Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Overijssel, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6278Zaaknummer ZWO 25/3579 en ZWO 26/951

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3579 en ZWO 26/951
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom; herplantplicht; rechtbank oordeelt dat compensatieplicht B van toepassing is en dat het niet onevenredig is om aan eiser op te dragen dit uit te voeren. Beroep is ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eiser 1] (zaaknummer ZWO 25/3579) ongegrond;

- verklaart het beroep van [eiser 2] (zaaknummer ZWO 26/951) gegrond;

- vernietigt bestreden besluit II van 11 december 2025;

- bepaalt de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op 15 december 2026;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiser 2];.

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan [eiser 2] moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 25/3579 en ZWO 26/951

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

1 [eiser 1], uit [woonplaats 1],

eiser in ZWO 25/3579 en derde-partij in ZWO 26/951, hierna: [eiser 1]

2 [eiser 2], uit [woonplaats 2],

eiser in ZWO 26/951 en derde-partij in ZWO 25/3579, hierna: [eiser 2]

(gemachtigde: mr. ing B.M. Brandenburg-Stroo)

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland, verweerder,

hierna: het college

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die het college aan [eiser 1] heeft opgelegd in reactie op een handhavingsverzoek van [eiser 2]. Ook gaat deze uitspraak over de bij de last behorende begunstigingstermijn.

De opgelegde last houdt in dat [eiser 1] compensatieplicht B moet uitvoeren, bestaande uit de herplantplicht die is opgelegd bij het verlenen van een kapvergunning. [eiser 1] is het met deze last niet eens en zegt uitvoering te hebben gegeven aan compensatieplicht A. Naar zijn mening is compensatieplicht B niet van toepassing. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat compensatieplicht B wel van toepassing is en dat het niet onevenredig is om aan [eiser 1] op te dragen dat hij compensatieplicht B uitvoert. [eiser 1] krijgt dus geen gelijk en het door hem ingestelde beroep is ongegrond.

[eiser 2] is het niet eens met de verruimde begunstigingstermijn voor het voldoen aan de last door [eiser 1]. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de begunstigingstermijn inderdaad ten onrechte is verlengd. [eiser 2] krijgt dus gelijk en het door hem ingestelde beroep is gegrond. Om [eiser 1] in staat te stellen alsnog aan de last te kunnen voldoen, voorziet de rechtbank zelf in de zaak en legt een nieuwe begunstigingstermijn op.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Procesverloop

1. Het college heeft bij besluit van 4 juni 2025 een verzoek van [eiser 2] om handhavend op te treden toegewezen en aan [eiser 1] een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit tot oplegging van de last is overwogen dat compensatieplicht A van toepassing is.

1.1.

Tegen dit besluit heeft [eiser 2] bezwaar gemaakt. Volgens [eiser 2] heeft het college ten onrechte compensatieplicht A van toepassing verklaard. Naar de mening van [eiser 2] is compensatieplicht B van toepassing.

1.2.

In de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2025 (bestreden besluit I) heeft het college het primaire besluit van 4 juni 2025 herroepen voor wat betreft de van toepassing verklaarde compensatieplicht A. Het college heeft tevens een nieuwe last onder dwangsom opgelegd. [eiser 1] moet uiterlijk 15 december 2025 compensatieplicht B geheel hebben uitgevoerd.

1.3.

Het college heeft de tegen bestreden besluit I gerichte brief van 18 november 2025 van [eiser 1] als beroepschrift naar de rechtbank doorgestuurd. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3579.

1.4.

Bij besluit van 11 december 2025 (bestreden besluit II) heeft het college - vanwege het door [eiser 1] ingestelde beroep - de begunstigingstermijn uit bestreden besluit I verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de last. De rechtbank merkt bestreden besluit II aan als een besluit, zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5.

[eiser 2] heeft op 13 maart 2026 beroep ingesteld tegen de verruimde begunstigingstermijn. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 26/951.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer ZWO 25/3579 en het beroep met zaaknummer ZWO 26/951 gelijktijdig op 22 september 2026 op zitting behandeld.

[eiser 1] is verschenen. [eiser 2] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is voorafgegaan?

2. [eiser 1] woont aan de [adres 1]. [eiser 2] woont aan de [adres 2]. [eiser 2] heeft vanuit zijn woning zicht op (een deel van) het perceel van [eiser 1].

2.1.

Op 19 april 2023 is een aanvraag bij het college ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overkapping en het kappen van vijf eiken op het perceel van [eiser 1]. Deze vijf eiken staan op/nabij de locatie waar de overkapping zal worden gerealiseerd. Bij de aanvraag is een compensatieplan voor de te kappen bomen gevoegd.

2.2.

Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het college de omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op het bouwen van de overkapping, geweigerd omdat de overkapping vergunningvrij is op grond van artikel 3, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De omgevingsvergunning voor het kappen van de vijf eiken is verleend. Aan deze omgevingsvergunning is een herplantplicht verbonden die is neergelegd in de voorschriften bij de vergunning. De herplantplicht houdt in dat vijf winterlinden moeten worden aangeplant conform het bij de aanvraag gevoegde compensatieplan.

2.3.

[eiser 2] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juni 2023. In de naar aanleiding hiervan genomen beslissing op bezwaar van 14 november 2023 heeft het college de omgevingsvergunning voor het kappen van de vijf eiken in stand gelaten met een aanpassing van de motivering. Ook zijn de voorschriften gewijzigd. In de voorschriften is nu opgenomen dat er twee compensatieplichten zijn: A en B. Slechts één compensatieplicht hoeft te worden uitgevoerd. Welke compensatieplicht aan de orde is, is afhankelijk van het al dan niet realiseren van de aangevraagde overkapping binnen een bepaalde periode. Voor beide compensatieplichten geldt dat deze moeten zijn uitgevoerd vóór 15 maart 2025.

Compensatieplicht A moet worden uitgevoerd als de aangevraagde overkapping wel binnen een jaar na de datum van verlening van de omgevingsvergunning is gerealiseerd. De compensatieplicht A houdt in dat vijf winterlinden moeten worden aangeplant aan de [adres 1]. Dit is conform het bij de aanvraag gevoegde compensatieplan.

Compensatieplicht B moet worden uitgevoerd als de aangevraagde overkapping niet binnen een jaar na de datum van verlening van de omgevingsvergunning is gerealiseerd. Compensatieplicht B houdt in dat drie grotere winterlinden moeten worden aangeplant op de plek van de gekapte eiken.

2.4.

[eiser 2] heeft bij brief van 26 maart 2025 aan het college gevraagd om handhavend op te treden tegen [eiser 1]. Volgens [eiser 2] zijn de vijf eiken op 24 februari 2024 gekapt, maar heeft er geen compensatie plaatsgevonden terwijl dat vóór 15 maart 2025 had gemoeten.

2.5.

Namens het college is een controle uitgevoerd en de bevindingen van deze controle staan beschreven in een controlerapport van 29 april 2025.

2.6.

Het college is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming, zoals beschreven onder Procesverloop.

Bestreden besluiten

Bestreden besluit I

3. Aan de opgelegde last onder dwangsom ligt ten grondslag dat de toezichthouders van het college geen overkapping hebben geconstateerd en dat [eiser 1] nog niet heeft voldaan aan de opgelegde compensatieplicht. Daarmee heeft [eiser 1] niet voldaan aan de voorschriften van de aan hem verstrekte omgevingsvergunning. Dit is in strijd met artikel 5.5. van de Omgevingswet. Volgens het college zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien. De last houdt in dat [eiser 1] voor 15 december 2025 de aan de omgevingsvergunning verbonden compensatieplicht B geheel moet hebben uitgevoerd. Als hij niet tijdig volledig heeft voldaan aan de last moet hij een dwangsom ter hoogte van € 5.500 ineens betalen.

Bestreden besluit II

3.1.

Het college heeft de begunstigingstermijn van de herplantplicht, zoals opgelegd in bestreden besluit I, verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op het tegen bestreden besluit I door [eiser 1] ingestelde beroep.

Overwegingen

Toepasselijk recht

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het handhavingsverzoek van [eiser 2] dateert van na deze datum, te weten 26 maart 2025, is de Omgevingswet van toepassing op de aan [eiser 1] opgelegde last onder dwangsom en daarmee op beide bestreden besluiten.

Ontvankelijkheid

5. Bestreden besluit II is op 11 december 2025 toegezonden aan [eiser 1]. Dit besluit is op dat moment niet tevens (in kopie) toegezonden naar [eiser 2]. [eiser 2] heeft toegelicht dat dit besluit voor het eerst in kopie naar hem is toegezonden met de brief van 12 februari 2026, waarin het college heeft beslist op zijn verzoek om de verbeurde dwangsom in te vorderen.

5.1.

[eiser 2] heeft op 13 maart 2026 beroep ingesteld tegen bestreden besluit II. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn voor het instellen van beroep tegen bestreden besluit II voor [eiser 2] aangevangen op 13 februari 2026. Daarmee heeft [eiser 2] tijdig dit beroep ingesteld. Het beroep met zaaknummer ZWO 26/951 is ontvankelijk.

5.2.

De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van beide beroepen.

Invordering

6. Bij besluit van 12 februari 2026 heeft het college een besluit genomen op een verzoek om invordering van [eiser 2]. Ter zitting hebben [eiser 2] en het college aangegeven dat het invorderingsbesluit geen onderwerp van geschil is in deze procedures. De rechtbank laat een bespreking van het invorderingsbesluit daarom achterwege.

Het beroep tegen bestreden besluit 1

7. [eiser 1] stelt zich op het standpunt dat het college niet bevoegd is om bestreden besluit I te nemen, omdat geen sprake is van een overtreding. Volgens [eiser 1] is compensatieplicht A van toepassing en heeft hij daaraan voldaan, omdat hij tijdig een overkapping heeft gerealiseerd en de vereiste vijf bomen aan de [adres 1] heeft geplant. Dit was een overkapping in de meest eenvoudige vorm, bestaande uit vier steigerbuizen en een blauw zeil. Naar de mening van [eiser 1] had hij de vrijheid om de overkapping zo eenvoudig mogelijk neer te zetten, omdat de overkapping vergunningvrij was. [eiser 1] heeft de gerealiseerde overkapping vervolgens verwijderd omdat hij de vergunningvrije vierkante meters wilde inzetten voor het vergroten van zijn woning. [eiser 1] heeft foto’s gemaakt van de destijds gerealiseerde overkapping. De door [eiser 1] gemaakte foto's zijn als bijlage toegevoegd aan het controlerapport van 29 april 2025. Ter zitting zijn de foto's in kleur door het college getoond.

7.1.

De rechtbank stelt voorop dat de omgevingsvergunning voor het kappen van de vijf eiken op het perceel van [eiser 1] is verleend, omdat deze bomen de bouw van de aangevraagde overkapping onmogelijk maakten. Om te voorkomen dat er wel wordt gekapt maar niet wordt gebouwd, heeft het college in reactie op het bezwaar van [eiser 2] de voorschriften over de compensatieplichten A en B opgenomen in de (gewijzigde) omgevingsvergunning van 14 november 2023. Om te bepalen welke compensatieplicht aan de orde is, moet de rechtbank beoordelen of aan de voorwaarde is voldaan. Uit artikel 1.2, lid 2 en 3, van de gewijzigde omgevingsvergunning volgt dat het daarbij gaat om ‘de aangevraagde overkapping’. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat wat [eiser 1] gerealiseerd heeft, niet de aangevraagde overkapping is. Hoewel de overkapping zelf in de omgevingsvergunning slechts summier is omschreven (er staat enkel dat het gaat om ‘een bouwplan met een oppervlakte van 73,60 m2 en een bouwhoogte van 3.00 meter (platdak))’ en ook op de bijgevoegde tekening is slechts een vierkant van 8000 x 9200 cm met een dichte zijde ingetekend, heeft [eiser 1] ter zitting erkend dat hij aanvankelijk niet van plan was om enkel een overkapping van steigerbuizen en zeil neer te zetten. Dat zou ook zeer onaannemelijk zijn. Dit betekent dat [eiser 1] de aangevraagde overkapping niet heeft gerealiseerd en dat compensatieplicht A niet van toepassing is. De vraag waar en wanneer [eiser 1] de constructie van steigerbuizen en zeil heeft neergezet, is daarmee niet meer van belang.

7.2.

Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser 1] compensatieplicht B moet uitvoeren en dat hij drie winterlinden moet aanplanten op de plek van de gekapte eiken. Wat [eiser 1] heeft aangevoerd over de uitvoering van compensatieplicht A is niet meer relevant. [eiser 1] heeft immers niet bestreden dat hij niet aan compensatieplicht B heeft voldaan.

7.3.

Ter zitting heeft [eiser 1] een brief overgelegd van 13 mei 2026 van de gemeente, waarin staat dat een toezichthouder een controle heeft uitgevoerd naar de herplant die is opgelegd in de vergunning van 8 juni 2023, dat op grond van voorschrift 2.2.1 ter compensatie vijf winterlinden aangeplant moeten worden, en dat geconstateerd is dat daaraan is voldaan. Voor zover [eiser 1] met verwijzing naar deze brief heeft beoogd te stellen dat geen sprake is van een overtreding of dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat compensatieplicht B niet meer uitgevoerd hoefde te worden, volgt de rechtbank dat niet. Vooropgesteld zij dat in de brief verwezen wordt naar de ‘oude’ herplantplicht uit de vergunning voordat deze is gewijzigd bij de beslissing op bezwaar en de vergunningvoorschriften zijn aangevuld. [eiser 1] was van deze wijziging op de hoogte. De brief zegt daarmee niets over de situatie die hier van belang is, namelijk de situatie ten tijde van het opleggen van de last op 17 oktober 2025. Nu [eiser 1] compensatieplicht B niet heeft uitgevoerd, voldoet hij niet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de aan hem verstrekte omgevingsvergunning en is sprake van een overtreding. Gelet op deze overtreding was het college bevoegd om met de opgelegde last onder dwangsom handhavend op te treden tegen [eiser 1]. Ook heeft [eiser 1] aan de brief niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat compensatieplicht B niet langer van toepassing zou zijn.

7.4.

[eiser 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat het onevenredig is om van hem te eisen dat hij compensatieplicht B uitvoert. Hij heeft compensatieplicht A ondertussen uitgevoerd en hiermee is voldaan aan compensatie van natuurwaarden. [eiser 1] ziet niet in welke belangen zijn gediend met het verplaatsen van de door hem reeds aangeplante bomen naar een andere locatie op zijn perceel. Ter zitting heeft [eiser 1] ook gewezen op zijn financiële belang.

7.5.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

7.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het handhavend optreden van het college in dit geval gelet op het doel daarvan onevenredig is ten opzichte van de belangen van [eiser 1]. Het college hoefde daarom niet van handhaving af te zien. Zoals ook door het college is meegewogen, kon [eiser 1] weten dat bezwaar was gemaakt tegen de last waarin compensatieplicht A was opgenomen en had hij er rekening mee moeten houden dat de eerdere last niet in stand zou blijven en dat een andere/nieuwe last zou worden opgelegd. Door de beslissing op dit bezwaar niet af te wachten maar de eerder opgelegde last uit te voeren, heeft [eiser 1] vooruitgelopen op de uitkomst van de bezwaarprocedure. De gevolgen van dit handelen komen voor rekening en risico van [eiser 1]. De stelling van [eiser 1] dat compensatieplan A voldoende natuurwaarde heeft, laat onverlet dat de onherroepelijke omgevingsvergunning voor het kappen van de vijf eiken voorschrijft hoe het herstel van natuurwaarden op het betrokken perceel moet worden gewaarborgd.

7.7.

De rechtbank komt kortom tot de conclusie dat het college de last onder dwangsom terecht aan [eiser 1] heeft opgelegd.

Het beroep tegen bestreden besluit II

8. [eiser 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de huidige behandeltermijn van beroepschriften, het verlengen van de begunstigingstermijn betekent dat compensatieplicht B pas over anderhalf jaar gerealiseerd hoeft te worden. Gelet op het plantseizoen (van oktober tot april) betekent dit, dat de herplant op zijn vroegst in oktober 2027 zal worden gerealiseerd. [eiser 2] ziet niet in waarom het planten van drie winterlinden op ongeveer de locatie van de gekapte eiken niet nu al zou kunnen. Bestreden besluit II bevat verder geen belangenafweging, terwijl dat wel had gemoeten. Er zijn geen zwaarwegende financiële of andere belangen aan de zijde van [eiser 1]. De belangen van [eiser 2] zijn er in gelegen dat hij vanaf zijn perceel aan moet kijken tegen de kaalslag op het perceel aan de [adres 1].

8.1.

De rechtbank overweegt dat de aan een last verbonden begunstigingstermijn ertoe strekt om de overtreding op te heffen. Als uitgangspunt voor de lengte van de begunstigingstermijn geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[_d704cda5-4307-4ddd-bec6-80dfee0b4d92] heeft aanvaard dat onder omstandigheden de begunstigingstermijn kan worden verlengd in afwachting van de uitkomst van een procedure. Of dat in een concreet geval mogelijk is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals onder andere de aard van de overtreding, de duur van de met regelgeving strijdige situatie, de vraag of een vergunning is aangevraagd voor de strijdige activiteiten, en wat de belangen van de overtreder en andere betrokken belangen zijn

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in bestreden besluit II geen kenbare belangenafweging uitgevoerd. Reeds hierom is het beroep van [eiser 2] gegrond en zal de rechtbank bestreden besluit II vernietigen. Het is vervolgens de vraag of de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Daartoe beoordeelt de rechtbank de in het verweerschrift opgenomen belangenafweging.

8.3.

Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat, als [eiser 1] uitvoering zou geven aan compensatieplan B en de rechtbank vervolgens zou oordelen dat het bestreden besluit geen stand kan houden, de aangeplante bomen mogelijk weer moeten worden verwijderd of verplaatst. De begunstigingstermijn is daarom verlengd ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen en uit zorgvuldigheidsoverwegingen. Het college heeft aan de belangen van [eiser 1] een groter gewicht toegekend dan aan het belang van [eiser 2] bij een spoedige uitvoering van de herplantplicht.

8.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat voor het moeten aanplanten van drie winterlinden op/nabij de locatie van de gekapte eiken de uitspraak van de rechtbank in deze procedure moet worden afgewacht. Met deze aanplant zijn voor [eiser 1] geen buitensporig hoge kosten gemoeid. Ook zijn er geen onomkeerbare gevolgen als bestreden besluit I zou worden vernietigd. De drie geplante winterlinden kunnen worden verwijderd, verplaatst of kunnen blijven staan. Niet wordt gevolgd waarom aan de belangen van [eiser 1] een groter gewicht moet worden toegekend dan aan de belangen die gemoeid zijn bij een correcte uitvoering van de opgelegde herplantplicht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in strijd met artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb een te lange begunstigingstermijn is opgenomen in bestreden besluit II.

8.5.

De vernietiging van bestreden besluit II en de conclusie dat de rechtsgevolgen niet in stand kunnen worden gelaten zouden ertoe leiden dat de begunstigingstermijn, zoals opgenomen in bestreden besluit I, van toepassing is op de opgelegde last. Omdat deze begunstigingstermijn inmiddels is verstreken en [eiser 1] geen mogelijkheid heeft om alsnog aan de opgelegde last te voldoen, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de begunstigingstermijn te bepalen op 15 december 2026 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit II.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep van [eiser 1] (zaaknummer ZWO 25/3579) tegen bestreden besluit I is ongegrond. Dat betekent dat [eiser 1] ongelijk krijgt. [eiser 1] krijgt daarom het griffierecht niet terug.

9.1.

Het beroep van [eiser 2] (zaaknummer ZWO 26/951) tegen bestreden besluit II is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom bestreden besluit II en voorziet zelf in de zaak door de begunstigingstermijn te bepalen op 15 december 2026.

9.2.

Omdat het beroep van [eiser 2] gegrond is, krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van [eiser 2] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

9.3.

Omdat het beroep van [eiser 2] gegrond is, moet het college ook het griffierecht aan [eiser 2] vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eiser 1] (zaaknummer ZWO 25/3579) ongegrond;

- verklaart het beroep van [eiser 2] (zaaknummer ZWO 26/951) gegrond;

- vernietigt bestreden besluit II van 11 december 2025;

- bepaalt de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op 15 december 2026;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiser 2];.

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan [eiser 2] moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:3831.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.