Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Overijssel, 18 juni 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:3435Zaaknummer ak_26-1353

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ak_26-1353
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo bezwaar. Handhavingsverzoek. Geen spoedeisend belang. Er wordt al handhavend opgetreden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 Inleiding: feiten en procesverloop
  3. 3 Beoordeling door de voorzieningenrechter

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1353

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

hierna: het college,

(gemachtigden: mr. M.S. van Dijk, mr. R. van Dijk, mr. A.M. Jacobs, mr. M.A.M. Sombekke).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V. uit [vestigingsplaats],

hierna: [bedrijf],

(gemachtigde: mr. M.A.A. Soppe).

1 Samenvatting

1.1.

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser]. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat geen sprake is van een spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

2 Inleiding: feiten en procesverloop

2.1.

[eiser] exploiteert een bedrijfsverzamelpand op het bedrijventerrein aan de [adres]. Tegenover zijn pand is [bedrijf] gevestigd.

2.2.

Met het besluit van 11 februari 2026 heeft het college aan [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd, waarin [bedrijf] is gelast voor 1 mei 2026 de concentratie van PAK, benzeen en MVP2 stoffen (o.a. formaldehyde) te reduceren en gereduceerd te houden zodat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden. De begunstigingstermijn is met het besluit van 29 april 2026 verlengd tot 15 september 2026 omdat er volgens het college concreet zicht bestaat dat [bedrijf] voor het einde van die termijn aan de emissiegrenswaarden kan voldoen.

2.3.

Op 8 maart 2026 heeft [eiser] het college onder meer verzocht handhavend op te treden tegen [bedrijf] omdat de centrale niet voldoet aan de emissiegrenswaarden. Hij heeft daarin onder andere verzocht de productie van [bedrijf] stil te leggen totdat de centrale wel voldoet aan de emissiegrenswaarden.

2.4.

Met het besluit van 1 mei 2026 heeft het college het verzoek van [eiser] voor zover dit ziet op het stilleggen van [bedrijf] afgewezen. Voor het overige heeft het college het verzoek om handhaving toegewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat er al gehandhaafd wordt.

2.5.

[eiser] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.6.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigden van het college en namens [bedrijf] [naam] en de gemachtigde van [bedrijf].

3 Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van een spoedeisend belang. Dit is het geval als zich een zodanige (acute) situatie zich voordoet dat, zoals in dit geval, de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

3.2.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een dergelijke spoedeisende situatie geen sprake is. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel allereerst dat het college al optreedt tegen de overtredingen door middel van de last onder dwangsom. Hiervoor heeft [bedrijf] tot 15 september 2026 de tijd gekregen en het bedrijf is verplicht het college maandelijks op de hoogte te stellen over de voortgang. Op de zitting heeft [eiser] aangegeven dat het bedrijf niet behoeft te worden stil gelegd. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat [bedrijf] net als andere bedrijven aan de regels voldoet.Op de zitting is door [bedrijf] aangegeven dat de centrale vanwege de installatie van het Environox-systeem – waarmee kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden – in week 28/29 stil zal worden gelegd. Na de installatie en opstart in week 35/36 zal de centrale (moeten) voldoen aan de emissiegrenswaarden. Dit betekent dat de gevraagde voorlopige voorziening ziet op een relatief korte periode. [eiser] heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom zich nu een acute situatie voordoet die eerder optreden rechtvaardigt en hij heeft bovendien niet duidelijk gemaakt op welke wijze gehandhaafd zou moeten. Er zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht waaruit volgt dat [bedrijf] nu niet binnen de begunstigingstermijn aan de last zal voldoen. Daartegenover staat dat uit de motivering van het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt dat er vooralsnog reden is aan te nemen dat [bedrijf] per 15 september 2026 zal voldoen aan de emissiegrenswaarden. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat onbetwist is gebleven dat het college zich heeft laten adviseren door de GGD en dat in dat advies is neergelegd dat op leefniveau aan de immissiegrenswaarden wordt voldaan en er daarmee geen sprake is van acute gezondheidsrisico’s. Alles in overweging meenemend, ziet de voorzieningenrechter daarom geen spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

3.3.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3.4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.