Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Overijssel, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6268Zaaknummer ZWO 25/1900
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/1900
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanslag verontreinigingsheffing bedrijfsruimte voor zogenoemd Collectief behandelingssysteem afvalwater (CBA). Ongegrond beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1900
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van het GBLT,
gemachtigde: [gemachtigde] LLM.
Procesverloop
1. De heffingsambtenaar heeft namens het Waterschap Zuiderzeeland op
31 augustus 2023 aan belanghebbende voor belastingjaar 2023 een aanslag verontreinigingsheffing bedrijfsruimte opgelegd van € 66,- voor 1 vervuilingseenheid.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 juni 2025 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Daarop heeft de heffingsambtenaar het waterschap gevraagd om de situatie te onderzoeken. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar met de e-mails van 21 augustus 2025 en
2 oktober 2025 een aanvullende motivering gegeven en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft op 4 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend en bijlagen overgelegd. De heffingsambtenaar heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 ter zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de invorderingsambtenaar deelgenomen. Belanghebbende is zonder voorafgaande mededeling niet verschenen ter zitting.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning [adres] in het woongebied [gebied] dat sinds 2016 in ontwikkeling is. Op dit perceel staan drie woningen die niet zijn aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Belanghebbende heeft een zogenoemd Collectief behandelingssysteem afvalwater (CBA) op haar perceel waarmee het afvalwater van genoemde drie woningen gezuiverd wordt afgevoerd. Dit water wordt geloosd in de vijver op haar perceel.
Standpunten van partijen
3. Volgens de heffingsambtenaar zijn een IBA (Individuele Behandeling Afvalwater) en de onderhavige CBA van belanghebbende - een collectief zuiveringssysteem voor meerdere woningen (al dan niet in eigen beheer en ongeacht de eigendomsverhouding: particulier of publiek) niet aan te merken als een zuiveringtechnisch systeem, maar zijn dit bedrijfsruimten, zoals bedoeld in artikel 7.1 van de Waterwet, en zijn een IBA en een CBA geen (onderdeel van een) woning, zoals het Hof Arnhem-Leeuwarden reeds in 2022 en 2023[_0663fe34-eff6-4bab-a170-82cfdec59f0c] heeft geoordeeld voor wat betreft een zogenoemde IBA.
De vijver op belanghebbendes perceel waarin gezuiverd afvalwater stroomt en waarvoor belanghebbende desverzocht een vergunning is verleend mede met het oog op het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam is (i) als zodanig een oppervlaktelichaam en (ii) is in beheer bij een waterschap, omdat de vijver (op particulier terrein) aansluit op aangrenzende percelen en soortgelijke greppels, zodat hierdoor een netwerk van berging ontstaat, zoals vastgesteld bij controle.
Omdat minimaal 1% van de door belanghebbende (en de medebewoners van de twee andere woningen) collectief afgevoerde stoffen niet gereinigd wordt, wordt een geringe hoeveelheid stoffen (toch) geloosd en is de vervuilingseenheid vastgesteld op 1. Daarom is de verontreinigingsheffing bedrijfsruimte terecht opgelegd.
4. Belanghebbende heeft het standpunt van de heffingsambtenaar en het oordeel van het Hof gemotiveerd betwist in haar uitgebreide beroepschrift. Daarbij heeft verwezen naar twee door haar genoemde noten van respectievelijk (i) annotator [naam 1], die anders dan (ii) annotator [naam 2], de juistheid van de twee eensluidende uitspraken van het Hof in twijfel trekt, niet wat betreft het niet zijn van een IBA/CBA als zuiveringtechnisch systeem, maar het oordeel van het Hof dat een IBA/CBA een bedrijfsruimte is en geen onderdeel vormt van een woning.
Beoordeling door de rechtbank
5. Deze procedure is in de kern een (verkapte) herhaling van zetten die gaat over de vraag of de CBA van belanghebbende net als de door het Hof beoordeelde IBA een bedrijfsruimte is waarvoor de - qua hoogte door belanghebbende niet betwiste - aanslag verontreinigingsheffing 2023 kan worden opgelegd.
De rechtbank beantwoordt die vraag in het voetspoor van de uitspraken van het Hof bevestigend, te meer omdat belanghebbende beschikt over een collectief en niet over een individueel systeem waarover het Hof oordeelde. In de kern heeft belanghebbende ook niet, laat staan gemotiveerd, betwist bovengenoemd standpunt van de heffingsambtenaar: er worden stoffen afgevoerd - volgens het Hof vanuit een bedrijfsruimte - naar een vijver/oppervlaktewaterlichaam die/dat al dan niet door neerslag/regenwater in verbinding staat met grondwater of sloten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.