt, kunnen vaststellen op de wijze zoals blijkens de ter zitting overgelegde kaart is gebeurd. Het college heeft verder terecht vastgesteld dat het houthok is gerealiseerd op het (achter)erf bij de woning. Op grond van bijlage I bij artikel 1.1. van het Bbl wordt onder het begrip "gebouwerf" verstaan: bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Het houthok is gebouwd op grond met de bestemming ‘tuin’. Anders dan door eisers is betoogd volgt uit de planvoorschriften niet dat de gronden met de bestemming 'tuin' niet als (gebouw)erf mogen worden gebruikt. Uit artikel 20.1 van het bestemmingsplan volgt juist dat de voor 'tuin' aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en voor erf. Het feit dat in de planregels op deze gronden slecht het bouwen van erkers is toegestaan en bouwwerken geen gebouw zijnde van niet meer dan 1 meter, maakt dit niet anders. De rechtbank stelt ook vast dat in het plan geen verbod of beperking is opgenomen voor het aanbrengen van normale bij de woning behorende buiteninrichting. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van 27 mei 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[_d4ddd7ce-b43e-4874-85f9-17ee8e9d8de4].

5.2.4.

Eisers hebben verder betoogd dat de bebouwing niet passend is bij de kernkwaliteiten van het nationaal landschap IJsseldelta en dat dit onvoldoende meegewogen is bij de verlening van de omgevingsvergunning. Volgens het college is er geen kennelijke strijd tussen deze kernkwaliteiten en de omgevingsvergunning vastgesteld en blijkt een mogelijke strijd niet uit het beroepschrift. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voor de carport verleende omgevingsvergunning in strijd komt met de kernkwaliteiten van het nationaal landschap IJsseldelta. De rechtbank wijst hierbij op het afgegeven positieve advies in het kader van stedenbouw en landschap. Daarnaast kan de carport, zeker ten opzichte van de omvang van de overige bebouwing in de omgeving, als een (zeer) beperkte ruimtelijke ontwikkeling worden aangemerkt.

5.2.5.

Het college heeft een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat het algemeen belang en de belangen van omwonenden of andere belanghebbenden niet onevenredig worden aangetast bij het verlenen van de omgevingsvergunning. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die het college ten onrechte niet bij de belangenafweging heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de belangen van vergunninghouder zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eisers.

Overige beroepsgronden

6. Aangezien het college voor het plaatsen van de carport een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan heeft verleend, volgt de rechtbank eisers' betoog dat de carport functioneel verbonden zou moeten zijn aan de bestemming 'tuin' en 'bos', niet. Evenmin wordt ingezien waarom relevant zou zijn of de carport wel of niet in het achtererfgebied ligt en wel of niet op hetzelfde erf is opgericht als de woning.

6.1.

De door eisers opgeworpen vraag hoe de nu verleende omgevingsvergunning zal worden vertaald in het omgevingsplan, hoeft in deze procedure niet te worden beantwoord. Een wijziging van het omgevingsplan is op dit moment niet aan de orde.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eisers ongegrond is. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

7.1.

Omdat het beroep ongegrond is, krijgen eisers het door hen betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.