Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6313Zaaknummer C/08/346768 / JE RK 26-546
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/08/346768 / JE RK 26-546
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Almelo
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek van de GI om een machtigng tot uithuisplaating in een voorziening voor pleegzorg te verlenen toegewezen.
4 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 16 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026 door mr. A.B. de Wit, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.L.A. Kleine Wiecherink als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026. |
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn register.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almelo
Zaaknummer: C/08/346768 / JE RK 26-546
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Beschikking machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1],
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verdere verloop van de procedure
Op 14 april 2026 heeft de kinderrechter in deze zaak een tussenbeschikking gegeven.
De kinderrechter heeft nadien kennisgenomen van de volgende stukken:
- de update van de GI, binnengekomen op 28 september 2026.
Op 6 oktober 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
- de moeder;
- [naam] namens de GI.
2 De verdere beoordeling
Bij de hiervoor genoemde tussenbeschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van zes maanden tot 14 oktober 2026, onder aanhouding van de beslissing voor het overige. De inhoud van de tussenbeschikking geldt als hier herhaald en ingelast. Er dient nog beslist te worden op het aangehouden gedeelte van het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de resterende duur tot 16 januari 2027.
Het verzoek
Tijdens de zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd onder verwijzing naar haar updaterapport van 28 september 2026. Volgens de GI is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Op dit moment hebben [minderjarige] en de moeder wekelijks gedurende twee uur begeleide omgang bij de moeder thuis. Gezien wordt dat de moeder betrokken en liefdevol is richting [minderjarige], maar tegelijkertijd moeite heeft om aan te sluiten bij zijn behoefte wanneer hij vermoeid raakt, weerstand laat zien of grenzen opzoekt. [minderjarige] en de vader hebben ook wekelijks gedurende twee uur omgang onder begeleiding van Stichting Nederland Participeert. Gezien wordt dat de vader een prille positieve ontwikkeling in zijn betrokkenheid laat zien. De afgelopen periode is gebleken dat de ouders beiden laten zien betrokken te zijn bij [minderjarige] en zich inzetten voor het contact met hem. Ondanks deze positieve ontwikkeling blijft intensieve begeleiding voor beide ouders noodzakelijk en worden de omgangsmomenten zoals die nu zijn op dit moment als het maximaal haalbare gezien. Omdat beide ouders op dit moment niet in staat zijn de dagelijkse opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen, is de GI van mening dat hij in het pleeggezin dient te blijven. Het pleeggezin biedt [minderjarige] de stabiliteit, continuïteit en duidelijkheid die hij nodig heeft om zich verder te ontwikkelen.
De standpunten
Op dit moment zien de vader en [minderjarige] elkaar wekelijks gedurende twee uur onder begeleiding. De vader doet zijn best om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige], maar dit blijft ingewikkeld. Hij ziet dat [minderjarige] het goed doet in het pleeggezin en zij hem de veiligheid en stabiliteit bieden die hij nodig heeft. Hij kan zich dan ook vinden in het verzoek van de GI om het verblijf van [minderjarige] op dit moment in het pleeggezin voort te zetten.
De moeder zit op dit moment in een lastige periode, wat invloed heeft op haar gemoedstoestand. Ze volgt hiervoor therapie die in de afrondende fase zit. [minderjarige] en de moeder zien elkaar wekelijks gedurende twee uur onder begeleiding. De moeder doet ontzettend haar best om tijdens de omgangsmomenten aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige]. Op de momenten dat er spanningen ontstaan, heeft de moeder baat bij de handvatten die haar geboden worden en de ondersteuning die de begeleiders haar bieden. De moeder ziet dat [minderjarige] in het pleeggezin een mooie groei heeft doorgemaakt. Dit doet de moeder ontzettend goed, waardoor zij achter de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin kan staan.
3 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_b8ef240c-88f7-4a73-8729-ff4ba07bc7e8] De kinderrechter constateert dat [minderjarige] sinds 28 april 2026 in het huidige pleeggezin verblijft. Gezien wordt dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt binnen het pleeggezin en een positieve relatie heeft opgebouwd met zijn pleegouders. De pleegouders sluiten goed aan bij de behoeften van [minderjarige] en bieden hem de rust, structuur en voorspelbaarheid die hij nodig heeft.
[minderjarige] ziet zijn moeder wekelijks twee uur onder begeleiding. De omgang vindt plaats bij de moeder thuis. Gezien wordt dat de moeder liefdevol en betrokken is richting [minderjarige] en door gebruik van een pictoblad en een timer structuur en voorspelbaarheid weet te bieden. Daarentegen wordt ook gezien dat het de moeder bij gespannen situaties onvoldoende lukt om zelfstandig de noodzakelijke rust en voorspelbaarheid te bieden. Op deze momenten neemt de begeleiding het over en heeft de moeder tijd nodig om weer tot zichzelf te komen. Tussen [minderjarige] en de vader is er ook wekelijks gedurende twee uur begeleide omgang. Gezien wordt dat de vader steeds meer aansluiting zoekt bij [minderjarige] en laat zien dat hij steeds actiever betrokken is. Daarentegen wordt ook bij de vader gezien dat hij het tijdens gespannen momenten moeilijk vindt hoe hij moet omgaan met het gedrag van [minderjarige] en gebaat is bij ondersteuning bij de dagelijkse opvoedkundige taken.
De kinderrechter ziet twee liefdevolle ouders die erg betrokken zijn en zich inzetten voor het contact met [minderjarige]. Ondanks dat de ouders ontzettend hun best doen, lukt het hen niet om zonder intensieve ondersteuning aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige]. Een plaatsing van [minderjarige] bij een van de ouders is naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment dan ook niet verantwoord. Wel wil de kinderrechter de ouders complimenteren dat het de ouders in deze moeilijke situatie lukt om toch het belang van [minderjarige] voorop te stellen en achter de plaatsing van [minderjarige] bij het pleeggezin te staan. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat [minderjarige] op dit moment bij het pleeggezin blijft en vanuit daar verdere stappen zet in zijn ontwikkeling. Daarbij wil de kinderrechter opmerken dat het belangrijk is dat de GI blijft toezien op het contact tussen [minderjarige] en de ouders en wat hierin voor de toekomst mogelijk is. Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de resterende duur.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 16 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026 door mr. A.B. de Wit, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.L.A. Kleine Wiecherink als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026. |
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn register.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.