Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Overijssel, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6195Zaaknummer ZWO 26/2453
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/2453
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Weigering correctie Brp. Tegemoetkoming op grond van aanvullend stukken na zitting door verzoeker overgelegd. Geen onvoorwaardelijke intrekking. Verzoek wordt afgewezen vanwege ontbreken belang. Geen proceskostenveroordeling. De noodzaak tot het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening niet ingegeven door tekortkoming in besluit.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | de voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te tekenen |
De voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2453
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], Spanje, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van [verzoeker] om zijn gegevens in de basisregistratie personen (Brp) te corrigeren. [verzoeker] is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het college aan [verzoeker] is tegemoetgekomen door met het besluit van 30 september 2026 het correctieverzoek toe te wijzen.
Inleiding: feiten en procesverloop
Met het besluit van 14 augustus 2026 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om de adresgegevens die van hem zijn opgenomen in het Brp te corrigeren afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 september 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [verzoeker], met behulp van een digitale beeldverbinding. Namens het college zijn ter zitting verschenen [naam 1] en
[naam 2].
Met het besluit 30 september 2026 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om correctie van zijn adresgegevens in de Brp alsnog toegewezen.
Bij brief van 5 oktober 2026 heeft [verzoeker] het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de rechtbank het bestuursorgaan veroordeelt in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker] zijn verzoek om voorlopige vooorziening niet onvoorwaardelijk heeft ingetrokken zodat van een intrekking geen sprake is en het verzoek alsnog dient te worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met het besluit van 30 september 2026 waarbij het correctieverzoek is toegewezen volledig aan [verzoeker] is tegemoetgekomen. [verzoeker] bestrijdt dat niet. Hieruit volgt dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij de gevraagde voorziening en het verzoek dan ook wordt afgewezen.
Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Volgens de voorzieningenrechter heeft het college de eerdere onderbouwing van de aanvraag van Parades [verzoeker] om de adresgegevens te corrigeren, onvoldoende kunnen vinden, op basis van de door het college gegeven motivering. Daarom is de aanvraag met het besluit van 14 augustus 2026 terecht afgewezen. Het college heeft pas na afloop van de zitting, op basis van de op 22 september 2026 ingediende aanvullende stukken, alsnog buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat Parades [verzoeker] per 3 oktober 2021 is verhuisd naar Spanje. De noodzaak tot het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet ingegeven door een tekortkoming in de besluitvorming van de zijde van het college. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | de voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te tekenen |
De voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.