Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Overijssel, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6270Zaaknummer ZWO 24/4011
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 24/4011
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afgewezen aanvraag van eiser om in aanmerking te komen voor een eenmalig bedrag van € 5.000,- op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Hij is het daar niet mee eens omdat in zijn situatie sprake is van omstandigheden waar geen rekening mee is gehouden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/4011
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats] (hierna: [eiser])
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
gemachtigde: [gemachtigde].
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afgewezen aanvraag van [eiser] om in aanmerking te komen voor een eenmalig bedrag van € 5.000,- op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Hij is het daar niet mee eens omdat in zijn situatie sprake is van omstandigheden waar geen rekening mee is gehouden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen. [eiser] voldoet niet aan de voorwaarden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
1. [eiser] heeft op 13 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor de eenmalige tegemoetkoming van € 5.000,- op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (hierna: Tijdelijk besluit). De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2024 afgewezen, omdat [eiser] niet voldoet aan de eerste van vier gestelde voorwaarden. Hij is niet uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland gaan wonen, maar in juli 1978.
Hiertegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 18 november 2024 zijn de bezwaren ongegrond verklaard en is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft een geplande zitting uitgesteld, omdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 26 februari 2026 een themazitting heeft gehouden over de voorwaarden in het Tijdelijk besluit. De CRvB heeft op 9 april 2026 en 21 mei 2026 verschillende uitspraken gedaan. De rechtbank heeft deze uitspraken doorgestuurd naar partijen. Vervolgens hebben zowel [eiser] als de SVB hun standpunten nader toegelicht.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van de SVB. Ook de echtgenote van [eiser] was aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen en licht dit als volgt toe.
In artikel 3 van het Tijdelijk besluit staat aan welke vier voorwaarden voldaan moet zijn indien iemand in aanmerking wil komen voor het eenmalige bedrag van € 5.000,-.
Iemand heeft daar recht op indien hij of zij:
a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
b. voorgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
c. ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
d. op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
De CRvB heeft in verschillende uitspraken[_7a3164dd-13b1-4c4d-b185-b14445e0e190] uitgelegd hoe moet worden beoordeeld of iemand voldoet aan deze voorwaarden. De rechtbank verwijst daarvoor dan ook naar die uitspraken.
[eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij die uitspraken heeft gezien, maar dat daarin geen vergelijkbare situatie als de zijne speelde. Daarom stelt hij dat hij wel recht heeft op het eenmalige bedrag. Hij is op [geboortedatum] 1959 in Suriname geboren en in 1975 op 16-jarige leeftijd naar de Verenigde Staten gegaan om naar een high school te gaan. Een broer van hem woonde daar. In juli 1978 is hij op 19-jarige leeftijd naar Nederland gegaan, waar inmiddels ook een deel van zijn familie woonde. Bovendien had hij al die tijd een Nederlands paspoort. Ook stelt [eiser] dat (een andere) broer en zus wel het eenmalige bedrag hebben ontvangen.
De SVB heeft de aanvraag afgewezen, omdat [eiser] niet uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen. Hiermee voldoet hij niet aan de eerste voorwaarde. Zonder afbreuk te doen aan de omstandigheden en situatie van [eiser], is er geen reden om het bedrag toe te kennen. Volgens de SVB heeft de regering de doelgroep die voor het bedrag in aanmerking komt bewust afgebakend met de voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [eiser] niet voldoet aan de eerste voorwaarde. Daarnaast voldoet zijn situatie overigens ook niet aan de tweede voorwaarde. [eiser] is niet uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland gaan wonen en voordat hij in Nederland ging wonen woonde hij niet in Suriname, maar in de Verenigde Staten.
Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van de SVB gemeld dat uit de registratie van de SVB is gebleken dat zijn broer en zus wel aan de voorwaarden voldoen en daarom wel een compensatie hebben gekregen. Zij zijn beiden voor de onafhankelijkheid naar Nederland gekomen en waren op dat moment ook ouder dan 18 jaar.
Uit de Nota van Toelichting[_0e476406-201f-49e2-8810-a9e7d8cf156c] blijkt dat het uitgangspunt van het Tijdelijk besluit is dat de tegemoetkoming is bedoeld voor degenen die er bewust voor hebben gekozen om voor de onafhankelijkheid naar Nederland te komen. Omdat het een welbewuste keuze moet zijn geweest is als voorwaarde gesteld dat de persoon tenminste 18 jaar moest zijn.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van [eiser] zoals hij en zijn echtgenote deze tijdens de zitting hebben toegelicht, was hij op het moment van de onafhankelijkheid nog geen 18 jaar en kon hij dus ook niet de welbewuste keuze maken om naar Nederland te komen met het oog op het behoud van zijn rechten en verplichtingen. Dat hij in juli 1978 op 19-jarige leeftijd alsnog naar Nederland is gekomen en niet naar Suriname is gegaan is daarbij niet van belang. Ook niet van belang is dat hij feitelijk altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden. Daarom slagen [eiser] beroepsgronden niet. [eiser] zou ook geen recht hebben op het eenmalige bedrag als hij wel samen met zijn broer en zus naar Nederland was gekomen voor de onafhankelijkheid, omdat hij toen nog geen 18 jaar was.
De rechtbank is verder ook niet gebleken dat de toepassing van de voorwaarden in het geval van [eiser] nadeliger uitpakt dan door de minister is beoogd, of om een andere reden onredelijk bezwarend is.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Deze uitspraken zijn te raadplegen via rechtspraak.nl met de kenmerken: ECLI:NL:CRVB:2026:359, ECLI:NL:CRVB:2026:360, ECLI:NL:CRVB:2026:361, ECLI:NL:CRVB:2026:362, ECLI:NL:CRVB:2026:603 en ECLI:NL:CRVB:2026:617.
- Staatsblad 2023, 386 pagina 8.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.