Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Overijssel, 1 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:5849Zaaknummer C/08/344770 / FA RK 26-343

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
1 oktober 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/344770 / FA RK 26-343
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, ouders niet samengewoond, beide ouders kinderen uit eerdere relatie. Afgeweken van uitgangspunt dat draagkracht gelijk wordt verdeeld omdat vast staat dat beide ouders met een vast (gemiddeld) bedrag per maand bijdragen in die kosten. Opgenomen bij extra lasten ipv bij alimentatie eerdere kinderen.

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de vader voortaan gezamenlijk met de moeder met het gezag over [kind 2] is belast;

7.2.

stelt de volgende zorgregeling vast waarbij [kind 1] en [kind 2] bij de vader verblijven:

- elke vrijdag na school vanaf 14.30 uur tot zondagavond na het avondeten;

- de helft van de vakanties en feestdagen;

waarbij het halen en brengen wordt verdeeld in die zin dat de vader de kinderen op vrijdag uit school haalt en de moeder de kinderen op zondag bij de vader haalt.

7.3.

bepaalt dat de moeder vanaf 20 augustus 2026 tot 6 november 2026 een bedrag van € 111,- (HONDERD ELF EURO) in totaal per maand moet betalen aan de vader als kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2];

7.4.

bepaalt dat de moeder vanaf 6 november 2026 een bedrag van € 38,- (ACHTENDERTIG EURO) in totaal per maand moet betalen aan de vader als kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2];

7.5.

bepaalt dat de moeder vanaf vandaag deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

7.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.7

beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

7.8

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Vodegel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026 in tegenwoordigheid van J.C. Bouman, griffier.

De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  • door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 Het verweer met een zelfstandig verzoek
  5. 5 Het verweer op het zelfstandig verzoek
  6. 6 De beoordeling
  7. 7 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/344770 / FA RK 26-343

beschikking van 1 oktober 2026

in de zaak van

[de vader],

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat: mr. D. van der Wijk,

en

[de moeder],

verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat: mr. M.B. Beerentsen.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 9 februari 2026;
  • het F9-formulier van 16 februari 2026 met producties van mr. Van der Wijk;
  • het verweerschrift met bijlagen met een zelfstandig verzoek, binnengekomen op 18 mei 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen op het zelfstandige verzoek, binnengekomen op 11 juni 2026;
  • het F9-formulier van 11 juni 2026 met producties van mr. Beerentsen;
  • de akte overleggen producties tevens aanvullend / gewijzigd verzoek met producties, binnengekomen op 20 augustus 2026;
  • een F9-formulier van 21 augustus 2026 met producties van mr. Beerentsen;
  • een F9-formulier van 24 augustus 2026 met productie van mr. Beerentsen.
1.2.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 3 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan mr. Van der Wijk;
  • de moeder, bijgestaan door mr. Beerentsen;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij hebben samen de navolgende kinderen:

[kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2019,

[kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2021.

De kinderen verblijven bij de moeder.

2.3.

De vader heeft de kinderen erkend. De ouders hebben samen het gezag over [kind 1]. De moeder heeft alleen het gezag over [kind 2].

2.4.

De vader heeft uit een vorige relatie twee meerderjarige kinderen:

- [kind 3], geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats 3];

- [kind 4], geboren op [geboortedatum 4] 2007 te [geboorteplaats 4].

2.5.

De moeder heeft uit een vorige relatie één kind:

- [kind 5], geboren op [geboortedatum 5] 2013 te [geboorteplaats 5].

[kind 5] staat ingeschreven bij haar vader en verblijft om de week bij de moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) te bepalen dat de ouders in het vervolg ook samen het gezag over [kind 2] zullen uitoefenen,

b) tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] de volgende zorg-/omgangsregeling vast te stellen: elke vrijdag na school vanaf 14.30 uur tot zondagavond na het avondeten, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen waarbij het halen en brengen wordt verdeeld in die zin dat de vader de kinderen op vrijdag uit school haalt en de moeder de kinderen op zondag bij de vader haalt.

4 Het verweer met een zelfstandig verzoek

4.1.

De moeder refereert zich aan de verzoeken van de vader.

4.2.

Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de moeder de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a) de vader te verplichten maandelijks bij vooruitbetaling aan haar te voldoen een bedrag van € 500,- in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2];

kosten rechtens.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

5.1

De vader voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de moeder, dan wel de bijdrage - na wijziging bij akte en wijziging ter zitting - vast te stellen op € 96,- per kind per maand met ingang van 20 augustus 2026, althans te bepalen wat de rechtbank juist acht.

6 De beoordeling

Gezag

6.1.

De rechtbank constateert dat de moeder kan instemmen met het verzoek van de vader om ook over [kind 2] het gezamenlijk gezag te krijgen. Dat is ook overeenkomstig het uitgangspunt van de wetgever. Nu niet gebleken is van een afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, zal de rechtbank het verzoek van de vader in het belang van [kind 2] toewijzen.

Zorg- en contactregeling

6.2.

De rechtbank constateert dat de ouders het eens zijn over de door de vader verzochte regeling. Deze regeling houdt ook in dat de kinderen de overige tijd bij de moeder zijn. Omdat niet is gebleken dat de belangen van [kind 1] en [kind 2] zich tegen deze regeling verzetten, zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen zoals is verzocht.

Kinderalimentatie

De behoefte van [kind 1] en [kind 2]

6.3.

Tussen de ouders is niet in geschil dat zij nooit in gezinsverband met [kind 1] en [kind 2] hebben samengeleefd. De behoefte van [kind 1] en [kind 2] wordt dan bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordeelt de rechtbank de welstand die [kind 1] en [kind 2] bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houdt de rechtbank rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), als de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit, gaat het daarom om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

6.4.

De moeder heeft onweersproken gesteld dat de relatie is verbroken in de zomer van 2025. Daarom zal de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] uitgaan van het inkomen van de ouders in 2025.

6.5.

Uit de jaaropgaaf van de vader van 2025 blijkt een inkomen van € 56.048,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de (belasting)tarieven van 2025 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vader op € 4.265,- per maand. De behoefte van [kind 1] en [kind 2] bedraagt volgens de Nibud-tabel, uitgaande van twee kinderen, dan € 974,- in totaal per maand.

6.6.

Uit de jaaropgaves van de moeder van 2025 blijkt een WW-uitkering van € 33.615,-en een inkomen uit arbeid van € 22.482,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de (belasting)tarieven van 2025 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de moeder op € 4.118,- per maand. De behoefte van [kind 1] en [kind 2] bedraagt volgens de Nibud-tabel dan, uitgaande van twee kinderen in verband met de inschrijving van [kind 5] bij haar vader, € 938,- in totaal per maand. De rechtbank houdt geen rekening met door de vrouw genoemde kinderopvangkosten omdat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat die - na aftrek van de kinderopvangtoeslag - zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

6.7.

Het gemiddelde van voornoemde behoeftes is dan € 956,- (974 + 938 / 2) per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [kind 1] en [kind 2] € 1.000,- in totaal per maand, dat is € 500,- per kind per maand. De rechtbank moet vervolgens beoordelen op welke wijze de ouders in de behoefte moeten voorzien en zal hieronder de draagkracht van hen berekenen.

Draagkracht van de vader

Netto besteedbaar inkomen

6.8.

Voor de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van zijn huidige inkomen. Hoewel de vader heeft gesteld dat hij naar verwachting in april 2027 een beslissing verwacht op de aanvraag van een WIA-uitkering, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarop vooruit te lopen omdat dit een nog onzekere toekomstige gebeurtenis is.

6.9.

Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt een inkomen van € 5.389,87 bruto per maand exclusief vakantiegeld, een inhouding wegens langdurige ziekte van € 1.616,96 bruto per maand, een premie ABP Pensioen/NP van € 283,60 per maand en een premie ABP AP van € 6,04 per maand.

6.10.

De rechtbank houdt, net als de vader, rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat hij voldoet aan het criterium van de Belastingdienst dat de kinderen minimaal 156 dagen per jaar bij hem verblijven. Uitgaande van de vast te stellen regeling, verblijven de kinderen ongeveer 162[_d4697b37-d5c1-40c6-9ea5-2c1accaca735] dagen per jaar bij de vader. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en de (belasting)tarieven van 2026 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vader op € 3.324,- per maand.

Extra lasten

6.11.

Tussen de ouders is in geschil of rekening moet worden gehouden met de aflossing op een lening voor de aanschaf van zonnepanelen ter hoogte van € 31,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat dit geen noodzakelijke last is omdat het een keuze van de vader is geweest om zonnepanelen te laten plaatsen en voor de aanschaf daarvan een lening aan te gaan. Bovendien heeft de vader ook een financieel voordeel van de zonnepanelen.

6.12.

Verder is tussen de ouders in geschil of rekening moet worden gehouden met de abonnementskosten en de aflossingskosten ten behoeve van de aanschaf van de mobiele telefoons voor [kind 3] en [kind 4] ter hoogte van € 52,33 per maand. De rechtbank is ook ten aanzien van deze kosten van oordeel dat niet gebleken is dat dit een noodzakelijke last is. Het gaat hier om verblijfsoverstijgende kosten van [kind 3] en [kind 4]. Dat de vader deze kosten voldoet naast de maandelijkse bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [kind 3] en [kind 4] is een keuze van de vader. Als de vader deze kosten wil blijven betalen, zal hij dat uit zijn vrije ruimte moeten doen.

6.13.

Ten slotte is in geschil of rekening moet worden gehouden met de door de vader te betalen bijdrage ten behoeve van [kind 3] en [kind 4] van € 450,- per maand waarvan hij betaalbewijzen heeft overgelegd. De moeder stelt dat zij pas zeer recent ervan op de hoogte is dat de vader dit bedrag voldoet. Tegelijkertijd stelt zij dat zij wel bekend is met een bijdrage die de vader met de moeder van [kind 3] en [kind 4] in 2014 is overeengekomen in een convenant van rond de € 500,- per maand, welk bedrag nog moet worden geïndexeerd.

6.14.

Hoewel volgens vaste rechtspraak de draagkracht gelijk onder de kinderen van de onderhoudsplichtige moet worden verdeeld, tenzij er sprake is van een duidelijk verschil in de behoefte, ziet de rechtbank aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken omdat de ouders dat over en weer niet hebben aangevoerd en geen van beiden stukken hebben overgelegd waaruit de behoefte van [kind 3], [kind 4] en [kind 5] blijkt. Vast staat dat de vader onderhoudsplichtig is voor [kind 3] en [kind 4] en dat de moeder ermee bekend is dat de vader in 2014 een door hem te betalen bedrag van € 500,- per maand is overeengekomen met de moeder van [kind 3] en [kind 4]. De rechtbank acht het door de vader te betalen bedrag van

€ 450,- per maand, waarvan betaalbewijzen zijn overgelegd, mede gelet op de stelling van de moeder dat eerder is overeengekomen € 500,- per maand, niet onredelijk. De rechtbank zal het draagkrachtloos inkomen van de vader met dit bedrag verhogen omdat dit een al jarenlang bestaande maandelijkse last is, in ieder geval al gedurende het hele leven van [kind 1] en [kind 2]. Bij het bedrag dat de vader aan [kind 1] en [kind 2] kon besteden is dus altijd rekening gehouden met deze maandelijkse last. Omdat [kind 3] op 6 november 2026 21 jaar wordt en de onderhoudsverplichting van de man voor [kind 3] dan in principe ophoudt, zal de rechtbank vanaf dat moment rekening houden met de helft van dit bedrag, dat is € 225,- per maand.

Berekening draagkracht

6.15.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vader tot 6 november 2026 dan als volgt: 70% van [3.324 - (0,3 x 3.324 + 1.365 + 450)]. Hieruit volgt een bedrag van afgerond € 358,- per maand.

6.16.

Vanaf 6 november 2026 berekent de rechtbank de draagkracht van de vader als volgt: 70% van [3.324 - (0,3 x 3.324 + 1.365 + 225)]. Hieruit volgt een bedrag van afgerond € 516,- per maand.

Draagkracht van de moeder

Netto besteedbaar inkomen

6.17.

Voor de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van haar inkomen uit arbeid dat zij per 1 juni 2026 heeft. De rechtbank houdt geen rekening met het hebben van vermeende aandelen c.q. extra inkomsten uit een samenwerkingsverband, nu de vader zijn stelling over extra inkomsten van de moeder niet heeft kunnen onderbouwen en de moeder de stelling heeft betwist. Uit de salarisspecificatie blijkt een inkomen van € 5.000,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, een belaste bijdrage in de ziektekosten van € 80,- per maand en een premie OP van € 164,87 per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de (belasting)tarieven van 2026 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen op € 4.487,- per maand.

Extra lasten

6.18.

Tussen de ouders is in geschil of en in hoeverre rekening gehouden moet worden met de kosten ten behoeve van [kind 5]. De moeder heeft gesteld dat zij en de vader van [kind 5] geen afspraken hebben gemaakt over een kinderbijdrage, maar dat de vader van [kind 5] de kinderbijslag stort op een gezamenlijke rekening en dat naar behoefte deze rekening in onderling overleg wordt aangevuld met bijdragen van de moeder en de vader van [kind 5]. De moeder heeft ter onderbouwing hiervan betaaloverzichten overgelegd. Uitgaande van 2026 berekent de rechtbank de bijdrage van de moeder in de kosten van [kind 5] op € 1.031,32 tot

1 augustus 2026, dat is gemiddeld afgerond € 147,- per maand. De rechtbank acht dit bedrag niet onredelijk, gelet op de behoefte van een kind van een ouder met een inkomen van

€ 5.000,- bruto per maand en zal, net als bij de vader, het draagkrachtloos inkomen hiermee verhogen.

Berekening draagkracht

6.19.

De rechtbank berekent de draagkracht van de moeder dan als volgt: 70% van [4.487 - (0,3 x 4.487 + 1.365 + 147)]. Hieruit volgt een bedrag van € 1.140,- per maand.

Gezamenlijke draagkracht en aandeel van de ouders

6.20.

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt tot 6 november 2026 € 1.498,- (358 + 1.140) en vanaf 6 november 2026 € 1.656,- (516 + 1.140) per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht groter is dan de behoefte van [kind 1] en [kind 2] moet de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken. Het aandeel van de ouders berekent de rechtbank als volgt: eigen draagkracht / totale draagkracht x behoefte.

6.21.

Het aandeel van de vader tot 6 november 2026 bedraagt dan afgerond € 239,- (358 / 1.498 x 1.000) per maand.

Het aandeel van de moeder tot 6 november 2026 bedraagt dan afgerond € 761,- (1.140 / 1.498 x 1.000) per maand.

6.22.

Het aandeel van de vader vanaf 6 november 2026 bedraagt dan afgerond € 312,- (516 / 1.656 x 1.000) per maand.

Het aandeel van de moeder vanaf 6 november 2026 bedraagt dan afgerond € 688,- (1.140 / 1.656 x 1.000) per maand.

Zorgkorting

6.23.

De ouders zijn het eens over de zorgkorting, die bedraagt 35%, dat is € 350,- (0,35 x 1.000) per maand. Deze zorgkorting komt in mindering op het aandeel van de vader, waardoor er een door hem tot 6 november 2026 te betalen bijdrage resteert van € 111,- negatief (239 - 350) in totaal per maand en een door hem met ingang van 6 november 2026 te betalen bijdrage resteert van € 38,- negatief (312 - 350) in totaal per maand.

Conclusie

6.24.

Gelet op al het voorgaande is de vader geen bijdrage aan de moeder verschuldigd en zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen. De moeder is wel een bijdrage aan de vader in zijn zorgkosten verschuldigd van € 111,- in totaal per maand tot 6 november 2026 en van € 38,- in totaal per maand met ingang van 6 november 2026. De rechtbank acht deze bijdragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

6.25.

De vader heeft de bijdrage verzocht met ingang van 20 augustus 2026. De moeder heeft tegen de ingangsdatum geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom deze datum als ingangsdatum handhaven en de bijdragen aan de moeder opleggen zoals bij de beslissing staat vermeld en dat wat de vader meer of anders heeft verzocht, afwijzen. De moeder moet de bijdrage in de toekomst steeds vóór de eerste van de maand betalen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

6.26.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.

Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders

hoger beroep instelt tegen deze beslissing.

De proceskosten

6.27.

De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat

dit het uitgangspunt is in familiezaken.

Aanhechten berekeningen

6.28.

De rechtbank heeft een behoefteberekening, twee berekeningen van de draagkracht van de man, een berekening van de draagkracht van de vrouw en twee berekeningen van de verdeling van de kosten van de kinderen gemaakt. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de vader voortaan gezamenlijk met de moeder met het gezag over [kind 2] is belast;

7.2.

stelt de volgende zorgregeling vast waarbij [kind 1] en [kind 2] bij de vader verblijven:

- elke vrijdag na school vanaf 14.30 uur tot zondagavond na het avondeten;

- de helft van de vakanties en feestdagen;

waarbij het halen en brengen wordt verdeeld in die zin dat de vader de kinderen op vrijdag uit school haalt en de moeder de kinderen op zondag bij de vader haalt.

7.3.

bepaalt dat de moeder vanaf 20 augustus 2026 tot 6 november 2026 een bedrag van € 111,- (HONDERD ELF EURO) in totaal per maand moet betalen aan de vader als kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2];

7.4.

bepaalt dat de moeder vanaf 6 november 2026 een bedrag van € 38,- (ACHTENDERTIG EURO) in totaal per maand moet betalen aan de vader als kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2];

7.5.

bepaalt dat de moeder vanaf vandaag deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

7.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.7

beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

7.8

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Vodegel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026 in tegenwoordigheid van J.C. Bouman, griffier.

De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  • door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.