Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 17 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6046Zaaknummer C/08/351158 / JE RK 26-1435
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Publicatiedatum
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/08/351158 / JE RK 26-1435
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De raad verzoekt een verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter wijst het verzoek af omdat er binnen de gevraagde termijn geen concrete doelen zijn waaraan de GI kan werken om de ontwikkelingsbedreigingen nog verder weg te nemen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de raad af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. C.W. Couperus - van Kooten, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier, en op schrift gesteld op 8 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351158 / JE RK 26-1435
Datum uitspraak: 17 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, hierna te noemen de GI,
en [minderjarige].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 september 2026;
- een bericht van de raad van 4 september 2026 met een bijlage.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] en [naam 3] namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 21 september 2026.
3 Het verzoek
De raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Voor de onderbouwing van zijn verzoek verwijst de raad naar de overgelegde stukken. Op de mondelinge behandeling heeft de raad toegelicht dat het de vraag is of [minderjarige] zich zonder ondertoezichtstelling goed zal blijven ontwikkelen. [minderjarige] zit in een isolement. Op school is hij regelmatig betrokken bij een vechtpartij. Voor een positieve verandering in de situatie rondom [minderjarige] is het noodzakelijk dat de ouders gaan werken aan hun onderlinge dynamiek.
4 De standpunten
De moeder is het eens met het verzoek. Echter verzoekt zij de raad om een periode te hanteren die daadwerkelijk haalbaar is. De moeder vindt dat de voorgestelde negen maanden in moeten gaan op het moment dat de nieuwe jeugdbeschermer(s) ingewerkt zijn in de casus. [minderjarige] heeft inderdaad gezegd dat hij geen nieuwe behandeling of een nieuw hulpverleningstraject aan wil gaan, maar hij heeft ook tegen de jeugdbeschermer gezegd wat hij wel wil. De moeder denkt dat er eerst meer rust moet zijn voor [minderjarige]. Ze vindt het belangrijk dat er wordt gewerkt aan de omgangsregeling.
De vader is het eens met het verzoek. Hij vindt dat er in de afgelopen periode onvoldoende is gebeurd om het tij te keren. Op dit moment zit het gezin nog maar twee jaar in de huidige situatie waarbij [minderjarige] bij de vader woont. De vader vraagt zich af of het niet te vroeg is om de ondertoezichtstelling af te sluiten. Hij vindt dat de GI meer regie had kunnen voeren. De GI kan bijvoorbeeld aanwijzingen geven aan de ouders zodat de invloed van de ouders op de alledaagse zaken minder groot wordt.
De GI verwacht dat een verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer op gaat leveren dan de inzet van de GI in de afgelopen vier jaar. De verlenging heeft dan ook geen meerwaarde. In de afgelopen periode zijn er meerdere vormen van hulpverlening geweest. Op dit moment is er voor [minderjarige] nog een kindercoach betrokken vanuit het Leger des Heils. [minderjarige] wil dit echter zelf niet meer en hij wil ook geen andere hulpverlening. Het Leger des Heils overweegt daarom om de inzet van de kindercoach af te ronden. Op school kan [minderjarige] aanspraak maken op het zorgteam. De ouders hebben bij Trias overeenstemming bereikt over de omgang tot 2030 en hebben daar een PSO-traject gevolgd. De GI heeft er vertrouwen in dat de ouders de huisarts of de gemeente zullen benaderen als de zorgen rondom [minderjarige] toenemen.
[minderjarige] vindt het niet zo nodig dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Hij wil niet dat het wordt verlengd zodat hij aan zijn gevoelens kan werken en daarover moet praten. [minderjarige] wil geen gesprekken met de hulpverlening.
5 De beoordeling
De kinderrechter wijst het verzoek van de raad af en legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter ziet dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige]. [minderjarige] zit nog klem tussen zijn ouders en er zijn zorgen over zijn emotieregulatie, sombere gevoelens en aansluiting bij leeftijdgenoten. Tegelijk blijkt uit de stukken dat binnen de ondertoezichtstelling wel positieve stappen zijn gezet. [minderjarige] heeft nu contact met beide ouders. Er is nog sprake van complexe echtscheidingsproblematiek, maar er zijn stappen gezet in de vormgeving van het ouderschap doordat ouders hebben deelgenomen aan het PSO-traject. [minderjarige] heeft begeleiding gehad van een kindercoach. Deze hulp wordt op korte termijn afgerond.
De kinderrechter begrijpt dat de raad graag verdere ondersteuning van [minderjarige] zou zien. Uit de stukken en het gesprek met [minderjarige] is echter duidelijk geworden dat [minderjarige] op dit moment niet open staat voor verdere hulpverlening. De kinderrechter verwacht, gezien het standpunt van [minderjarige], niet dat binnen de door de raad gevraagde termijn van negen maanden van de ondertoezichtstelling deze situatie zal veranderen. Zonder hulpvraag van [minderjarige], kan de GI geen ondersteuning inzetten. Mocht [minderjarige] behoefte aan een hulpverleningstraject in de toekomst veranderen, dan kan hij hierover in gesprek met het zorgteam van zijn school of zijn ouders. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij er voldoende vertrouwen in heeft dat de ouders dan actie ondernemen.Verder is van belang dat er meer duidelijkheid lijkt te zijn over afspraken tussen de ouders en hoe zij belangrijke beslissingen nemen, nu de ouders beide een PSO-traject hebben gevolgd bij Trias. De GI verwacht dat er een risico blijft dat het ouders onvoldoende lukt om op een positieve en constructieve manier invulling te geven aan gezamenlijk ouderschap, maar verwacht tegelijk dat deze kwetsbaarheid zowel met als zonder ondertoezichtstelling blijft en dat verlenging van de ondertoezichtstelling onvoldoende zal bijdragen aan een verdere verandering. Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet duidelijk is geworden aan welke concrete doelen de GI in de komende negen maanden zou kunnen werken om de ontwikkelingsbedreigingen nog verder weg te nemen, acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer het aangewezen middel om de situatie te verbeteren.
De kinderrechter overweegt ten overvloede dat het nu aan de ouders is om [minderjarige] niet te belasten met de dynamiek tussen de ouders en hem het contact met de andere ouder te gunnen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de raad af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. C.W. Couperus - van Kooten, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier, en op schrift gesteld op 8 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.