Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 13 mei 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:2779Zaaknummer C/08/346881 / HA ZA 26-128

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/08/346881 / HA ZA 26-128
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ontbinding aannemingsovereenkomst. Vordering terugbetaling aanbetalingen en kosten

De rechtbank

3.1

verklaart voor recht dat HER is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk en deze overeenkomst op 16 mei 2025 is ontbonden,

3.2

veroordeelt HER om aan [eiser] te betalen

  • een bedrag van € 33.759,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 1.389,08 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 10.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 14.469,18 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
  • en bedrag van € 16.601,20 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 707,85 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 1648,73 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3

veroordeelt HER in de proceskosten van € 3.046,02 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HER niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.4

veroordeelt HER tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/346881 / HA ZA 26-128

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. E.I. Speelman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HER B.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde partij,

hierna te noemen: HER,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het tegen HER verleende verstek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1

[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2.2

[eiser] vordert HER te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen. [eiser] heeft namelijk de beslagstukken niet in het geding gebracht.

2.3

[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente over haar vorderingen vanaf verschillende data. De gevorderde wettelijke rente is echter niet toewijsbaar vanaf de door [eiser] genoemde data.

2.3.1

[eiser] vordert de wettelijke rente over haar vordering van € 45.347,68 (bestaande uit € 33.759,00, € 1.389,08 en € 10.200,00) vanaf 16 mei 2025. Dat is echter de datum waarop [eiser] HER bij brief heeft aangemaand te betalen binnen een termijn van veertien dagen. Bovendien heeft [eiser] HER in deze brief slechts voor een deel van de vordering aangemaand, namelijk een bedrag van €33.759,00. De rechtbank wijst daarom de wettelijke rente over een bedrag van €33.759,00 toe vanaf 30 mei 2025, aangezien HER vanaf die datum in verzuim is geraakt door dat bedrag niet binnen de haar gestelde termijn te betalen. Voor zover de vordering betrekking heeft op een bedrag van € 10.200,00 zal deze worden toegewezen vanaf datum dagvaarding (26 maart 2026), aangezien een eerdere datum waaruit kan worden afgeleid dat HER in verzuim is geraakt niet is gesteld of is gebleken.[eiser] heeft HER eerst per 16 juli 2025 bij brief aangemaand een bedrag van € 1.389,08 te betalen binnen een termijn van veertien dagen. De rechtbank wijst de wettelijke rente over € 1.389,08 daarom toe vanaf 30 juli 2025, aangezien HER op die datum in verzuim is geraakt door niet binnen de haar gestelde termijn te betalen.

2.3.2

[eiser] vordert ook wettelijke rente over haar vordering van € 31.070,38 (bestaande uit € 14.469,18, € 5.348,20, € 7.260,00 en € 3.993,00) vanaf 16 mei 2025. Ook voor deze vordering geldt dat [eiser] HER op 16 mei 2025 slechts voor een deel van de vordering, namelijk een bedrag van € 14.469 heeft aangemaand en dat het verzuim van HER ten aanzien van dat bedrag door niet te betalen eerst vanaf 30 mei 2025 is ingetreden. De rechtbank zal de wettelijke rente over € 14.469,18 daarom toewijzen vanaf 30 mei 2025 en de wettelijke rente over € 5.348,20, € 7.260,00 en € 3.993,00 (met een gezamenlijk beloop van 16.601,20) toewijzen vanaf 26 maart 2026 (de datum van dagvaarding).

2.3.3

[eiser] vordert tot slot de wettelijke rente over haar vordering van € 707,85 vanaf 3 april 2025. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld of onderbouwd waaruit het verzuim tot betaling van dit bedrag vanaf de door [eiser] genoemde datum kan worden afgeleid. De rechtbank zal de wettelijke rente over dit bedrag daarom toewijzen vanaf 26 maart 2026 (de datum van dagvaarding).

2.4

De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.

De proceskosten

2.5

HER is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€153,02
- griffierecht€1.414,00
- salaris advocaat€1.290,00(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€3.046,02
2.6

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

verklaart voor recht dat HER is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk en deze overeenkomst op 16 mei 2025 is ontbonden,

3.2

veroordeelt HER om aan [eiser] te betalen

  • een bedrag van € 33.759,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 1.389,08 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 10.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 14.469,18 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
  • en bedrag van € 16.601,20 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 707,85 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 1648,73 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3

veroordeelt HER in de proceskosten van € 3.046,02 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HER niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.4

veroordeelt HER tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.