Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6156Zaaknummer 12181976 \ CV EXPL 26-1254
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12181976 \ CV EXPL 26-1254
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiser vordert in deze procedure veroordeling van gedaagde tot betaling van het door haar aan gedaagde geleende bedrag van € 20.250,00. Gedaagde betwist dat er sprake is van een geldlening. De kantonrechter is van oordeel dat vast is komen te staan dat tussen partijen dat een mondelinge leningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat het bedrag van € 20.250,00 door eiser aan gedaagde te leen is verstrekt. Gedaagde heeft niet gesteld – en dat is ook niet gebleken – dat hij (een deel van) de lening heeft terugbetaald. De kantonrechter wijst de vordering toe.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 323,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Samsen en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12181976 \ CV EXPL 26-1254
Vonnis van 13 oktober 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T. Esen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A. Stoel.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 9 september 2026 met productie van [eiser]- de mondelinge behandeling van 15 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen, mr. Stoel was wel aanwezig.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De kern van de zaak
[eiser] vordert in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het door haar aan [gedaagde] geleende bedrag van € 20.250,00. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een geldlening. De kantonrechter is van oordeel dat vast is komen te staan dat tussen partijen dat een mondelinge leningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat het bedrag van € 20.250,00 door [eiser] aan [gedaagde] te leen is verstrekt. [gedaagde] heeft niet gesteld – en dat is ook niet gebleken – dat hij (een deel van) de lening heeft terugbetaald. De kantonrechter wijst de vordering toe.
3 De beoordeling
De leningsovereenkomst
[eiser] stelt dat zij een mondelinge leningsovereenkomst met [gedaagde] heeft gesloten en dat zij een bedrag van € 20.250,00 aan [gedaagde] te leen heeft gegeven. Er is volgens [eiser] een bedrag van € 2.500,00 per bankoverschrijving en een bedrag van € 17.750,00 via contante betaling aan [gedaagde] geleend.
[eiser] heeft ter onderbouwing van haar stellingen een whatsappgesprek tussen haar en [gedaagde] in het geding gebracht. De whatsappberichten zijn deels in de Nederlandse en deels in de Turkse taal geschreven. Voor de beoordeling van de vraag of al dan niet sprake is van een mondelinge leningsovereenkomst, zijn de volgende whatsappberichten van belang:
- Een bericht van [gedaagde] van 1 november 2024 met de tekst: ‘ [rekeningnummer] ’ en een bericht met de tekst ‘Tnv [gedaagde] ’
- Een bericht van [gedaagde] van 1 november 2024 met de tekst: ‘Zeg maar prive lening in de omachrijving’
- Een bericht van [gedaagde] van 3 november 2024 met de tekst in de Turkse taal:
[naam 1]: €17.750
[naam 2]: € 2500
[naam 3]: €20.250
d. Een bericht van [gedaagde] van 15 januari 2025 met de tekst: ‘Word tijd dat ik je terug moet betalen’
e. Een bericht van [eiser] van 27 juni 2025 als reactie op het hiervoor onder c. genoemde bericht met de tekst: ‘Goedemorgen, ik zou graag het geld wat ik je geleend heb €20.250,-, terug willen krijgen binnen twee weken met uiterlijke datum 11 juli. (…)’
f. Een bericht van [gedaagde] van 27 juni 2025 met de tekst: ‘Kun je wat uitstellen?’
g. Een bericht van [eiser] van 27 juli 2025 met de tekst: ‘We hadden mondeling afgesproken dat ik het bedrag in februari 2025 zou terugkrijgen. (…)’
h. Een bericht van [gedaagde] van 27 juli 2025 met de tekst: ‘Klopt sommige dingen lopen net iets ander dan verwacht’ en een bericht met de tekst: ‘Bel me als je tijd hebt’
i. Een bericht van [eiser] van 27 juli 2025 met de tekst: ‘Volgens mij ben ik duidelijk toch? Waar wil je over praten dat je voorstelt om te bellen’
j. Een bericht van [gedaagde] van 27 juli 2025 met de tekst: ‘Laat maar je krijgt je geld! Je hoeft niet te bellen. (…)’
k. Een bericht van [gedaagde] van 11 juli 2025 met de tekst: ‘Je hebt me geholpen kan ik niet ontkennen. Maar helaas op dit moment is het niet mogelijk. Het is nu Vakantie echt alles ligt plat. Ik kan de eerste betaling pas vanaf medio september doen, ik kan met 2-3 termijn (totaal 1 maand) aflossen!’
Verder heeft [eiser] een screenshot van een overboeking via de bank op 1 november 2024 in het geding gebracht. Het gaat om een overboeking van een bedrag van € 2.500,00 van een bankrekening van [eiser] naar de hiervoor onder a. genoemde bankrekening van [gedaagde], waarbij de omschrijving ‘Privé lening’ staat vermeld.
Ter zitting heeft mr. Esen een vertaling van Google Translate van het bericht genoemd onder c. overgelegd. De vertaling is als volgt:
Ik heb het contant ontvangen: € 17.750
Ik heb het van de bank ontvangen: € 2.500
Totale schuld: € 20.250
Mr. Stoel heeft tijdens de schorsing van de zitting gebeld met [gedaagde]. Mr. Stoel heeft namens [gedaagde] verklaard dat de vertaling juist is. Mr. Stoel heeft namens [gedaagde] ook erkend dat [gedaagde] de bedragen van € 2.500,00 en € 17.750,00 heeft ontvangen. [gedaagde] betwist dat die bedragen in het kader van een geldleningsovereenkomst aan hem zijn betaald. Volgens [gedaagde] is sprake van een schenking.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat [eiser] en [gedaagde] een mondelinge leningsovereenkomst zijn aangegaan, dat [gedaagde] een bedrag van € 20.250,00 van [eiser] ter leen heeft ontvangen en dat [gedaagde] dat bedrag op 11 juli 2025 nog aan [eiser] verschuldigd was. Dat blijkt uit de whatsappberichten die hiervoor zijn vermeld. Bovendien is de omschrijving ‘Privé lening’ bij de overboeking van het bedrag van € 2.500,00 een duidelijke aanwijzing dat het om een geldlening gaat en niet om een schenking.
[gedaagde] heeft met betrekking tot zijn verweer dat sprake is van een schenking en geen lening onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd, noch stukken overgelegd die zijn stellingen rechtvaardigen. Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.
De lening is opeisbaar
Uit de wet volgt dat de lener verplicht is het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor de terugbetaling uit de overeenkomst voortvloeit.[_11c26aca-21f0-465a-8314-8a107b10bcee] Uit het whatsappgesprek leidt de kantonrechter af dat [eiser] en [gedaagde] mondeling overeen zijn gekomen dat het geleende bedrag in februari 2025 zou worden terugbetaald (zie hiervoor onder g. en h.). Er is geen specifieke datum overeengekomen, zodat [gedaagde] verplicht was het bedrag uiterlijk op 28 februari 2025 aan [eiser] terug te geven. Daarmee is het bedrag per die datum opeisbaar.
De vordering tot betaling van de hoofdsom wordt toegewezen
Zoals hiervoor overwogen, is sprake van een geldlening en is de geldlening opeisbaar. Vast staat dat dat [gedaagde] het geleende bedrag niet (deels) heeft terugbetaald. [gedaagde] moet het geleende bedrag van € 20.250,00 daarom terugbetalen aan [eiser]. De kantonrechter wijst de vordering toe.
De vordering tot betaling van de wettelijke rente wordt toegewezen
[eiser] heeft de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom met ingang van 1 maart 2025 gevorderd. Zoals hiervoor overwogen, is de geldlening in ieder geval per 28 februari 2025 opeisbaar. Dat betekent dat [gedaagde] per 1 maart 2025 in verzuim is geraakt vanwege het niet voldoen aan de terugbetalingsverlichting. [gedaagde] is per die datum de wettelijke rente verschuldigd. De kantonrechter zal de vordering toewijzen.
De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [eiser] heeft [gedaagde] via whatsapp verzocht de geldlening binnen twee weken terug te betalen. Deze gestelde termijn is geen betalingstermijn van veertien dagen die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde]. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] ook drie aanmaningen gestuurd. In deze aanmaningen zijn termijnen voor betaling genoemd van respectievelijk een week, twee weken en drie dagen. Geen van deze termijnen is een betalingstermijn van veertien dagen die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De proceskostenveroordeling
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
| - griffierecht | € | 93,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 86,00 | (2 punten × € 43,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | |
| Totaal | € | 323,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 323,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Samsen en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Voetnoten
- Artikel 7:129e BW.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.