Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 19 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6295Zaaknummer C/08/351233 / KG ZA 26-197

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/351233 / KG ZA 26-197
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Almelo
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Discussie over misbruik van bevoegdheid bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van eisers af,

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/351233 / KG ZA 26-197

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonend in [woonplaats 1],eisende partij,

hierna te noemen: [eiser 1],

2 [eiser 2],

wonend in [woonplaats 2],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser 2],

eisende partijen hierna samen te noemen: eisers,

advocaat: mr. N.J. Damstra,

tegen

ERIK NIJHOFF Q.Q.,

in de hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Twente Trading Almelo B.V.,

kantoorhoudend in Almelo,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de curator.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in kort geding, die is betekend op 15 september 2026, met 6 producties,

- de producties 7 tot en met 10 van eisers, ingediend op 7 oktober 2026,

- de producties 1 tot en met 4 van de curator, ingediend op 8 oktober 2026,- de mondelinge behandeling van 12 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de spreekaantekeningen namens eisers tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen door mr. Damstra,

- de spreekaantekeningen namens de curator tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen door mr. Nijhoff.

1.2.

Aansluitend is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 11 oktober 2023 van de rechtbank Overijssel is de vennootschap Twente Trading Almelo B.V. (hierna: TTA) in staat van faillissement verklaard. De curator is daarbij aangesteld als curator in het faillissement.

2.2.

[eiser 1] en [eiser 2] waren, ten tijde van het faillissement van TTA, (indirect) bestuurder van TTA.

2.3.

Op 22 november 2024 is door de curator (conservatoir) beslag gelegd op de woning van [eiser 1] en [eiser 2], die ligt aan [adres] (hierna: de Woning).

2.4.

De curator is bij dagvaarding van 19 december 2024 een gerechtelijke procedure gestart tegen [eiser 1], [eiser 2] en de vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]), waarbij het standpunt was dat het bestuur van TTA zijn taak kennelijk onbehoorlijk had vervuld en [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk waren voor het boedeltekort.

2.5.

Op 24 juni 2025 is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Partijen bij deze vaststellingsovereenkomst zijn de curator enerzijds en [eiser 1], [eiser 2], en een viertal vennootschappen anderzijds (hierna: de Vaststellingsovereenkomst).[_4dce9036-625d-459e-88d9-8b960973f6ca] De artikelen 1 en 2 Vaststellingsovereenkomst luiden als volgt:

“1.

[eiser 1] c.s. stoppen met al hun ondernemingsactiviteiten en zij zullen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vrijdag 27 juni 2025 het faillissement aanvragen van [bedrijf] BV, Twente Trading Transport BV, Twente Trading Materieel BV en Berging Centrale BV met het verzoek de voornoemde faillissementen onder te brengen bij het faillissement van Twente Trading Almelo BV met aanstelling van mr. E. Nijhoff als curator.

2.

De heer [eiser 1] en mevrouw [eiser 2] voldoen uit privé een nader te bepalen schikkingsbedrag. De hoogte van het schikkingsbedrag is afhankelijk van de verhaalsmogelijkheden van de heer [eiser 1] en mevrouw [eiser 2] in het algemeen, en in het bijzonder van de (on)mogelijkheden tot herfinanciering van de woning, en wordt nader bepaald nadat de onder 1. genoemde faillissementen zijn uitgesproken en de heer [eiser 1] een arbeidsrelatie elders is aangegaan. De hoogte van het schikkingsbedrag wordt in overleg tussen partijen vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de rechter-commissaris. Mochten partijen geen overeenstemming bereiken of de rechter-commissaris goedkeuring onthouden dan zal de curator de procedure zoals vermeld onder b. voortzetten en [eiser 1] c.s. alsnog aansprakelijk houden voor de omvang van het gehele tekort in het faillissement van failliet, alsdan te begroten door de curator doch, tenminste zijnde € 850.000,-.”

2.6.

De bij dagvaarding van 19 december 2024 door de curator gestarte procedure, is door hem voortgezet omdat tussen partijen geen schikking is bereikt. Het bericht met die strekking aan de rechtbank, daterend van 24 april 2026, is tevens gestuurd aan eisers en hun raadsman.

2.7.

Bij verstekvonnis van de rechtbank Overijssel van 24 juni 2026 (hierna: het Vonnis) is voor recht verklaard dat [eiser 1], [eiser 2] en [bedrijf] jegens de boedel van TTA aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. [eiser 1], [eiser 2] en [bedrijf] zijn tevens bij verstek hoofdelijk veroordeeld om – als voorschot op het boedeltekort – aan de curator een bedrag van € 850.000,00 te betalen.

2.8.

Het Vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.9.

Bij exploot van 24 juli 2026 is het Vonnis betekend aan het adres van [eiser 1] en [eiser 2], waarbij is aangezegd dat het conservatoire beslag op de Woning is overgegaan in een executoriaal beslag.

2.10.

Bij exploot van 4 september 2026 heeft de eerste hypotheekhouder op de Woning, ASR Hypotheken B.V. (hierna: ASR), aangezegd dat zij wil overgaan tot executie van de Woning.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – samengevat weergegeven – het volgende:

primair: de curator te gebieden de Vaststellingsovereenkomst na te komen en de aanzegging tot de executie van de Woning in te trekken en daarover ASR te berichten, totdat voldaan is aan alle opschortende voorwaarden zoals opgenomen in de Vaststellingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom,

subsidiair: de curator te bevelen de executie van de Woning te schorsen totdat in een binnen 30 dagen na het te wijzen vonnis middels dagvaarding in te stellen bodemprocedure, onherroepelijk is beslist over de rechten en verplichtingen van partijen uit de Vaststellingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom.

3.2.

Eisers leggen aan hun vordering het standpunt ten grondslag dat in de Vaststellingsovereenkomst een opschortende voorwaarde is geformuleerd, die nog niet in vervulling is gegaan. Het gevolg hiervan is, volgens eisers, dat de curator niet kan overgaan tot de tenuitvoerlegging van het Vonnis. Eisers betogen daarnaast dat aan hun zijde een noodtoestand bestaat, doordat zij – samen met hun vier minderjarige kinderen – hun woning dreigen te verliezen. Volgens eisers weegt het belang van de curator bij tenuitvoerlegging van het Vonnis niet op tegen het belang dat zij hebben bij een staking/schorsing van de tenuitvoerlegging.

3.3.

De curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit kort geding om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een dergelijke vordering kan worden toegewezen, indien sprake is van – kort gezegd – misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de partij die bevoegd is een uitspraak ten uitvoer te leggen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van de uitoefening van die bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen en dus zijn bevoegdheid misbruikt.[_7ee3701e-b190-4a23-b966-ab8d02ac3b5a]

4.2.

Het belang dat de curator heeft om, namens de gezamenlijke schuldeisers van TTA, op basis van het Vonnis over te gaan tot de executie van de Woning om daarmee de substantiële overwaarde te innen, staat tussen partijen niet ter discussie.

4.3.

Eisers nemen het standpunt in dat de curator desondanks, wanneer hij overgaat tot tenuitvoerlegging van het Vonnis, misbruik maakt van zijn bevoegdheid en dus naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid kan komen. Ter onderbouwing van hun beroep op misbruik van bevoegdheid, hebben eisers de volgende argumenten aangevoerd:

( i) er is sprake van een zeer slechte gezondheidstoestand van [eiser 1];

( ii) de Woning wordt niet minder waard door toekomstig tijdsverloop, waardoor de Woning als verhaalsobject voor de faillissementsboedel niet aan waarde verliest;

( iii) de curator kan aan het Vonnis geen executiebevoegdheid ontlenen die verder strekt dan de Vaststellingsovereenkomst. In de Vaststellingsovereenkomst is een opschortende voorwaarde geformuleerd, met als inhoud dat [eiser 1] een arbeidsrelatie zou aangaan. Zolang [eiser 1] geen arbeidsrelatie is aangegaan, kan de omvang van het schikkingsbedrag niet worden vastgesteld. Omdat [eiser 1], als gevolg van zijn medische situatie, op dit moment niet in staat is om een arbeidsrelatie aan te gaan, is de opschortende voorwaarde niet vervuld en zijn eisers dus geen schikkingsbedrag aan de curator verschuldigd;

( iv) de curator heeft nagelaten om in de procedure die heeft geleid tot het Vonnis de Vaststellingsovereenkomst in het geding te brengen;

( v) [eiser 1] en [eiser 2] dreigen – met hun vier minderjarige kinderen – de gezinswoning te verliezen, wat er met name toe leidt dat de minderjarige kinderen gedwongen uit hun sociale omgeving worden getrokken.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de in rechtsoverweging 4.3 van dit vonnis omschreven argumenten – ook niet in samenhang bezien – leiden tot het oordeel dat de curator misbruik maakt van zijn bevoegdheid indien hij overgaat tot tenuitvoerlegging van het Vonnis.

4.5.

Voor wat betreft de Vaststellingsovereenkomst, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De tekst van de artikelen 1 en 2 van de Vaststellingsovereenkomst kan op meerdere manieren worden uitgelegd. Uit artikel 2 volgt in ieder geval dat eisers een schikkingsbedrag aan de curator verschuldigd zijn, waarbij duidelijk is dat de omvang van dat schikkingsbedrag wordt bepaald als “de verhaalsmogelijkheden” van eisers bekend zijn. Die verhaalsmogelijkheden van eisers worden bepaald nadat [eiser 1] een arbeidsrelatie elders – dus buiten de ondernemingen die hij ten tijde van de totstandkoming van de Vaststellingsovereenkomst exploiteerde – is aangegaan. Bij dit laatste punt stokt het nu, omdat [eiser 1] geen werkkring kan vinden als gevolg van zijn medische situatie. Partijen hebben in de Vaststellingsovereenkomst wel geregeld wat er moet gebeuren als [eiser 1] wel een arbeidsrelatie aangaat en zij vervolgens geen overeenstemming bereiken over de omvang van het schikkingsbedrag: dan moet de procedure door de curator worden voortgezet. Partijen hebben in de Vaststellingsovereenkomst niet geregeld wat er moet gebeuren als [eiser 1] niet een arbeidsrelatie aangaat: de curator betoogt dat ook in dat geval de procedure moet worden voortgezet, terwijl eisers betogen dat zij niets verschuldigd zijn aan de curator tot het moment dat [eiser 1] een arbeidsrelatie aangaat en “de verhaalsmogelijkheden” kunnen worden bepaald.

4.6.

De voorzieningenrechter is het niet eens met de door eisers verdedigde uitleg dat het door [eiser 1] aangaan van een externe arbeidsrelatie kwalificeert als een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 6:21 BW voor het verschuldigd zijn van enig bedrag aan de curator. In de Vaststellingsovereenkomst is immers uitdrukkelijk bepaald dat eisers een bedrag verschuldigd zijn, alleen niet welke omvang dat bedrag heeft. Er is dus niet sprake van een voorwaardelijke verbintenis die pas onvoorwaardelijk wordt op het moment dat [eiser 1] een arbeidsrelatie aangaat.

4.7.

Belangrijker nog dan de uitleg van artikel 2 Vaststellingsovereenkomst in de misbruik van bevoegdheid-discussie, acht de voorzieningenrechter het feit dat eisers geen verweer hebben gevoerd tegen de procedure die de curator tegen hen is gestart bij dagvaarding van 19 december 2024 (en die is voorgezet per 24 april 2026). Dit heeft uiteindelijk geleid tot het veroordelende Vonnis. Tegen dat Vonnis is door eisers vervolgens ook geen verzet aangetekend.

4.8.

Indien eisers van mening waren dat de inhoud van de Vaststellingsovereenkomst een toewijzing van de vorderingen van de curator in de op 19 december 2024 gestarte procedure in de weg zou staan, had het op hun weg gelegen om dat verweer in die procedure te voeren, dan wel om verzet aan te tekenen tegen het Vonnis. Eisers hebben beide niet gedaan, en daarmee een risico gelopen dat zich nu heeft verwezenlijkt. De advocaat van eisers heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven dat eisers ervoor hebben gekozen om de wegen van verweer en verzet niet te bewandelen, omdat zij erop vertrouwden dat de curator de Vaststellingsovereenkomst na zou komen. Dat is een riskante strategie, zeker omdat de inhoud van de Vaststellingsovereenkomst niet zo eenduidig is als eisers in deze kort geding-procedure betogen.

4.9.

Waar eisers de curator verwijten dat hij de Vaststellingsovereenkomst in had moeten brengen in de door hem op 19 december 2024 gestarte procedure, is dat ten onrechte. Indien eisers meenden dat zij aan de Vaststellingsovereenkomst argumenten kunnen ontlenen die de vorderingen van de curator zouden kunnen blokkeren, had het op hun weg gelegen om verweer te voeren in die procedure, dan wel om verzet aan te tekenen tegen het Vonnis. Dat is niet gebeurd, waardoor de veroordeling van eisers tot betaling aan de curator nu definitief is.

4.10.

Ook het argument van eisers dat de faillissementsboedel er geen nadeel van zou ondervinden als de Woning niet nu maar (eventueel) op een later moment wordt verkocht, als gevolg van de oplopende huizenprijzen, wordt door de voorzieningenrechter verworpen. Dit is speculatief. Het is niet te voorspellen hoe de woningmarkt zich in de toekomst gaat ontwikkelen.

4.11.

De voorzieningenrechter onderkent dat de persoonlijke omstandigheden van eisers schrijnend zijn. De slechte gezondheidssituatie van [eiser 1] is bijzonder te betreuren, net als het dreigende verlies van de Woning waar eisers met hun vier kinderen wonen. Dit maakt echter niet dat de curator misbruik maakt van zijn bevoegdheid door over te gaan tot tenuitvoerlegging van het Vonnis.

4.12.

Dat de curator nu de bevoegdheid heeft om tot tenuitvoerlegging van het Vonnis over te gaan, is een uitvloeisel van vele feiten en omstandigheden die het gevolg zijn van de handelwijze van eisers of die in ieder geval in hun risicosfeer liggen. Het is een feit dat (i) eisers bestuurder waren van TTA (ii) TTA failliet is gegaan met grote schulden aan derden (iii) de curator van mening is dat het bestuur van TTA zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, en (iv) de rechtbank die vordering van de curator heeft toegewezen. Een logisch uitvloeisel daarvan is dat eisers nu hun Woning dreigen te verliezen, simpelweg omdat de curator op grond van de wet verhaal mag halen op alle goederen die aan eisers toebehoren (artikel 3:276 BW). Het valt de curator niet te verwijten dat hij dat doet. Integendeel: het behoort tot zijn taak als curator.

4.13.

De conclusie is dat niet kan worden gezegd dat sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat de curator heeft bij tenuitvoerlegging van het Vonnis en het belang van eisers dat daardoor wordt geschaad. Gelet daarop kan evenmin worden geoordeeld dat sprake is van misbruik van bevoegdheid van de zijde van de curator.

4.14.

Zowel de primaire vordering als de subsidiaire vordering van eisers zouden alleen kunnen worden toegewezen als wordt geoordeeld dat sprake is misbruik van bevoegdheid van de zijde van de curator. Omdat de voorzieningenrechter niet tot die conclusie komt, moeten beide vorderingen worden afgewezen.

4.15.

Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:

- griffierecht€341,00
- salaris advocaat€1.177,00
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.707,00
4.16.

De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat beide eisers kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de curator.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van eisers af,

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Het betrof de volgende vennootschappen: [bedrijf], Twente Trading Transport B.V., Twente Trading Materieel B.V. en Berging Centrale Twente B.V.
  2. ECLI:NL:HR:2019:2026, rov. 5.7.1-5.7.2.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.