Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Overijssel, 29 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5785Zaaknummer ZWO 26/1117
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Publicatiedatum
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/1117
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almelo
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de hoogte van het maandbedrag van eisers’ terug te betalen studieschuld. Eiser is het niet eens met de hoogte van het maandbedrag over de periode van oktober tot en met december 2026 zoals door de Minister vastgesteld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1117
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], ([eiser])
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister
(gemachtigde: mr. G. Naber).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de hoogte van het maandbedrag van [eiser]’ terug te betalen studieschuld. [eiser] is het niet eens met de hoogte van het maandbedrag over de periode van oktober tot en met december 2026 zoals door de Minister vastgesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het maandbedrag juist is vastgesteld en dat de Minister in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien voor een verlaging van dit bedrag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Bij besluit van 4 november 2025 heeft de Minister [eiser] bericht dat zijn maanbedrag ter aflossing van zijn studieschuld voor januari tot en met december 2026 is vastgesteld op € 525,88.2. Met het bestreden besluit van 3 maart 2026 op het bezwaar van [eiser] heeft de Minister het besluit gewijzigd vastgesteld in die zin dat het maandbedrag over de periode van oktober tot en met december 2026 gewijzigd wordt vastgesteld op € 346,47. Reden daarvoor is dat [eiser] met ingang van oktober 2026 akkoord is gegaan met terugbetaling volgens de regels van SF15.
3. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft middels beeldbelverbinding deelgenomen: de gemachtigde van de Minister. [eiser] is met bericht vooraf niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. [eiser] heeft in het verleden gestudeerd. Hij heeft daarbij een studieschuld opgebouwd die moet worden terugbetaald.
Thans bedraagt de totale schuld € 50.277,67. De schuld bestaat uit 2 leningen, elke met verschillende aanloopfases en looptijden.Bij lening 1 is de aanloopfase gestart op 1 januari 2003 en de aflosfase op 1 augustus 2006. Bij lening 2 is de aanloopfase gestart op 1 januari 2010 en de aflosfase op 1 juli 2016. Sindsdien is de terugbetaling van de lening op meerdere momenten geschorst, onder meer vanwege het faillissement van [eiser] en zijn toelating tot de WNSP.
Tevens is zijn maandbedrag meermaals op nihil gesteld door de Minister en heeft [eiser] maximaal gebruik gemaakt van de aflosvrije periode van 60 maanden.
Voor zover thans van belang heeft de Minister op 10 november 2023 een maandbedrag vastgesteld voor de maanden oktober tot en met december 2024 ten bedrage van € 467,17 per maand. [eiser] heeft hier tegen bezwaar gemaakt en DUO heeft daarbij inzicht gevraagd in de financiële situatie van [eiser]. Dit bezwaarschrift is vervolgens ongegrond verklaard op 4 april 2024. In de beslissing op het bezwaarschrift is [eiser] opnieuw gewezen op het vragen van advies aan de gemeente of het doen van een aanvraag voor schuldbemiddeling of sanering.
[eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift van 4 april 2024. De DUO heeft vervolgens op 1 juli 2024 middels het verweerschrift in beroep besloten om, gelet op de financiële situatie van [eiser], de ambtelijke draagkracht van oktober 2024 tot en met september 2026 op nihil te stellen. Tevens vermeldt dit verweerschrift dat [eiser] werk dient te maken van de aflossing van zijn schulden. Vermeld is dat hij er rekening mee moet houden dat hij per oktober 2026 weer wordt aangesproken op betalingen aan DUO.Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje ‘procesverloop’.
Beroepsgronden.
6. [eiser] is het niet eens met de hoogte van het maandbedrag. Hij bestrijdt niet de berekening, maar stelt dat de Minister in zijn omstandigheden reden had moeten zien voor een lager maandbedrag, net als voorheen. Samengevat weergegeven voert hij daartoe het volgende aan.Het motiverings-, zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel is geschonden.
De Minister heeft nagelaten de bijzondere omstandigheid van de eerdere WSNP en het hernieuwd schuldsaneringsrisico te onderzoeken, aldus [eiser]. In het verweerschrift van 1 juli 2024 heeft de Minister gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat niet beschaamd had mogen worden zonder nadere motivering. De Minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de draagkracht per oktober 2026 ineens voldoende wordt geacht, terwijl er in zijn situatie niets is gewijzigd en zijn schulden juist zijn toegenomen.
Ten slotte doet [eiser] een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Hij wijst op zijn schuldenpositie en het risico dat hij bij handhaving van het standpunt van de Minister opnieuw in de schuldsanering zal komen.
Beoordeling door de rechtbank
7. Niet in geschil is dat het maandbedrag over de periode oktober tot en met december 2026 op de juiste wijze is berekend. De vraag die daarom voorligt is of de Minister aanleiding had moeten zien om het maandbedrag lager vast te stellen.8. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog en heeft daarbij het volgende betrokken.In het verweerschrift van 1 juli 2024 is [eiser] er op gewezen dat hij werk moet maken van de aflossing van de schulden en de zaak te zijner tijd weer voldoende in balans moet hebben, en dat hij er rekening mee moet houden dat hij per oktober 2026 weer op afbetaling van zijn studieschuld zal worden aangesproken. Ook is [eiser] er toen op gewezen dat als hij daar dan niet toe in staat is, er slechts schuldbemiddeling of schuldsanering aan de orde is.Gelet op het vorenstaande kan [eiser] dan ook geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Er zijn geen toezeggingen gedaan; [eiser] is er juist op gewezen dat hij per oktober 2026 de afbetaling van de studieschuld zal moeten hervatten.[eiser] wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zou zijn.
9. De Minister hanteert begunstigend beleid om, indien een vastgestelde termijnbedrag tot een onredelijk bezwarende situatie leidt, maatwerk te bieden. Het dossier van [eiser] toont dat dit beleid bij hem in ruime mate is toegepast vanaf 2006. In het verleden is de aflossing meermaals geschorst en gepauzeerd dan wel op nihil gesteld.
De laatste keer was in het verweerschrift van 1 juli 2024. De reden daarvoor was om [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn overige schulden te verminderen, zodat nadien ook ruimte zou ontstaan voor het aflossen van zijn studieschuld.De rechterlijke toetsing is in dit geval beperkt tot de vraag of de Minister het buitenwettelijk begunstigend beleid consistent heeft toegepast en of fundamentele rechten waarop [eiser] zich heeft beroepen niet zijn geschonden.
In het kader van deze toetsing is niet aan de orde of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 mei 2021[_9b0c433b-33ba-43e2-a91b-95e18822345c][_9cb1cdef-da7d-472c-90d6-cc05c9e4a3f6].
[eiser] kan niet in zijn betoog worden gevolgd dat, nu niet opnieuw maatwerk is geboden, dit beleid onredelijk is. De rechtbank wijst er daarbij op dat [eiser] ruim de tijd gehad heeft zijn financiën op orde te brengen. Zijn schuldenlast is, ondanks een eerdere schuldsanering, de laatste jaren opnieuw fors toegenomen. Dit ligt echter in de risicosfeer van [eiser]. De Minister hoefde, met toepassing van het eigen beleid, geen reden te zien om opnieuw af te zien van het vaststellen van een maandbedrag. Hierbij betrekt de rechtbank tevens dat de regels van SF15 van toepassing zijn verklaard, waardoor in het voordeel van [eiser] alsnog een lager maandbedrag is vastgesteld.
10. Ten slotte kan [eiser] geen geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel.
Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet brengt mee dat het de bestuursrechter, gelet op zijn plaats in het Nederlandse staatsbestel, niet vrijstaat te treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan dit aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit doet zich voor indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden strikte wetstoepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [_edd8f7be-c8cc-4a17-8f2b-2c156b69bfa3]. Dit neemt echter niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet-verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.[_d1e779ce-a7b9-4986-b085-dd8e90599325] Van dergelijke bijzondere niet-verdisconteerde omstandigheden is in het geheel niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.