Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 28 september 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6145Zaaknummer C/08/350111 / FA RK 26-1819

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28 september 2026
Publicatiedatum
13 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/350111 / FA RK 26-1819
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorzieningen en bodemprocedure omgang, doorverwijzing UHA in de bodemprocedure

De beslissing

Ik vind dat we serieus moeten nemen dat jij op dit moment niet toe bent aan contact met papa. Maar ik vind ook dat er wel moet worden gewerkt aan het contact tussen jullie.

Niet meteen weer zoals het was, maar in kleine stapjes. De mensen van de hulpverlening letten op wat het beste past bij jou.

Ik heb dit beslist:

  • Jij, papa en mama krijgen ieder eigen hulp;
  • De hulpverlening gaat kijken waar jullie behoefte aan hebben en waaraan moet worden gewerkt;
  • Zolang de hulpverlening bezig is, neem ik geen beslissing over de regeling tussen jou en papa;
  • Ik ga er van uit dat het contact met papa weer wordt opgepakt als jij eraan toe bent;

De hulpverlening gaat wel een tijdje duren. Als het is afgelopen maken de hulpverleners een verslag. Daarna komt er een nieuwe rechtszitting voor papa en mama en de advocaten. Ik denk dat het dan al bijna zomervakantie is. Als je wilt, mag jij dan ook weer een gesprek met de rechter.

[minderjarige], ik hoop dat alles zo duidelijk voor je is. En ik hoop dat jullie alle drie gaan merken dat door de hulpverlening het gemakkelijker wordt om rustig en zonder stress met elkaar om te gaan.

Met vriendelijke groet,

De kinderrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819
  5. 4 Het verweer
  6. In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819
  7. 5 Het gesprek met [minderjarige]
  8. 6 De raad
  9. 7 De beoordeling
  10. In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819
  11. 8 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummers: C/08/350111 / FA RK 26-1819 (voorlopige voorziening)

C/08/349681 / FA RK 26-1697 (bodemprocedure)

beschikking van 28 september 2026

inzake

[de vader],

verder te noemen: de man of de vader,

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker,

advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers,

en

[de moeder],

verder te noemen: de vrouw of de moeder,

wonende te [woonplaats 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. I. van Meeteren.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819

- het verzoekschrift voorlopige voorzieningen met bijlagen van mr. Plantema-Volkers, ontvangen op 24 juli 2026;

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen van mr. Van Meeteren, ontvangen op 10 september 2026;

- een F9-formulier van 15 september 2026 met productie van mr. Plantema-Volkers.

In de procedure met nummer C/08/349681 / FA RK 26-1697

- het verzoekschrift met bijlagen van mr. Plantema-Volkers, ontvangen op 10 juli 2026;

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen van mr. Van Meeteren, ontvangen op 10 september 2026;

- een F9-formulier van 15 september 2026 met productie van mr. Plantema-Volkers.

1.2.

Op 18 september 2026 heeft [minderjarige] een gesprek met de kinderrechter gehad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter de inhoud van het gesprek met [minderjarige] samengevat. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

1.3.

De mondelinge behandeling heeft op 21 september 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. Plantema-Volkers;

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Meeteren;

- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

1.4.

Het verzoek van de vrouw tot wijziging van de in de beschikking van 11 februari 2016 vastgestelde kinderalimentatie[_1228795c-a0bc-411c-9d65-498bec75dd71] is niet behandeld omdat de verweertermijn nog loopt. Dit verzoek zal in een latere zitting worden behandeld.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2015 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Deze beschikking is op 21 mei 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

De man en de vrouw zijn de ouders van het minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014

2.3.

Bij beschikking van 11 februari 2016 is - voor zover hier relevant - de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld: eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot maandag 10.00 uur en omgang tijdens de vakanties en de feestdagen in onderling overleg tussen de ouders nader vast te stellen.

3 De verzoeken

In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819

3.1.

De vader verzoekt de rechtbank voor de duur van de bodemprocedure bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  • [minderjarige] voorlopig aan de vader toe te vertrouwen;
  • primair te bepalen dat [minderjarige] voorlopig iedere woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend 8.30 uur/naar school alsmede één keer per twee weken van vrijdag uit schoolt tot maandag nar school bij de vader verblijft;

subsidiair te bepalen dat de moeder uitvoering moet geven aan de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 11 februari 2016;

zowel primair als subsidiair: te bepalen dat de moeder de zorgregeling moet nakomen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat de moeder de regeling niet nakomt met een maximum van € 50.000,- althans een dwangsom zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;

de moeder te veroordelen in de proceskosten.

In de procedure met nummer C/08/349681 / FA RK 26-1697

3.2.

De vader verzoekt in de bodemprocedure de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  • het hoofdverblijf van [minderjarige] te bepalen bij de vader;
  • te bepalen dat [minderjarige] iedere woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend 8.30 uur naar school alsmede één keer per 2 weken van vrijdag uit school tot en met maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede de helft van de vakantie-en feestdagen;
  • te bepalen dat de moeder de zorgregeling na moet komen op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- per dagdeel of dag dat de moeder de regeling niet nakomt met een maximum van € 50.000,--, althans een dwangsom zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;
  • te bepalen dat de moeder de vader één keer per maand via email informeert over belangrijke aangelegenheden in de levens van [minderjarige] onder andere op het gebied van gezondheid;
  • de moeder te veroordelen in de proceskosten.
3.3.

De vader licht zijn verzoeken als volgt toe. Als het hoofdverblijf bij de vader wordt bepaald, moet het verzoek over de zorgregeling worden gelezen als een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]. De in de voorlopige voorzieningen procedure verzochte zorgregeling is bedoeld als een voorwaardelijk verzoek, namelijk voorzover de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] niet bij hem bepaalt.

3.4.

De vader stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening omdat hij sinds maart 2026 zijn dochter niet meer gezien heeft. Volgens de vader is er geen reden om bang voor hem te zijn. Er is geen sprake van ernstig bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] zodat er geen aanleiding is de eerdere zorgregeling op te schorten of te schorsen of te stoppen. De communicatie tussen de vader en de moeder is slecht. De vader vindt dat beide ouders hulp nodig hebben voor een betere communicatie zodat zij beiden [minderjarige] naar volwassenheid kunnen begeleiden.

3.5.

Tussen de ouders is in het verleden veel gebeurd waardoor de moeder haar angsten op hun dochter projecteert, aldus de vader. Daardoor voelt [minderjarige] zich niet vrij om naar haar vader te gaan en te zijn wie zij is. Omdat de moeder [minderjarige] niet stimuleert om naar de vader te gaan, leeft [minderjarige] in twee verschillende werelden. Hierdoor is zij onnodig door de moeder in een groot loyaliteitsconflict gebracht. Zodra de omgang tussen de vader en [minderjarige] goed verloopt, komt de moeder met iets nieuws waardoor de omgang volgens de moeder niet meer in het belang van [minderjarige] is en breekt zij de omgang af. [minderjarige] geeft zelf aan dat zij graag bij haar vader wil zijn, aldus de vader.

3.6.

De vader stelt dat hij de meest stabiele opvoeding kan bieden en vraagt daarom in de bodemprocedure een wijziging van de hoofverblijfplaats. De vader stelt dat dit in het belang van [minderjarige] is. De vader is al jaren samen met zijn huidige vrouw en woonachtig op dezelfde plek. Hij had fijn contact met [minderjarige] en ook het contact tussen [minderjarige] en zijn vrouw is goed. De man zal de moeder niet het contact met [minderjarige] ontzeggen.

3.7.

De vader staat open voor hulpverlening door Accare of Passie voor Jeugd en Gezin mits er een andere jeugdconsulent komt. De vader heeft geen vertrouwen in de huidige jeugdconsulent. De vader is ook bereid om toestemming te geven om naar het buitenland te reizen, als de moeder die toestemming op tijd vraagt en het duidelijk is wanneer [minderjarige] waar is. De vader vindt het moeilijk dat de raad in haar advies geen voorlopige regeling voorstaat.

4 Het verweer

In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819

4.1.

Als voorlopige voorzieningen verzoekt de moeder de rechtbank om bij beschikking:

a. a) primair de bestaande zorgregeling voor de duur van het geding tijdelijk op te schorten, althans te schorsen, in afwachting van passende hulpverlening en totdat duidelijkheid bestaat over de belastbaarheid van [minderjarige] en de wijze waarop eventueel contact met vader op een voor haar veilige en verantwoorde wijze kan worden vormgegeven;

b) subsidiair de omgang tussen vader en [minderjarige] tijdelijk stop te zetten voor de duur van het geding, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode;

In de procedure met nummer C/08/349681 / FA RK 26-1697

4.2.

De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vader. Bij wege van zelfstandige verzoeken verzoekt de moeder de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a. primair de bestaande zorgregeling tussen vader en [minderjarige] primair tijdelijk op te schorten, althans te schorsen, in ieder geval gedurende de periode waarin [minderjarige] passende hulpverlening ontvangt en totdat op basis daarvan kan worden beoordeeld welke vorm van contact met vader voor [minderjarige] verantwoord en in haar belang is;

subsidiair te bepalen dat vader gedurende een door de rechtbank te bepalen periode geen contact met [minderjarige] zal hebben, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode;

te bepalen dat een eventuele hervatting van het contact tussen vader en [minderjarige] eerst aan de orde is nadat voldoende duidelijkheid bestaat over de belastbaarheid van [minderjarige] en de wijze waarop dit contact op een voor haar veilige en verantwoorde wijze kan worden vormgegeven;

de beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 11 februari 2016 voor wat betreft de onderhoudsbijdrage te wijzigen en te bepalen dat de vader met ingang van 10 september 2025 aan de moeder een bedrag dient te voldoen ad € 526,- per maand;

vervangende toestemming te verlenen voor het aanmelden van [minderjarige] bij psychologische en/of traumagerichte hulpverlening;

vervangende toestemming te verlenen voor het reizen van [minderjarige] naar België ten behoeve van bezoeken aan haar opa aan moederszijde;

te bepalen dat deze toestemming een doorlopend karakter heeft en geldt voor familiebezoeken gedurende de minderjarigheid van [minderjarige], althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode.

4.3.

De moeder licht haar standpunt als volgt toe. De moeder betwist het spoedeisend belang bij de verzoeken om voorlopige voorzieningen. Bovendien is de situatie tussen de ouders onderling en [minderjarige] te complex om in een spoedprocedure te beoordelen. De bodemprocedure leent zich wel voor behandeling van het verzoek omdat daar de mogelijkheid van een raadsonderzoek bestaat.

4.4.

De moeder mist zelfreflectie bij de vader als het over de angst van [minderjarige] voor haar vader gaat. [minderjarige] ervaart spanning rondom de wijze waarop de vader reageert op keuzes die zij maakt en waar de vader het niet mee eens is. [minderjarige] voelt zich niet vrij om contact te hebben met de moeder als zij bij de vader is. De vader staat dat ook niet toe. In plaats van betrokkenheid op [minderjarige] te tonen, start de vader een procedure. De moeder heeft tijdens haar hulpverlening gezien dat de spanning tussen de ouders door [minderjarige] wordt gevoeld en [minderjarige] stress geeft. Dat uit zich bij [minderjarige] door angstklachten en paniekaanvallen. Dat is een ontwikkelingsbedreiging en maakt een schorsing van de omgang noodzakelijk. Volgens de moeder is er sprake van een zeer onveilige hechting van [minderjarige] door de agressie van de vader en [minderjarige] weet niet hoe ze daar mee om moet gaan.

4.5.

De moeder heeft in maart 2026 het contact tussen [minderjarige] en de vader verbroken omdat zij dat advies van de jeugdconsulent had gekregen. Deze consulent vroeg haar later haar bericht aan de vader te rectificeren omdat zij niet wilde dat haar advies op papier stond. De moeder vindt nog steeds dat hulpverlening aan de ouders en [minderjarige] nodig is. [minderjarige] stond eerder op een lijst ingeschreven voor ambulante hulpverlening bij beide ouders thuis en een onafhankelijk persoon voor [minderjarige]. De vader heeft zijn eerder gegeven toestemming ingetrokken, maar de moeder wil dat traject weer starten. De moeder wil dat de wens van [minderjarige] wordt gerespecteerd en de opbouw van het contact met de vader vanuit rust begint. [minderjarige] zal zich dan gehoord voelen waardoor er een basis van vertrouwen is. Vanuit die basis kan verder gekeken worden wat er nodig is voor [minderjarige] waarbij aangesloten wordt bij haar ontwikkeling en draagkracht.

4.6.

Over het verzoek van de vader tot wijziging van het hoofdverblijf stelt de moeder dat [minderjarige] sinds 2014 bij haar is en er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder biedt voldoende stabiliteit, veiligheid en continuïteit. De vader heeft zijn stelling onvoldoende onderbouwd.

5 Het gesprek met [minderjarige]

5.1.

In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat zij het naar haar zin heeft op school. Zij zit nu in de brugklas van het [school] in [plaats]. [minderjarige] vertelde verder dat zij een paar dagen voor haar verjaardag bij haar vader is geweest en dat zij sindsdien geen fysiek contact meer heeft, behalve één keer naar McDonalds geappt. Volgens [minderjarige] heeft haar vader tegen haar gezegd dat ze zelf mocht weten of ze wel of niet naar hem wilde komen. De vader is vaak boos. , [minderjarige] heeft last van de boosheid van haar vader en wil dat dat opgelost wordt.

6 De raad

6.1.

De raad vindt het pijnlijk om te horen hoeveel [minderjarige] moet dragen om tussen de wereld van de vader en de wereld van de moeder te bewegen, wetende dat de ouders het niet met elkaar eens zijn en elkaar niet infomeren. [minderjarige] staat in een spagaat tussen die werelden en dat uit zich in klachten zoals buikpijn, angst, spanning en paniekaanvallen. De raad ziet echter ook dat er een diepere laag onder zit en dat de klachten van [minderjarige] niet alleen aan de vader kunnen worden gerelateerd. Om dit op te lossen, zodat [minderjarige] onbezorgd kan opgroeien naar volwassenheid is het nodig dat de ouders hun verantwoordelijkheid nemen. De raad vindt het belangrijk dat de ouders hulpverlening accepteren en daarin ondersteund worden door de gemeente.

6.2.

De raad adviseert daarom de ouders te verwijzen naar de Gemeentelijke Toegang. Er moet eerst aandacht zijn voor [minderjarige] zodat zij lekker in haar vel zit. Daarna kan er gewerkt worden aan een opbouw van de contacten met haar vader. Dat mag niet geforceerd worden door het vastleggen van een voorlopige regeling, maar moet in het tempo van [minderjarige]. De raad begrijpt dat dit advies pijnlijk voor de vader is, maar denkt dat het beter is om geduld te hebben en het nu goed te doen dan omgang af te dwingen en [minderjarige] kwijt te raken.

7 De beoordeling

In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819

7.1.

De rechtbank zal de verzoeken van zowel de vader als de moeder afwijzen. De rechtbank legt dit uit. De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat [minderjarige] op dit moment geen omgang met haar vader wil omdat zij bang is voor de woede-uitbarstingen van de vader. In navolging van het advies van de raad ziet ook de rechtbank dat er een diepere laag onder die angst zit. Beide ouders hebben [minderjarige] -al dan niet bewust- in die positie gebracht waarin zij zich tussen twee geheel verschillende werelden moet bewegen. [minderjarige] heeft voor nu gekozen voor de wereld van de moeder zodat zij geen stress meer heeft. [minderjarige] nu dwingen tot contact met haar vader zal een averechts effect hebben waardoor [minderjarige] zich steeds meer zal verzetten tegen die omgang. Omdat de ouders ter zitting instemden met de inzet van hulpverlening en van daaruit gewerkt zal worden aan herstel en opbouw van de contacten tussen de vader en [minderjarige] moet dat traject niet doorkruist worden door een voorlopige regeling, noch door een schorsing van de omgangsregeling. Dat betekent ook dat er geen ruimte is voor een dwangsom. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om hun communicatie dusdanig te verbeteren dat [minderjarige] geen last meer heeft van de spanningen tussen de ouders..

In de procedure met nummer C/08/349681 / FA RK 26-1697 (bodemprocedure)

7.2.

De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen zich aan te melden bij de gemeentelijke toegang van de gemeente Steenwijkerland, aangezien zij graag willen deelnemen aan een hulpverleningstraject. Zij hebben het aanmeldingsformulier ‘scheidingshulpverlening gemeentelijke toegang’ ingevuld en ondertekend. De rechtbank heeft dit formulier toegezonden aan de gemeente. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot de verzoeken in de bodemprocedure aanhouden, zodat de ouders en [minderjarige] kunnen deelnemen aan een hulpverleningstraject bij een door de gemeentelijke toegang te bepalen instantie.

7.3.

Het beoogde resultaat van het hulpverleningstraject is dat:

- er een goed lopende omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige];

- dat de ouders goed met elkaar communiceren;

- de ouders het bestaande patroon dat hun samenwerking belemmert doorbreken;

- er door de hulpverlening met [minderjarige] wordt gesproken om te kijken hoe zij de problemen rond de gescheiden ouders beleeft en om te onderzoeken of hulp nodig is voor [minderjarige].

Tevens wil de rechtbank worden geïnformeerd door de hulpverlenende instantie over relevante kind-/ouderfactoren die de rechtbank bij de beslissing dient te betrekken.

7.4.

De rechtbank verzoekt de hulpverlenende instantie om uiterlijk op de na te melden datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank en de raad de eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen.

7.5.

De rechtbank zal binnen twee weken na ontvangst deze eindrapportage doorzenden aan de advocaten van de ouders en hen in de gelegenheid stellen daarop binnen een termijn van twee weken te reageren en daarbij aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk achten.

7.6.

Indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat zal de raad aan de hand van de eindrapportage bezien of er een onderzoek van de raad noodzakelijk is. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen.

7.7.

De moeder heeft ter zitting de rechtbank gevraagd wel alvast een beslissing te nemen op het verzoek om vervangende toestemming om met [minderjarige] naar België te mogen reizen en dat die toestemming een doorlopend karakter heeft voor familiebezoeken.

7.8.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Het verzoek is te algemeen van aard en omschrijft niet een specifieke datum of gelegenheid en duur. niet voldoende concreet over data, bestemming en duur. Een dergelijk geformuleerd verzoek, dat neerkomt op ongelimiteerde toestemming kan de rechtbank niet toewijzen. Bovendien heeft de vader de noodzaak van de vervangende toestemming uitdrukkelijk betwist. De vader heeft ter zitting toegezegd dat hij altijd – tijdig – toestemming zal hebben voor bezoek aan de opa in België.

7.9

De kinderrechter heeft voor [minderjarige] een brief geschreven aan waarin zij de aan [minderjarige] op een bij haar leeftijd passende wijze uitlegt welke beslissing zij heeft genomen. De tekst van de brief hecht de kinderrechter aan deze beschikking.

8 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met nummer C/08/350111 / FA RK 26-1819

- wijst de verzoeken van de vader en de verzoeken van de moeder af;

In de procedure met nummer C/08/349681 / FA RK 26-1697

- verzoekt de door de gemeentelijke toegang te noemen instantie uiterlijk maandag 22 maart 2027 of zoveel eerder als mogelijk, de eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject aan de rechtbank en de raad over te leggen;

- stelt de ouders in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage te reageren op deze eindrapportage en daarbij aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk achten;

- verzoekt de raad bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is en de rechtbank daarover binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage te informeren, en, indien dat het geval is, een onderzoek te verrichten naar welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling het meest wenselijk voor [minderjarige] is, binnen een nog te bepalen termijn en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen;

- wijst af het verzoek van de moeder tot een doorlopende vervangende toestemming naar België te reizen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Bruggen en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026 in tegenwoordigheid van mr. E.R. van Schaik, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Uitsluitend tegen het deel van deze beschikking gewezen onder nummer C/08/349681 / FA RK 26-1697 kan - door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  • door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Beste [minderjarige],

Op 17 september ben jij bij mij op gesprek geweest. We hebben toen gepraat over hoe het met jou gaat en het contact met papa.

Jij hebt verteld dat je niet meer naar papa gaat, omdat je bang bent dat hij boos wordt. Hulpverlening voor jouw ouders zou goed zijn, je hoopt dat papa dan minder gauw boos wordt.

De rechtszaak

De rechtszaak was op 21 september. Papa en mama waren er met hun advocaat (ze hebben allebei een eigen advocaat) en er was een deskundige van de raad voor de kinderbescherming.

Contact met papa

We hebben gepraat over hoe het met jou gaat en over hoe papa en mama met elkaar omgaan. En over het contact tussen jou en papa.

Papa wil je graag zien. Hij heeft gezegd dat je altijd welkom bent. Mama vindt het belangrijk dat je contact hebt met papa, maar ze wil dat er eerst rust komt voor jou.

België

Papa heeft gezegd dat hij gewoon toestemming geeft als jij naar opa in België wil.

Hulpverlening

Papa en mama willen allebei aan zichzelf gaan werken, zodat er minder problemen zijn tussen hen.

Ze vinden het ook goed dat jij met iemand gaat praten die er speciaal is voor jou.

Papa en mama hebben beloofd dat ze hulp gaan zoeken. Dat vind ik heel goed van hen.

De beslissing

Ik vind dat we serieus moeten nemen dat jij op dit moment niet toe bent aan contact met papa. Maar ik vind ook dat er wel moet worden gewerkt aan het contact tussen jullie.

Niet meteen weer zoals het was, maar in kleine stapjes. De mensen van de hulpverlening letten op wat het beste past bij jou.

Ik heb dit beslist:

  • Jij, papa en mama krijgen ieder eigen hulp;
  • De hulpverlening gaat kijken waar jullie behoefte aan hebben en waaraan moet worden gewerkt;
  • Zolang de hulpverlening bezig is, neem ik geen beslissing over de regeling tussen jou en papa;
  • Ik ga er van uit dat het contact met papa weer wordt opgepakt als jij eraan toe bent;

De hulpverlening gaat wel een tijdje duren. Als het is afgelopen maken de hulpverleners een verslag. Daarna komt er een nieuwe rechtszitting voor papa en mama en de advocaten. Ik denk dat het dan al bijna zomervakantie is. Als je wilt, mag jij dan ook weer een gesprek met de rechter.

[minderjarige], ik hoop dat alles zo duidelijk voor je is. En ik hoop dat jullie alle drie gaan merken dat door de hulpverlening het gemakkelijker wordt om rustig en zonder stress met elkaar om te gaan.

Met vriendelijke groet,

De kinderrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.