Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Overijssel, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6192Zaaknummer ZWO 25/663

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 25/663
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wet hersteloperatie toeslagen; situatie kinderopvangtoeslag inmiddels integraal beoordeeld; geen belang meer bij beoordeling beroep lichte toets. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van

H. Blekkenhorst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Besluitvorming
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/663

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

en

de Dienst Toeslagen.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van de Dienst Toeslagen om in het kader van de zgn. lichte toets op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) het forfaitaire bedrag van

€ 30.000,- niet aan [eiser] toe te kennen. [eiser] is het daar niet mee eens.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser] geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit beroep, omdat de Dienst Toeslagen inmiddels met het besluit van

5 maart 2025 [eiser] definitief niet als gedupeerde heeft aangemerkt en geen compensatie aan haar heeft toegekend. Het beroep is wegens het ontbreken van procesbelang dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. [eiser] heeft zich aangemeld voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 25 maart 2024 aan [eiser] meegedeeld dat in het kader van de zgn. lichte toets geen reden wordt gezien om het forfaitaire bedrag van € 30.000,- aan haar toe te kennen. Met het besluit van 17 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiser] is de Dienst Toeslagen bij deze weigering gebleven.

1.1.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

[eiser] heeft bij brief met dagtekening 25 augustus 2026, door de rechtbank ontvangen op 8 oktober 2026, verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft dit verzoek bij brief en e-mail van 9 oktober 2026 afgewezen.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. [eiser] is niet verschenen. De Dienst Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Oude Lenferink.

Feiten

2. [eiser] heeft in de jaren 2010 tot en met 2019 gebruik gemaakt van kinderopvang en daarvoor kinderopvangtoeslag ontvangen. [eiser] heeft over de jaren 2010, 2012, 2013, 2018 en 2019 te veel kinderopvangtoeslag ontvangen. Dit heeft zij moeten terugbetalen.

Over de jaren 2011 en 2014 tot en met 2017 heeft [eiser] geen bedrag aan te veel ontvangen kinderopvangtoeslag hoeven terugbetalen.

Besluitvorming

3. [eiser] heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. In het kader van dit verzoek heeft de Dienst Toeslagen onderzocht of [eiser] in aanmerking komt voor toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. De Dienst Toeslagen heeft daartoe de zogeheten lichte toets uitgevoerd. In het kader van de lichte toets wordt gezocht naar een indicatie dat de betreffende ouder een gedupeerde is van de toeslagenaffaire. Een ouder kan gedupeerd zijn geraakt als gevolg van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het wettelijk systeem of wanneer de ouder ten onrechte de kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen.

De Dienst Toeslagen heeft geen aanleiding gezien om aan [eiser] in het kader van deze lichte toets het forfaitaire bedrag van € 30.000,- toe te kennen.

4. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij voormelde beslissing gebleven.

5. De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 5 maart 2025 aan [eiser] meegedeeld dat ook uit de integrale beoordeling is gebleken dat zij geen gedupeerde is en daarom geen recht heeft op compensatie.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft [eiser] belang bij een beoordeling van dit beroep?

6. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] geen procesbelang meer heeft. Met het besluit van 5 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen [eiser] definitief niet als gedupeerde aangemerkt en haar dus niet in aanmerking gebracht voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen is tot deze conclusie gekomen na een uitvoerige integrale beoordeling. Omdat bij de integrale beoordeling ook de onderdelen van de eerste toets opnieuw worden beoordeeld, kan met een beroep over de eerste toets niet worden bereikt dat [eiser] alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt.

6.1.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [eiser] nog wel een belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen de weigering van de Dienst Toeslagen om haar in het kader van de lichte toets als gedupeerde aan te merken en haar het forfaitaire bedrag van € 30.000,- toe te kennen.

6.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in toeslagzaken, heeft hierover al eerder een uitspraak gedaan.[_297ee4b0-acae-488e-943a-82084332c986] In die uitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen.

De lichte toets is bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarom beperkt van omvang en intensiteit. Na de lichte toets vindt altijd een integrale beoordeling plaats, tenzij een ouder kenbaar heeft gemaakt dit niet te wensen. Bij de integrale beoordeling wordt grondiger gekeken naar de situatie van de betreffende ouder en naar de vraag of de ouder als gedupeerde kan worden aangemerkt en worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Op basis van de integrale beoordeling wordt definitief beoordeeld of een ouder als gedupeerde kan worden aangemerkt en daarmee samenhangend of de ouder aanspraak kan maken op de € 30.000,- uit de Catshuisregeling of, indien van toepassing, een hogere compensatie.

Het met de Catshuisregeling gemaakte onderscheid tussen de lichte en de integrale toets in combinatie met de reikwijdte van de bestuurlijke heroverweging staat eraan in de weg dat het toetsingskader voor de beoordeling van de lichte toets door het maken van bezwaar kan wijzigen. In de heroverweging van een besluit op basis van de lichte toets kan daarom niet het toetsingskader van de integrale beoordeling worden gebruikt. Dit geldt ook als in bezwaar door de ouder informatie wordt aangedragen die gedetailleerd en volledig genoeg is om een integrale beoordeling op te baseren. Daarmee haalt een besluit op basis van de integrale beoordeling het bezwaar tegen het besluit op basis van de lichte toets in. Een ouder die op basis van de lichte toets niet als gedupeerde is aangemerkt en in de daarop gevolgde integrale beoordeling ook niet, kan in de procedure over de lichte toets niet méér bereiken dan in de procedure tegen de uitkomst van de integrale beoordeling, zodat in die gevallen met het besluit over de integrale beoordeling het procesbelang aan het beroep of hoger beroep tegen het besluit over de lichte toets komt te ontvallen. Om alsnog te bereiken dat een ouder als een gedupeerde wordt aangemerkt en daarmee aanspraak kan maken op tenminste de € 30.000,- dient de ouder zijn of haar gronden in de procedure over de integrale beoordeling aan te voeren. Dat betekent dat het procesbelang van de betreffende appellante in deze procedure over de uitkomst van de lichte toets is komen te vervallen, aldus de Afdeling.

6.3.

In dit beroep van [eiser] ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen dan de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak heeft gedaan. Het besluit van 5 maart 2025 over de integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag van [eiser] heeft de besluitvorming rond de lichte toets inmiddels ingehaald. [eiser] kan in deze procedure niet meer bereiken dat zij als gedupeerde in de kinderopvangtoeslagaffaire wordt aangemerkt. [eiser] heeft dan ook niet langer een belang bij de beoordeling van dit beroep.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal dan ook niet meer beoordelen of de Dienst Toeslagen in het kader van de lichte toets [eiser] terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-.

[eiser] krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van

H. Blekkenhorst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Dat is de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder kenmerk ECLI:NL:RVS:2026:720.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.