Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Overijssel, 15 juli 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:4159Zaaknummer ZWO 26/1916

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1916
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Niet aannemelijk dat bezwaarschrift is verzonden. Ook niet gebleken dat alsnog bezwaar is gemaakt. Geen bezwaarprocedure. Geen connexiteit.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Inleiding
  2. 2 Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. 3 Conclusie en gevolgen

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1916

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats],

hierna: [eiseres],

(gemachtigde: mr. M.A.G. Slots),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

hierna: het college,

(gemachtigde: mr. K. Helmens - van Westenberg).

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiseres]. [eiseres] heeft de voorzieningenrechter daartoe op 10 juli 2025 verzocht omdat het college mogelijk op 13 juli 2025 de tankplaats waarover het bedrijf beschikt zou verzegelen. Dit vanwege de last onder bestuursdwang die op 24 februari 2026 is opgelegd en naar aanleiding waarvan het college een controle wilde uitvoeren.

1.2.

Naar aanleiding van het verzoek heeft het college besloten de controle en (mogelijke) verzegeling van de tankplaats uit te stellen tot 27 juli 2026.

2 Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom doet de voorzieningenrechter ook uitspraak zonder zitting.[_d19351df-200d-4005-9a78-f570b53f1c60] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.2.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op 28 februari 2026 per reguliere post een bezwaarschrift heeft ingediend. Zij heeft daarvan een kopie overgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat hij nooit een bezwaarschrift heeft ontvangen gericht tegen het besluit van 24 februari 2026.

2.3.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het bezwaarschrift heeft verzonden. Het overleggen van een (digitale) kopie van het bezwaarschrift en de stelling dat deze per reguliere post is verzonden is daartoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende. Er kan op basis daarvan niet worden aangenomen dat het bezwaarschrift daadwerkelijk is verstuurd dan wel bij het college is afgeleverd. Dat het college had kunnen verwachten dat [eiseres] bezwaar zou maken maakt dit niet anders. Evenmin leidt de stelling van [eiseres] dat zij na verzending niet meer iets heeft gehoord van het college waaruit bleek dat het bezwaarschrift niet zou zijn ontvangen en daarom geen aanleiding zag te veronderstellen dat het het college niet had bereikt ergens toe. Het is aan [eiseres] om aannemelijk te maken dat zij het bezwaarschrift (tijdig) heeft verzonden. Het is de voorzieningenrechter voorts niet gebleken dat [eiseres] inmiddels alsnog een bezwaarschrift bij het college heeft ingediend.

2.4.

De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat tegen het besluit geen bezwaarprocedure loopt. Daardoor wordt niet voldaan aan het formele connexiteitsvereiste. Om die reden is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

3 Conclusie en gevolgen

3.1.

Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.

3.2.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.