Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Overijssel, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:3938Zaaknummer ZWO 26/1764
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Publicatiedatum
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/1764
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening. Jeugdhulp uit coulance verleend. Er is geen wettelijke grondslag voor het verlenen van jeugdhulp bij wonen en begeleiding daarbij na je 18e. Of er een andere wettelijke grondslag dan de Jeugdwet mogelijk is moet in bezwaar worden uitgezocht. De voorzieningenrechter schorst in de tussentijd het primaire besluit.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
schorst het besluit van 12 juni 2026;
treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat de hulp zoals die nu wordt geboden door [instelling] wordt voortgezet tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist;
bepaalt dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026 door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1764
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
gemachtigde: mr. M.F. Vermaat,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland
gemachtigde: [gemachtigde].
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het verzoek heeft betrekking op een besluit van het college van 12 juni 2026. Met dit besluit heeft het college de eerder toegekende verlengde jeugdhulp beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter:
schorst het besluit van 12 juni 2026;
treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat de hulp zoals die nu wordt geboden door [instelling] wordt voortgezet tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist;
bepaalt dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Motivering
Verzoeker ([verzoeker]) is in 2024 onder toezicht gesteld. Tevens is een machtiging gesloten plaatsing door de kinderrechter verleend. De gesloten plaatsing bleek niet te werken. In overleg tussen de gecertificeerde instelling en het college is [verzoeker] vervolgens geplaatst bij [instelling]. Het betrof hier een vrijwillige plaatsing. De voorzieningenrechter overweegt dat wat betreft de bekostiging van de hulp op dat moment eigenlijk de ouders van [verzoeker] aan zet waren. Het college heeft dat echter onder de noemer ‘jeugdhulp’ en, toen [verzoeker] 18 jaar is geworden, ‘verlengde jeugdhulp’ op zich genomen.
Het probleem is dat wonen en de begeleiding daarbij na je 18e geen jeugdhulp meer is. Er is dus geen wettelijke grondslag voor het verlenen van jeugdhulp nadat [verzoeker] 18 jaar is geworden. Dat betekent dat het besluit in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. De vraag is of er een andere wettelijke grondslag mogelijk is; daarover moet het college in bezwaar nadenken.
Wat betekent dit voor de beslissing tot beëindigen van de hulp die [instelling] biedt? De beslissing is, volgens het college, uit coulance genomen maar dat dient nu te eindigen. Er zijn volgens het college alternatieven geboden, bijvoorbeeld crisisplaatsing gedurende zes tot twaalf weken, en daarna andere huisvesting en begeleiding. Het college verwacht dat dit binnen die twaalf weken wel zal lukken. Het belang van het college is dus gelegen in het beëindigen van uit coulance geboden hulp.
In de belangenafweging moet ook gekeken worden naar het belang van [verzoeker]. [verzoeker] zegt zelf dat hij er belang bij heeft dat hij een traject doorloopt om werk te krijgen. Dat vindt de voorzieningenrechter ook erg belangrijk. Een crisisplek zorgt voor onrust en stress en daarbij is [verzoeker] niet gebaat. [verzoeker] is gebaat bij rust. Omdat het college stelt dat het binnen twaalf weken een oplossing kan bieden geeft het belang van [verzoeker] op een situatie zonder stress en met rust in die periode de doorslag. Daarom schorst de voorzieningenrechter het besluit.
Het moet voor [verzoeker] wel duidelijk zijn dat het na het besluit op bezwaar afgelopen is bij [instelling] wat betreft de Jeugdwet. Hij zal actief zijn best moeten doen om tot een oplossing en tot samenwerking met het college te komen. [verzoeker] krijgt al een bijstandsuitkering dus het niet beschikken over middelen van bestaan kan geen argument zijn om geen woning te krijgen.
Al met al dient in de belangenafweging het belang van [verzoeker] voor te gaan op dat van het college.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
schorst het besluit van 12 juni 2026;
treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat de hulp zoals die nu wordt geboden door [instelling] wordt voortgezet tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist;
bepaalt dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026 door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.