Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6226Zaaknummer 12238640
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12238640
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vordering jegens gemeente wegens onterecht opgelegde aanslagen niet ontvankelijk omdat er nog een bestuursrechtelijke weg openstaat en er zelfs nog een bestuursrechtelijke procedure loopt.
5 De beslissing
De kantonrechter
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente begroot op € 434,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.(SB)
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12238640 \ CV EXPL 26-1707
Vonnis van 6 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: [gemachtigde 1],
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE STEENWIJKERLAND,
gevestigd in Steenwijk,
gedaagde partij, hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: [gemachtigde 2].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 mei 2026;- de schriftelijke reactie van de gemeente, aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 10 september 2026, waarbij van de zijde van [eiseres] spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2 De feiten
In 2017 heeft [eiseres] als koper een koopovereenkomst gesloten voor een woning aan de [adres 1] en [adres 2]. Bij vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2022 is die koopovereenkomst vernietigd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft die beslissing in 2023 bekrachtigd en de Hoge Raad heeft in 2024 niet gecasseerd. Door de terugwerkende kracht die de vernietiging van de koopovereenkomst heeft, is [eiseres] dus – achteraf gezien – nooit eigenaar van de woning geweest.
De gemeente heeft [eiseres] voor de jaren 2018 tot en met 2024 aanslagen opgelegd die betrekking hebben op haar (vermeende) eigendom, zoals OZB en rioolheffing.
Op 21 november 2024 heeft [eiseres] de gemeente verzocht om terugbetaling van de betaalde heffingen. De gemeente heeft de aanslagen voor drie jaar (2022-2024) gecorrigeerd. De aanslagen van 2018 tot en met 2021 zijn in stand gebleven.
Tegen dat besluit van de gemeente heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. De gemeente heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [eiseres] is in beroep gegaan bij de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank. Het beroep van [eiseres] is bij uitspraak van 13 maart 2026 ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
3 Het geschil
[eiseres] vordert dat de gemeente wordt veroordeeld om een bedrag van € 2.149,34 aan haar (terug) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
De gemeente heeft verweer gevoerd.
4 De beoordeling
In deze zaak staat vast dat [eiseres] achteraf bezien nooit eigenaar is geweest van de woning. Achteraf bezien was er geen grond voor de gemeentelijke aanslagen. Destijds heeft [eiseres] geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de aanslagen, omdat daar toen nog geen aanleiding voor was. De gemeentelijke aanslagen zijn zodoende onherroepelijk geworden.
Na de rechterlijke vernietiging van de koopovereenkomst, heeft [eiseres] verzocht om terugbetaling van de betaalde gemeentelijke aanslagen. Vervolgens heeft zij bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeente om niet alle aanslagen te corrigeren en terug te betalen. Na ongegrondverklaring van het beroep heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld. De procedure in hoger beroep loopt nog.
De kantonrechter overweegt dat de civiele rechter als ‘restrechter’ aanvullende rechtsbescherming kan bieden in geval van een rechtstekort: als het verzoek van [eiseres] kan worden getoetst in een andere, met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij een gespecialiseerde rechter en in die rechtsgang eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden bewerkstelligd, is in beginsel geen plaats voor de civiele rechter. In dit geval loopt er nog een procedure bij de bestuursrechter. Er is dus geen plaats voor een vordering bij de kantonrechter. Dat [eiseres] deze procedure heeft ingestoken op grond van een civiele rechtsgrond, namelijk onverschuldigde betaling, maakt dat niet anders. De formulering van de vorderingen en de vraag of deze vorderingen in de procedure bij de bestuursrechter kunnen worden ingesteld, zijn niet doorslaggevend. Het gaat om het met die vorderingen te bereiken materiële resultaat.[_91836d0a-f7f0-4eb7-93fe-22e43fe14f31] In dit geval hebben beide procedures hetzelfde doel: terugbetaling van de betaalde heffingen.
Mede ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen kan [eiseres] dus niet bij de civiele rechter terecht terwijl de procedure bij de bestuursrechter nog loopt. Anders dan [eiseres] stelt, is niet van belang of [eiseres] tegen haar zin in een bestuursrechtelijke procedure is terechtgekomen. [eiseres] is dus niet ontvankelijk in haar vorderingen.
[eiseres] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de gemeente betalen. De proceskosten worden begroot op € 434,00 aan salariskosten voor de vertegenwoordiging van de gemeente (2 punten x tarief € 217,00).
5 De beslissing
De kantonrechter
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente begroot op € 434,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.(SB)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.