Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Overijssel, 5 februari 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4957Zaaknummer C/08/342898 / KG ZA 25-313
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 5 februari 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/08/342898 / KG ZA 25-313
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Almelo
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De vrouw vordert in conventie nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, op verbeurte van een dwangsom. De man voert verweer. Volgens hem leidt een overeengekomen zorgregeling niet automatisch tot een plicht tot onverkorte nakoming. Hij meent dat het van belang is of de regeling nog wel aansluit bij de belangen van de kinderen. Man vordert in reconventie vervangende toestemming voor een vakantie naar Disneyland Parijs. De rechtbank wijst in conventie de vordering tot nakoming van de zorgregeling toe, met een opbouwregeling, op verbeurte van een dwangsom. De vordering in reconventie wordt eveneens toegewezen. Aan de man wordt vervangende toestemming verleend om met de kinderen op vakantie te gaan.
7 De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie en in reconventie:
veroordeelt de man tot nakoming van de zorg- en contactregeling, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, gehecht en deel uitmakend van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 10 juli 2025, met dien verstande dat daaraan met ingang van heden de volgende opbouwregeling vooraf gaat:
-gedurende de eerste maand gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een middag per veertien dagen naar de vrouw;
- gedurende de tweede en de derde maand gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een dag per veertien dagen naar de vrouw;
- gedurende de vierde en de vijfde maand gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overnachten bij de vrouw, waarna vanaf de zesde maand de zorg- en contactregeling conform het ouderschapsplan zal plaatsvinden;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de man met de nakoming van vorenstaande regeling na betekening van dit vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,-;
verleent de man vervangende toestemming om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de komende voorjaarsvakantie, te weten van 23 februari 2026 tot en met 27 februari 2026, naar Disneyland Parijs in Frankrijk te gaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
| Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Souman, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman als griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026. |
Een afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in dit vonnis vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Hoger beroep tegen dit vonnis kan worden ingesteld door de eiser en degenen aan wie een afschrift van dit vonnis is verstrekt of verzonden, binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/342898 / KG ZA 25-313
vonnis in kort geding van 5 februari 2026
inzake
[de vrouw],
verder te noemen: de vrouw of de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer,
en
[de man],
verder te noemen: de man of de vader,
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. H. Versluis.
1 Het procesverloop
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 29 december 2025;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, binnengekomen op 19 januari 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming, verder te noemen: de raad, is verschenen [naam].
De rechter heeft op 28 januari 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken.
2 De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Tijdens dit huwelijk zijn geboren de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2017.
Partijen, samen ook wel de ouders te noemen, oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 6 december 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 2 juni 2025 verlengd tot 20 juni 2025.
Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in een door beide op respectievelijk 28 mei en 2 juni 2025 ondertekend ouderschapsplan. In dit ouderschapsplan zijn partijen, voor zover thans van belang als volgt overeengekomen:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn ingeschreven bij vader en hebben hier de hoofdverblijfplaats;
De ouders hebben over de zorg en omgang een 10-4 regeling afgesproken (10-4 op schooldagen – 7/7 tijdens vakanties = 9/5);
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven van maandag tot en met de 2e vrijdag bij vader, waarna de kinderen voor dat weekend naar moeder gaan die hen op maandag naar school brengt;
Feesten en verjaardagen worden in overleg geregeld, waarbij moeder de kinderen heeft in de oneven jaren en vader in de even jaren. Kerst en andere feestdagen 50/50 volgens deze verdeling (moeder oneven dag, vader even dag, jaar erop andersom);
Moederdag zijn de kinderen bij moeder, op Vaderdag zijn de kinderen bij vader;
Met ingang van de datum uitspraak scheiding betaalt moeder aan vader een bedrag in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ad. € 5,- per kind per maand.
Bij beschikking van 10 juli 2025 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 26 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de inhoud van hiervoor bedoeld ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.
3 De vordering in conventie
De vrouw vordert de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de zorg-/contactregeling als vastgelegd in het ouderschapsplan, gehecht aan de beschikking van de rechtbank Overijssel van 10 juli 2025, door de man wordt nageleefd, in die zin dat de kinderen in de oneven weken van vrijdag tot maandagochtend bij de vrouw verblijven, alsook de helft van de vakanties en feestdagen;
- één en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat de man met het hiervoor bepaalde na betekening van het vonnis in gebreke blijft, één en ander voor zover mogelijk bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren, met een maximum van € 15.000,-.
De vrouw stelt dat de kinderen voor het laatst in het weekend van 10 tot 13 oktober 2025 bij haar zijn geweest en dat zij de kinderen sinds 15 oktober 2025 niet meer heeft gezien, op een kort moment op 20 december 2025 na. In het verleden is gebleken dat de man de kinderen onvoldoende ruimte geeft om naar de vrouw te gaan, terwijl de kinderen juist hebben aangegeven dat zij wel graag naar de vrouw wilden gaan. [minderjarige 1] is zelfs een keer stiekem bij haar gekomen. De man dient de kinderen positief te stimuleren. Uit de berichten die de man stuurt, blijkt niet dat hij zijn best doet de kinderen te motiveren naar de vrouw toe te gaan. Eerst nadat de vrouw via haar advocaat heeft aangekondigd dat de onderhavige procedure zou worden gestart, heeft de man contact met de vrouw gezocht en aangegeven hoe het met de kinderen gaat. Op uitnodiging van de man heeft de vrouw de kinderen op zaterdag 20 december 2025 een half uur bij de man thuis gezien. De kinderen gaven aan dat zij de vrouw enorm hadden gemist. Helaas is de man niet bereid gebleken de overeengekomen zorgregeling te continueren, waardoor deze procedure noodzakelijk is. De man heeft de kinderen al vaker bij de vrouw weggehouden, wat in het verleden heeft geleid tot een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Omdat de kinderen recht hebben op contact met hun moeder heeft de vrouw een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening. De vrouw verzoekt daarbij oplegging van een dwangsom, omdat de man niet genegen is vrijwillig mee te werken aan het nakomen van de zorg- en contactregeling.
4 Het verweer in conventie tevens eis in reconventie
De man vordert in conventie de vorderingen van de vrouw als ongegrond af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure, zulks uitvoerbaar bij voorraad.
Hij voert aan dat de enkele omstandigheid dat partijen een ouderschapsplan zijn overeengekomen niet automatisch leidt tot een plicht tot onverkorte naleving daarvan. Doorslaggevend zou moeten zijn of toepassing van dat plan, gezien de huidige emotionele belastbaarheid van de kinderen en hun uitdrukkelijke signalen over een contact met hun moeder, nog wel aansluit bij hun belangen. De man is van oordeel dat daarvan op dit moment geen sprake is. Hij is echter bereid om, in het belang van de kinderen, mee te werken aan een gefaseerde opbouw van contact en staat open voor mediation of begeleid overleg. Volgens hem is afdwingen van omgang in de huidige omstandigheden in ieder geval niet in het belang van de kinderen. De kinderen houden dat niet vol en de kans dat de omgang voortijdig wordt afgebroken is dan reëel. Dat heeft zich het afgelopen half jaar immers meermalen voorgedaan. De man vreest dat dit bij de kinderen verdere emotionele schade zal geven, wat niet in hun belang is. Hij meent eveneens dat voor het opleggen van een dwangsom geen plaats is en dat de vrouw in de kosten van dit geding moet worden veroordeeld.
In reconventie vordert de man aan hem vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen in de komende voorjaarsvakantie, namelijk (na wijziging) van 23 februari 2026 tot en met 27 februari 2026, naar Disneyland Parijs in Frankrijk te gaan, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure, zulks uitvoerbaar bij voorraad. Omdat de vrouw voor deze vakantie geen toestemming geeft, heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vordering. Een bodemprocedure voor vervangende toestemming kan immers gezien het tijdsbestek, niet worden afgewacht, aldus de man.
5 Het advies van de raad
De raad adviseert de voorzieningenrechter om zowel de vordering van de moeder als de vordering van de vader toe te wijzen. De raad constateert een voor de kinderen zorgelijke situatie. Volgens de raad is sprake van ouderproblematiek waar de ouders zelf niet uitkomen. De raad is van mening dat enige regie daarbij eigenlijk wenselijk zou zijn. Hoewel de raad begrip heeft voor het feit dat de uithuisplaatsing voor de kinderen een traumatische ervaring is geweest, lag aan die uithuisplaatsing een beslissing van de GI ten grondslag, waarvan de moeder in ieder geval geen verwijt kan worden gemaakt. De moeder moet een rol in het leven van de kinderen spelen. De raad is dan ook van mening dat de ouders de regeling zoals afgesproken in het ouderschapsplan moeten nakomen. Als dat niet mogelijk is, dan is het de plicht van de ouders om passende hulpverlening in te schakelen. Wat de raad betreft is de oplossing in ieder geval niet gelegen in het verbreken van het contact tussen de kinderen en de moeder. Het contact met de moeder moet hersteld worden en dat kan naar de mening van de raad niet ter bepaling aan de kinderen worden overgelaten, zeker nu sprake is van een loyaliteitsconflict. Hoe langer het contact ontbreekt, hoe hoger de drempel zal worden om weer contact tot stand te brengen.
Omdat er nu al enige tijd geen sprake is geweest van regelmatig contact, meent de raad dat nu eerst een opbouw van de contacten moet plaatsvinden om uiteindelijk te komen tot de overeengekomen regeling, te beginnen met een middag, zo nodig met de inzet van hulpverlening.
De raad adviseert voorts om de door de vader gevorderde vervangende toestemming, om met de kinderen naar Disneyland Parijs te gaan, toe te wijzen. Het weigeren van toestemming is niet in het belang van de kinderen. Alle kinderen willen immers graag naar Disneyland Parijs.
6 De beoordeling
In conventie en in reconventie:
Spoedeisend belang
Gebleken is dat de in het ouderschapsplan vastgelegde zorg- en contactregeling al geruime tijd niet is nagekomen en dat de vrouw de kinderen de afgelopen maanden slechts op 15 oktober 2025 en gedurende een half uur op 20 december 2025 heeft gezien. Dit maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening. Zij kan daarom worden ontvangen in haar vordering.
De man heeft eveneens een spoedeisend belang bij zijn vordering om vervangende toestemming voor de vakantie naar Disney Parijs, nu de vrouw die gevraagde toestemming weigert en de vakantie al op korte termijn zal plaatsvinden, namelijk van 23 tot en met 27 februari 2026.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Nakoming van de zorgregeling
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de zorgregeling die partijen medio 2025 zijn overeengekomen, moet worden nageleefd. Dit kan echter anders zijn indien er nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat die zorgregeling niet langer in het belang van de minderjarigen moet worden geacht.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet althans niet voldoende gebleken dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich verzet tegen de nakoming van de contactregeling. Hoewel de man stelt dat sprake is van zwaarwegende omstandigheden die zich tegen nakoming verzetten, heeft de man nagelaten om zijn stelling te onderbouwen. Bovendien heeft de man, ondanks de door hem gestelde trauma’s bij de meisjes, ook geen aanleiding gezien om enige vorm van hulpverlening in te zetten. De enkele stelling dat de kinderen als gevolg van de uithuisplaatsing vorig jaar een trauma hebben opgelopen en geen contact meer willen met hun moeder acht de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende om te concluderen dat de zwaarwegende belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich tegen omgang verzetten, nog afgezien van het feit dat de vrouw ter zake geen enkel verwijt treft.
De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de regeling, zoals de ouders die zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, moet worden nagekomen. Het hebben van contact met hun moeder is in het belang van de (ontwikkeling van de) kinderen, reden waarom de vrouw een rol moet spelen in hun leven. Dat de man, zoals hij zelf stelt, alle ruimte aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laat om aan het contact zelf invulling te geven, acht de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het al dan niet hebben van contact met hun moeder kan, zeker bij jonge kinderen, niet ter vrije bepaling aan de kinderen worden overgelaten. Dat geldt des te meer nu sprake is van een loyaliteitsconflict bij de kinderen. Bovendien wordt, naarmate er langere tijd geen contact is, de drempel voor de kinderen steeds hoger. Dat moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Ook het advies van de raad luidt dat het contact tussen de vrouw en de kinderen zo snel mogelijk moet worden hervat.
De voorzieningenrechter is voorts gebleken dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en dat het vertrouwen over en weer ontbreekt. Als gevolg hiervan is bij de kinderen sprake van loyaliteitsproblematiek. Dat de man enerzijds stelt dat nakoming van de zorg- en contactregeling leidt tot problemen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en anderzijds heeft nagelaten daarvoor hulpverlening in te zetten, is niet het in belang van de kinderen. De inzet van passende hulpverlening acht de voorzieningenrechter helpend. De voorzieningenrechter verwacht dan ook van beide partijen dat zij zich gaan inspannen om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer snel op te starten en ervoor zorg te dragen dat de kinderen weer op structurele wijze omgang met hun moeder krijgen.
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot nakoming toewijzen, met dien verstande dat, ter normalisering van de contacten, een opbouwregeling zal worden vastgesteld. De opbouw zal starten met een middag, vervolgens een dag, gevolgd door een overnachting, zodat stapsgewijs wordt toegewerkt naar de eerder overeengekomen regeling.
Dwangsom
De man voert verweer tegen de door de vrouw gevorderde dwangsom van € 500,- per keer. Mede gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen alsook het feit dat de man al enige tijd de zorgregeling niet nakomt en de invulling daarvan aan de kinderen over laat, acht de voorzieningenrechter oplegging van een dwangsom zoals gevorderd nodig, zulks tot het gevorderde maximum van € 15.000,-. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de man niet heeft laten blijken er alles aan te willen doen om de zorg- en contactregeling na te komen en de kinderen te stimuleren in het contact met hun moeder.
Vervangende toestemming
De vrouw maakt bezwaar tegen de voorgenomen vakantie van de man met de kinderen naar Disneyland Parijs in Frankrijk. Zij meent dat prioriteit moet worden gegeven aan de contactregeling tussen haar en de kinderen. Ook zij wil, net als de man, graag leuke dingen met de kinderen doen en met hen op vakantie gaan. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor het feit dat de vrouw graag contact wil met [minderjarige 1] en [minderjarige 2], levert het nu niet laten doorgaan van deze vakantie schade op voor de kinderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dan ook in hun belang dat deze reis doorgang kan vinden. Deze is inmiddels ook al geboekt. Bovendien zal de vrouw, gelet op de hieronder te bepalen opbouwregeling, niet in haar contacten met de kinderen worden geschaad, nu zij volgens de regeling op de verjaardag van [minderjarige 1] contact zal hebben met de kinderen en de opbouwregeling in ieder geval doorgang kan vinden. De voorzieningenrechter zal voor de reis naar Disneyland Parijs dan ook vervangende toestemming verlenen.
De proceskosten
Ten aanzien van de gevorderde proceskostenveroordeling stelt de man dat de vrouw slechts een bijdrage van € 5,- per kind per maand voldoet. De kosten van deze procedure leggen daardoor druk op het huishoudbudget waarvan de kinderen worden onderhouden. Volgens hem is die proceskostenveroordeling dan ook in het directe belang van de kinderen, nu hij zijn middelen aan een juridische procedure moet besteden in plaats van aan de kinderen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de vrouw. Op grond van artikel 237 van het Wetboek van Rechtsvordering wordt degene die in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld in de kosten van de wederpartij, tenzij sprake is van een (familie)relatie dan wel van nodeloos gemaakte kosten. Naast het feit dat partijen over en weer in het gelijk dan wel ongelijk zijn gesteld, zijn partijen echtgenoten geweest en is van nodeloos gemaakte kosten niet althans niet voldoende gebleken. De voorzieningenrechter zal daarom, zoals gebruikelijk is in familierechtelijke aangelegenheden, de proceskosten tussen hen compenseren.
7 De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie en in reconventie:
veroordeelt de man tot nakoming van de zorg- en contactregeling, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, gehecht en deel uitmakend van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 10 juli 2025, met dien verstande dat daaraan met ingang van heden de volgende opbouwregeling vooraf gaat:
-gedurende de eerste maand gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een middag per veertien dagen naar de vrouw;
- gedurende de tweede en de derde maand gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een dag per veertien dagen naar de vrouw;
- gedurende de vierde en de vijfde maand gaan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overnachten bij de vrouw, waarna vanaf de zesde maand de zorg- en contactregeling conform het ouderschapsplan zal plaatsvinden;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de man met de nakoming van vorenstaande regeling na betekening van dit vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,-;
verleent de man vervangende toestemming om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de komende voorjaarsvakantie, te weten van 23 februari 2026 tot en met 27 februari 2026, naar Disneyland Parijs in Frankrijk te gaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
| Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Souman, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman als griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026. |
Een afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in dit vonnis vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Hoger beroep tegen dit vonnis kan worden ingesteld door de eiser en degenen aan wie een afschrift van dit vonnis is verstrekt of verzonden, binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.