Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4882Zaaknummer 12100270 \ CV EXPL 26-550
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Publicatiedatum
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 12100270 \ CV EXPL 26-550
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toewijzing vrijwaring.
4 De beslissing
De kantonrechter
In het incident
staat toe dat [naam] door [partij A] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van
25 augustus 2026,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 augustus 2026 (dezelfde roldatum als waartegen in het incident kan worden gedagvaard) voor het nemen van een rolbeslissing over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026. | ||
| ! | ! | |
| ! |
EA
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12100270 \ CV EXPL 26-550
Vonnis van 28 juli 2026
in de zaak van
N.V. PWN WATERLEIDINGBEDRIJF NOORD-HOLLAND,
gevestigd te Velserbroek,
eisende partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: PWN,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[partij A],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in incident,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. R. van Veen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10,- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,
- de akte uitlating voor antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Het geschil
In de hoofdzaak
PWN vordert - samengevat - dat [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van € 11.530,88, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke incassokosten.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van PWN, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van PWN, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PWN in de kosten van deze procedure.
In het incident
[partij A] vordert in het incident dat hem wordt toegestaan om de heer [naam] (hierna te noemen: Wentink) in vrijwaring op te roepen.
Aan zijn incidentele vordering legt [partij A] ten grondslag dat hij het bedrijfspand vanaf 1 oktober 2022 aan [naam] heeft verhuurd en [naam] daarom vanaf 1 oktober 2022 de feitelijke gebruiker van het bedrijfspand was. [naam] lijkt het bedrijfspand te hebben gebruikt voor een hennepkwekerij, hetgeen in strijd is met de bestemming van het gehuurde en met de verplichting van [naam] om zich als goed huurder te gedragen. De schade die [partij A] dreigt te lijden door een veroordeling tot betaling aan PWN, is rechtstreeks veroorzaakt door het toerekenbare tekortschieten van [naam] als huurder. [naam] is daarom gehouden om deze schade aan [partij A] te vergoeden.
PWN heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3 De beoordeling
In het incident
Voor de toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring moet een partij zich kunnen beroepen op een rechtsverhouding met een derde die meebrengt dat deze derde verplicht is de nadelige gevolgen van een eventueel verlies van dezelfde partij in de hoofdzaak te dragen.
[partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er een rechtsverhouding bestaat tussen hem en [naam] die tot vrijwaring verplicht. Aan het vereiste voor oproeping in vrijwaring is dan ook voldaan. Aangezien PWN zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter, zal de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring worden toegewezen en [partij A] worden toegestaan om [naam] in vrijwaring op te roepen tegen de rolzitting van 25 augustus 2026.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
In de hoofdzaak
De kantonrechter zal de zaak naar de rol van 25 augustus 2026 verwijzen voor het nemen van een rolbeslissing over het vervolg van de procedure.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4 De beslissing
De kantonrechter
In het incident
staat toe dat [naam] door [partij A] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van
25 augustus 2026,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 augustus 2026 (dezelfde roldatum als waartegen in het incident kan worden gedagvaard) voor het nemen van een rolbeslissing over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026. | ||
| ! | ! | |
| ! |
EA
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.