Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Overijssel, 20 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4732Zaaknummer ZWO 25/1036
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Publicatiedatum
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/1036
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almelo
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WIA. Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de beoordeling. Fybromyalgie. CTS. Item hand- en vingergebruik. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat eiseres met ingang van 8 mei 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1036
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], (hierna: [eiser]),
gemachtigde: [gemachtigde 1],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: [gemachtigde 2].
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om in aanmerking te komen voor een WIA[_67428598-b106-48ec-8f50-f5f97ce23b2c]-uitkering. Zij is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
1. [eiser] was werkzaam als preventie-assistente bij Dental Clinics voor gemiddeld 24 uur per week. Op 11 mei 2022 heeft zij zich ziekgemeld en heeft zij geprobeerd om te
re-integreren. [eiser] heeft op 14 februari 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juni 2024 afgewezen.
Met het bestreden besluit van 14 maart 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. [eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld.
Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift en met een rapport van
8 mei 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) en een rapport van
24 juli 2025 van de arbeidsdeskundige B&B.
Op 29 oktober 2025 heeft [eiser] een rapport van bedrijfsarts M.C. Soto Martin (hierna: Soto Martin) overgelegd.
Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapport van 13 januari 2026 van de verzekeringsarts B&B.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Standpunt UWV
2. Volgens het UWV heeft [eiser] met ingang van 8 mei 2024 (datum in geding) geen recht op een WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. Vanwege haar gezondheidsklachten en beperkingen kan zij haar functie als preventieassistente niet meer verrichten. Rekening houdend met de beperkingen kan zij wel in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties productiemedewerker confectie, kleermaken, medewerker postverzorging en productiemedewerker textiel te verrichten. Door het middelste uurloon (€ 15,49) van deze functies te vergelijken met het uurloon (€ 16,11) dat zij verdiende als preventieassistente is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 22,34%. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts B&B, de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 21 februari 2025 en de rapporten van de arbeidsdeskundige B&B.
Standpunten [eiser]
3. [eiser] stelt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts werd tijdens het spreekuur telkens afgeleid door de mobiele telefoon en het spreekuur bij de verzekeringsarts B&B heeft via beeldbellen plaatsgevonden, waardoor haar hand niet onderzocht kon worden. Daarom heeft zij bedrijfsarts Soto Martin wel onderzoek laten doen en dat rapport van 27 oktober 2025 tijdens de beroepsprocedure overgelegd.
Ook stelt [eiser] dat onvoldoende rekening is gehouden met haar gezondheidsklachten. Zo is ten onrechte geen beperking vastgesteld voor het item hand- en vingergebruik. Vanwege het carpaletunnelsyndroom rechts en triggervinger dig 3 is zij daarin wel beperkt. Hieraan is zij in 2022 geopereerd en zelfs na 8 mei 2024 was zij hiervoor nog onder behandeling bij de plastisch chirurg.
Daarnaast voert [eiser] aan dat zij de functie productiemedewerker confectie niet kan verrichten, omdat zij geen industriële naaimachine kan bedienen en niet werkzaam kan zijn in een productieproces met deadlines, productiepieken en onderbrekingen. Dit geldt ook voor de functie productiemedewerker textiel, waarbij van haar verwacht wordt dat zij in staat is om deelbewerkingen voor de seriematige fabricage van tenten te maken. Ook sluit het arbeidspatroon van deze functie niet aan bij het arbeidspatroon van de functie van preventieassistente. Verder stelt [eiser] dat de arbeidsdeskundige niet met de verzekeringsarts heeft overlegd of zij de functies wel kan verrichten.
Bij haar beroepschrift is informatie van 19 november 2024 van de bedrijfsarts en een afsprakenoverzicht van de afdeling plastisch chirurgie overgelegd. Ook is informatie van
30 november 2022 van de regiebehandelaar en psycholoog overgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat [eiser] met ingang van 8 mei 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het uurloon dat een betrokkene in zijn of haar laatste werk verdiende, te vergelijken met het uurloon dat hij of zij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Het UWV moet zich daarvoor dan ook baseren op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Deze rapporten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
[eiser] stelt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek wel zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de verzekeringsarts tijdens het spreekuur op 5 juni 2024 lichamelijk en psychisch onderzoek heeft gedaan en de medische informatie van de bedrijfsarts bij de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is ook haar hand onderzocht en de onderzoeksbevindingen staan inzichtelijk vermeld in het rapport. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B daarom niet gehouden was om ook een lichamelijk onderzoek te doen.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
In het rapport van 5 juni 2024 heeft de verzekeringsarts vermeld dat [eiser] bekend is met fibromyalgie, carpaletunnelsyndroom (CTS) rechts en status na triggervinger dig 3 rechts. Door de neuroloog is de diagnose fibromyalgie vastgesteld en [eiser] heeft hiervoor fysio- en ergotherapie gehad. Ook heeft zij behandeling gehad bij een osteo- en homeopaat, maar zonder resultaat. Daarbij is sprake geweest van CTS-beeld en triggervinger 3 rechts waarvoor zij in september 2022 een gecombineerde ingreep heeft gehad. Daarmee is een deel van de klachten, met name tintelingen en stand van de middelvinger, verbeterd, maar de pijnklachten in de handen die geduid zijn als fibromyalgie, blijven. Bij het onderzoek aan de hand zijn ook geen bewegingsbeperkingen vastgesteld, alleen hyperextensie van dig 3 is niet mogelijk. Ook heeft [eiser] in het kader van acceptatie psychologische begeleiding gehad. Dat is in 2023 afgerond. Na een verwijzing bij het Roessingh is geen behandeltraject meer geïndiceerd, omdat zij vanuit de therapieën voldoende handvatten heeft gekregen om met de klachten om te kunnen gaan. De verzekeringsarts heeft tijdens het spreekuur ook geen afwijkende bevindingen vastgesteld.
Volgens de verzekeringsarts is [eiser] vanwege haar gezondheidsklachten beperkt in haar functioneren. Daarom kan zij geen werkzaamheden verrichten waarbij sprake is van hoge druk- en stressbelasting en van fysiek (zware) belasting. Daarom zijn in alle rubrieken van de FML verschillende beperkingen vastgesteld. Daarnaast geldt op preventieve en energetische gronden een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week, vanwege de pijnklachten en omdat [eiser] slecht slaapt.
Volgens de verzekeringsarts B&B is met de vastgestelde beperkingen in ruime mate rekening gehouden met de gevolgen van fybromyalgie. In het rapport van 21 februari 2025 vermeldt de verzekeringsarts B&B dat in aanvulling daarop ook een beperking geldt voor
’s nachts werken. Daarnaast is [eiser] aangewezen op regelmatige werktijden. Volgens de verzekeringsarts B&B is er geen aanleiding voor een beperking voor hand- en vingergebruik (item 4.3). Sinds de operatie aan hand/pols in 2022 ervaart [eiser] nog steeds klachten, maar er zijn geen redenen om te veronderstellen dat deze klachten een andere oorzaak hebben dan de chronische pijnproblematiek c.q. het herstel na betreffende ingreep. Er zijn ook geen medische redenen aanwezig om te veronderstellen dat haar hand- en vingergebruik functioneel gestoord zou moeten zijn. De verzekeringsarts heeft bij het onderzoek aan de hand geen functionele beperkingen waargenomen. Dat [eiser] nog steeds klachten ervaart en hiermee ook weer naar de plastisch chirurg is gegaan verandert de conclusie niet. De overgelegde informatie van contactmomenten in het ZGT-ziekenhuis in de periode
4 november 2020 tot en met 25 november 2024 is te algemeen en onvoldoende concreet,
om medische conclusies op te kunnen baseren.
Het onderzoeksrapport van 27 oktober 2025 van Soto Martin geeft geen aanleiding om de beoordeling te wijzigen. Volgens de verzekeringsarts B&B onderschrijft dat rapport de conclusies, namelijk dat [eiser] als gevolg van haar gezondheidsproblematiek beperkt wordt op alle functioneringsgebieden en werktijden. De gedachtegang van Soto Martin, dat de klachten van [eiser] "kenmerken hebben van het chronische vermoeidheidsyndroom", is volgens de verzekeringsarts B&B navolgbaar, maar heeft geen invloed op de beoordeling omdat een diagnose de belastbaarheid niet bepaalt. De verzekeringsarts B&B merkt daarbij op dat Soto Martin ook nergens expliciet stelt dat er ook daadwerkelijk sprake is van het chronische vermoeidheidssyndroom. Soto Martin nuanceert dat inzichtelijk door enerzijds van "kenmerken" te spreken en door in de conclusie over: "het klachtenbeeld dat past bij fibromyalgie en mogelijk CVS" te spreken.
De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen inzichtelijk en navolgbaar zijn gemotiveerd. De gezondheidsklachten van [eiser] zijn bij de beoordeling betrokken en de beperkingen die daarvoor zijn vastgesteld zijn goed gemotiveerd. De rechtbank is niet gebleken dat die beoordeling onjuist is geweest. Het standpunt dat ten onrechte geen beperking voor hand- en vingergebruik is vastgesteld slaagt niet. De verzekeringsarts heeft bij onderzoek geen bewegingsbeperkingen vastgesteld en de verzekeringsarts B&B heeft navolgbaar gemotiveerd dat er geen medische redenen zijn om hand- en vingergebruik te beperken. De conclusies van Soto Martin geven de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsartsen. Soto Martin concludeert dat de cognitieve-, emotionele-, fysieke en energetische beperkingen forse gevolgen hebben voor de beschrijving van de FML-rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, het dynamisch handelen, statische houdingen en werktijden. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsartsen in al deze rubrieken verschillende beperkingen hebben vastgesteld en dat uit deze conclusie van Soto Martin niet blijkt welk onderdeel aangepast zou moeten worden. Daarom slaagt ook deze beroepsgrond niet. Dat betekent dat de beperkingen in de FML van 21 februari 2025 juist zijn vastgesteld en als uitgangspunt gelden voor de arbeidskundige beoordeling.
Arbeidskundige beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige B&B in de rapporten van
6 maart 2025 en 24 juli 2025 inzichtelijk en navolgbaar heeft gemotiveerd dat de functies productiemedewerker confectie, kleermaker (SBC-code 272042), medewerker postverzorging (SBC-code 315140) en productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) passend zijn. Anders dan [eiser] stelt is bij de functies productiemedewerker confectie, kleermaker en productiemedewerker textiel geen sprake van veelvuldige storingen en onderbrekingen. Uit de Resultaat functiebeoordeling blijkt ook dat er geen deadlines en/of productiepieken zijn. Daarom zijn deze functies wel passend en was de arbeidsdeskundige B&B ook niet gehouden om overleg te hebben met de verzekeringsarts B&B. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige B&B terecht gemotiveerd dat het arbeidspatroon van de functies niet hoeft aan te sluiten bij het arbeidspatroon van [eiser] functie als preventie-assistente. Bij het selecteren van functies blijft alleen arbeid die meer dan incidenteel tussen 0:00 en 6:00 uur plaatsvindt buiten beschouwing, tenzij iemand in dergelijke arbeid werkzaam is geweest.[_e1e40167-8782-41e1-b339-5c1150760c9e] Daarom slaagt ook die beroepsgrond niet. Dit betekent dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 mei 2024 juist heeft berekend op 22,34%. Omdat dit minder is dan 35% is terecht besloten dat [eiser] geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.