Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 11 augustus 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:5149Zaaknummer 12222357 \ CV EXPL 26-1571

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
12222357 \ CV EXPL 26-1571
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Doorrijden na het tanken van branstof zonder te betalen. Gedaagde heeft niet zelf getankt en heeft gegevens van de derde die heeft getankt verstrekt. Afwijzing vordering.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1

wijst de vorderingen van WTS af,

6.2

veroordeelt WTS in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak en het oordeel in het kort
  2. 2 De procedure
  3. 3 De feiten
  4. 4 Het geschil
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12222357 \ CV EXPL 26-1571

Vonnis van 11 augustus 2026

in de zaak van

WTS ZWOLLE B.V.,

te Dalfsen,

eisende partij,

hierna te noemen: WTS,

gemachtigde: mr. G.E. Hamer,

tegen

[gedaagde],

te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De zaak en het oordeel in het kort

WTS spreekt [gedaagde] aan voor het tanken van brandstof zonder daarvoor te betalen. WTS vordert de brandstofkosten vermeerderd met invorderingskosten en een schadevergoeding. [gedaagde] vindt dat de vorderingen afgewezen moeten worden omdat haar ex-partner heeft getankt zonder te betalen. De kantonrechter zal de vorderingen van WTS afwijzen en dat oordeel hierna uitleggen.

2 De procedure

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.

2.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1

WTS exploiteert een benzinetankstation. Op 4 maart 2026 heeft een persoon brandstof getankt zonder daarvoor te betalen. WTS heeft de deurwaarder ingeschakeld die na een kentekenonderzoek heeft geconstateerd dat de auto op naam van [gedaagde] geregistreerd stond.

3.2

Bij brief van 4 maart 2026 heeft de deurwaarder [gedaagde] aangeschreven en haar in de gelegenheid gesteld om binnen vijf dagen het tankbedrag van € 45,08,-, vermeerderd met € 40,- incasso- en administratiekosten en € 6,- onderzoekskosten RDW (totaal € 91,08) te betalen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Bij brief van 15 maart 2026 is het bedrag verhoogd met een ‘schadevergoeding benzinestation’ van € 91,-, tot € 176,13. [gedaagde] heeft het bedrag niet betaald.

4 Het geschil

4.1

WTS vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan WTS van € 176,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 45,08 vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van de volledige betaling,

Indien [gedaagde] niet zelf heeft getankt en in deze procedure de NAW-gegevens verstrekt van de vermeende doorrijder:

II. subsidiair: [gedaagde] voorwaardelijk te veroordelen om aan WTS te betalen de hoofdsom van € 176,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 45,08 vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van de volledige betaling, indien de gerechtsdeurwaarder na het wijzen van het vonnis constateert dat de NAW-gegevens niet juist blijken te zijn.

III. meer subsidiair: [gedaagde] te veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis aan de gerechtsdeurwaarder de juiste NAW-gegevens te verstrekken van degene die heeft getankt en bewijsmiddelen te overleggen waaruit de juistheid van deze gegevens blijkt, indien de gerechtsdeurwaarder na het vonnis constateert dat de opgegeven NAW-gegevens niet juist zijn, op verbeurdverklaring van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 500,-,

IV. in alle gevallen: [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

4.2

WTS heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, dan wel wanprestatie heeft gepleegd door te tanken zonder te betalen. Ook heeft zij aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] jegens haar ongerechtvaardigd is verrijkt indien blijkt dat iemand anders heeft getankt.

4.3

[gedaagde] vindt dat de vordering van WTS moet worden afgewezen omdat niet zij maar haar ex-partner heeft getankt zonder te betalen en zij ook niet door de brandstof is verrijkt.

4.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

Vast staat dat iemand op 4 maart 2026 met de auto van [gedaagde] voor € 45,08 aan brandstof heeft getankt bij WTS en dat diegene is weggereden zonder te betalen. Kern van het geschil is of [gedaagde] degene was die heeft getankt zonder te betalen, of zij alsnog moet betalen voor de getankte brandstof en of zij een schadevergoeding aan WTS moet betalen.

5.2

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] met de door haar overgelegde verklaring van haar ex-partner de heer [naam], die is voorzien van zijn handtekening en een kopie van zijn paspoort, voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft betwist dat niet zij (maar [naam]) heeft getankt en doorgereden is zonder te betalen. Zoals [gedaagde] aanvoert sluit dit ook aan bij de door WTS overgelegde foto’s waarop te zien is dat door een man wordt getankt. Het standpunt van WTS dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld of wanprestatie heeft gepleegd, was gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] degene was die getankt heeft zonder te betalen. Nu niet van de juistheid van deze stelling kan worden uitgegaan, kunnen deze grondslagen niet leiden tot toewijzing van de primaire vordering.

5.3

WTS stelt verder dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van haar omdat moet worden aangenomen dat de brandstof die door de derde is getankt aan haar ten goede is gekomen. De kantonrechter volgt WTS daar niet in. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij is verrijkt. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de auto van [naam] is en dat zij de auto alleen op haar naam had staan omdat [naam] geen auto meer op zijn naam kon zetten. Ook heeft zij aangevoerd dat zij zelf een ‘eigen’ auto had en dat zij daarom de auto waarmee is getankt nooit heeft gebruikt. In het licht van deze omstandigheden heeft WTS onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] ten koste van haar is verrijkt. Het is immers onduidelijk of [gedaagde] de auto zelf gebruikte en indien zij dat deed, of en hoeveel van de brandstof nog in de auto aanwezig was na het gebruik door van [naam]. Dus ook deze grondslag kan niet leiden tot toewijzing van de primaire vordering.

5.4

Omdat [gedaagde] in deze procedure de naam van de ‘doorrijder’ heeft verstrekt komt de kantonrechter toe aan de subsidiaire vorderingen. [gedaagde] heeft een ondertekende verklaring van [naam] en een kopie van zijn paspoort overgelegd. Met die gegevens is de gemachtigde van WTS als deurwaarder, door middel van een BRP-bevraging in staat óók het aan [gedaagde] gevraagde adres te achterhalen. WTS heeft in repliek ook niet (opnieuw) gevraagd om de adresgegevens. Dat WTS bij de adresgegevens nog een rechtens relevant belang heeft, kan dan ook niet worden aangenomen. De vordering tot verstrekking van NAW-gegevens zal dan ook worden afgewezen.

5.5

De kantonrechter ziet geen grond om [gedaagde] daarnaast voorwaardelijk te veroordelen tot betaling van de hoofdsom of aan de veroordeling tot overlegging van de adresgegevens een dwangsom te verbinden indien de adresgegevens onjuist blijken te zijn. [gedaagde] heeft immers – zoals WTS in de alinea ‘Gegevensverstrekking tijdens de gerechtelijke procedure’ van de dagvaarding heeft verzocht – een ondertekende verklaring van een persoon die heeft getankt overgelegd en heeft daarbij als bewijsstuk ook een kopie van zijn paspoort overgelegd. Aangenomen moet worden dat, nadat bij conclusie van antwoord [gedaagde] deze opgave heeft gedaan, WTS voldoende gelegenheid heeft gehad om de juistheid van deze gegevens te verifiëren. WTS heeft zich bij repliek niet op het standpunt gesteld dat deze gegevens onjuist zijn, of aangevoerd dat er aanknopingspunten bestaan om de juistheid van de door [gedaagde] verstrekte gegevens te betwijfelen. Bij deze stand van zaken ontbreekt een deugdelijke grond voor toewijzing van dit gevorderde.

Proceskosten

5.6

WTS vordert [gedaagde] ook bij afwijzing van haar vorderingen te veroordelen in de kosten van deze procedure. Volgens WTS heeft zij onnodig proceskosten moeten maken omdat [gedaagde], ondanks diverse aanmaningen daartoe, pas in deze procedure voor het eerst de gegevens van [naam] overgelegd heeft. De kantonrechter volgt WTS daar niet in. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij de brieven van 4 en 15 maart 2026 heeft ontvangen en het is in dat geval aan WTS om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de brieven bij [gedaagde] zijn aangekomen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft alleen gesteld heeft dat zij de brieven heeft verstuurd maar heeft niet gesteld dat de brieven daadwerkelijk door [gedaagde] zijn ontvangen en heeft daarvan ook geen bewijsstukken overgelegd. Het is daarom niet komen vast te staan dat de brieven bij [gedaagde] zijn aangekomen. Aangenomen moet worden dat [gedaagde] pas in deze procedure voor het eerst de gelegenheid heeft gekregen de gegevens van [naam] te verstrekken. Aangezien de vorderingen van WTS worden afgewezen dient zij in de proceskosten van [gedaagde] te worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1

wijst de vorderingen van WTS af,

6.2

veroordeelt WTS in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.