Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Overijssel, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6269Zaaknummer ZWO 25/1902

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 25/1902
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting; ongegrond beroep op overmacht. Eiseres stelt dat daar wel sprak van was. Onder andere omdat haar pasgeboren dochter na haar slaapje herhaaldelijk moest braken en haar kleding was vies geworden van ontlasting. Ook voelde zij warm aan. De rechtbank is van oordeel dat wat eiseres heeft aanvoert, (ook) door het ontbreken van een nadere (medische) onderbouwing, is niet aan te merken als een (plotseling levensbedreigende) overmacht situatie.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.

griffierrechter

Uitgesproken op

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
  2. De heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle.
  3. Inleiding
  4. Feiten
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1902

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 juli 2025.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd van € 81,-. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd en het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep van belanghebbende gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 ter zitting behandeld. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Belanghebbende is zonder voorafgaande mededeling niet verschenen ter zitting.

Feiten

2. Op 6 juli 2025 om 16.23 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [adres]. Voor het parkeren aan de [adres] is op grond van de Verordening parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Zwolle (de Verordening) parkeerbelasting verschuldigd.

3. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto van 13.46 uur tot 15.46 parkeerrecht was voldaan (het gemaximeerde bedrag per keer), maar dat om 15.51 uur niet meer een geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is om 16.02 uur een naheffingsaanslag van € 81,- opgelegd, bestaande uit € 2,20 aan tariefkosten en € 78,80 aan standaardkosten van de naheffing.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

5. Belanghebbende voert aan dat hij op zondag 6 juli samen met zijn pasgeboren dochter bij een vriend op bezoek is geweest aan de [adres]. Belanghebbendes dochter moest na haar slaapje herhaaldelijk braken en haar kleding was vies geworden van ontlasting. Ook voelde zij warm aan. Het waren die omstandigheden die maakten dat alle aandacht naar belanghebbendes dochter uitging. Omdat belanghebbende op dat moment geen beschikking had over een thermometer was onduidelijk of ze koorts had en/of de huisarts gebeld moest worden. Verder is belanghebbende tijd kwijt geweest aan het verschonen van de baby, nu haar kleding vuil geworden was, waardoor hij uiteindelijk later van het bezoekadres is vertrokken.

5.1.

Belanghebbende voert verder aan dat hij als beginnend bestuurder nog weinig ervaring heeft opgedaan, ander andere op het gebied van betaald parkeren. De betaalapp waarover de heffingsambtenaar schrijft, is belanghebbende onbekend. Daarnaast had de gezondheid van zijn dochter voor belanghebbende prioriteit. Na het verschonen van zijn dochter is belanghebbende naar huis vertrokken. Belanghebbende is de mening toegedaan dat onder deze omstandigheden sprake is geweest van overmacht.

6. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende niet weerspreekt dat de auto op het op de naheffingsaanslag vermelde tijdstip nog geparkeerd stond aan de [adres]. Op grond van de Verordening was op dat moment (opnieuw) parkeerbelasting verschuldigd. Belanghebbende erkent ook dat op het moment van uitschrijven van de naheffingsaanslag geen parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar stelt dat overmacht in zijn algemeenheid wordt opgevat als kracht, drang, dwang waaraan men geen weerstand kan bieden, waardoor de naleving van een verplichting onmogelijk of ondoenlijk wordt. Hiervan is geen sprake, omdat belanghebbende niet alleen met zijn pasgeboren dochter was in een levensbedreigende situatie. Belanghebbende had eventueel de vriend bij wie hij op bezoek was kunnen vragen de betaalautomaat opnieuw in werking te stellen.

6.1.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de belasting te voldoen door middel van een parkeerapp. Wat daar ook van zij, het kan de heffingsambtenaar niet worden tegengeworpen dat belanghebbende een beginnend bestuurder is, omdat belanghebbende hij zich aan de regels en (parkeer)voorschriften dient te houden als hij zich in het verkeer begeeft.

Overmacht

7. De rechtbank stelt voorop dat parkeerbelasting een objectieve belasting is waarbij opzet en schuld of verwijtbaarheid geen rol spelen. Dat wil zeggen dat de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige in beginsel niet in de weg kunnen staan aan de heffing als aan de voorwaarden voor het opleggen van de aanslag is voldaan.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat slechts in het uitzonderlijke geval als iemand in redelijkheid niet in de gelegenheid is geweest parkeerbelasting te voldoen, de naheffingsaanslag achterwege dient te blijven. Van een uitzonderlijk geval is sprake wanneer onvoorziene omstandigheden, zoals een acute noodsituatie, maken dat in redelijkheid niet van een belastingplichtige gevergd kan worden de parkeerbelasting te (laten) voldoen. De rechter heeft geen ruimte om maatwerk te leveren.[_b03ccbf4-0e78-4a32-80b8-1d4800172e00]

8. Hetgeen belanghebbende aanvoert, (ook) door het ontbreken van een nadere (medische) onderbouwing, is niet aan te merken als een (plotseling levensbedreigende) overmacht situatie, waarin niet van belanghebbende was te vergen dat hij bij de parkeerautomaat opnieuw parkeerbelasting betaalde of eventueel voor hem liet voldoen door een derde.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Daarom krijgt belanghebbende het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.

griffierrechter

Uitgesproken op

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Hoge Raad, 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535, rechtsoverweging 5.4.1 - 5.4.4.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.